← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:11334

RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Nijmegen Zaaknummer: 11557162 \ CV EXPL 25-548 Vonnis van 21 november 2025 in de zaak van [naam eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. I.M.A. Bruls-van Strien, tegen 1 [gedaagde sub 1], kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

  1. CAFETARIA CAGLAR B.V., kantoorhoudende te Nijmegen,
  2. MFE B.V., kantoorhoudende te Hank,
  3. [naam gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: gedaagden, procederend in persoon. 1De procedure 1.
  4. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 28 maart 2025 - het bericht van mr. Bruls-van Strien over het faillissement van gedaagde sub
  5. 1.
  6. De zaak is mondeling behandeld op 21 oktober
  7. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. Bruls-Van Strien. Namens gedaagden is niemand verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken en mr. Bruls-Van Strien heeft een actuele berekening van de netto vordering overgelegd. 1.
  8. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  9. [eiser] werkte vanaf 2015 bij restaurant ‘[naam]’ Die onderneming is in 2022 overgenomen door gedaagde sub
  10. [eiser] heeft een arbeidsovereenkomst gesloten op basis waarvan hij met ingang van 1 oktober 2022 als Chef Kok in dienst kwam bij gedaagde sub 1, voor 32 uur per week. Deze arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is na 30 september 2023 stilzwijgend voortgezet. 2.
  11. MFE B.V. is bestuurder van gedaagde sub 1 en van Cafetaria Caglar B.V. en gedaagde sub 4 (hierna: [gedaagde] ) is bestuurder van MFE B.V.. 2.
  12. [eiser] heeft zijn arbeidsovereenkomst per 25 juni 2024 opgezegd. 2.
  13. Gedaagde sub 1 is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van [datum] 2025 failliet verklaard. 3Het geschil 3.
  14. [eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van: I. Achterstallig salaris over de maanden april en juni 2024 van € 4.370,26 bruto. II. Vakantietoeslag over de maanden april en juni 2024 van € 349,62 bruto. III. € 1.344,96 bruto aan opgebouwde en niet genoten vakantiedagen over 2024; IV. € 107,60 bruto aan vakantietoeslag over opgebouwde en niet genoten vakantiedagen over
  15. V. Achterstallig salaris over de maanden januari, februari, maart en mei 2024 van € 775,92 netto. VI. De vakantietoeslag over de maanden januari, februari, maart en mei 2024 van € 38,80 netto. VII. De wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van voornoemde bedragen tot aan de dag van volledige voldoening. VIII. De proceskosten, het bedrag aan eigen bijdrage voor de gemachtigde van € 356,00 daaronder begrepen. 3.
  16. Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt [eiser] - kort gezegd - dat hij nog loon tegoed heeft van zijn voormalig werkgever. Ondanks meerdere verzoeken en sommaties van zijn kant blijft werkgever echter nalaten het achterstallig loon te betalen. Daarom heeft [eiser] zich genoodzaakt gezien deze gerechtelijke procedure te starten. 3.
  17. Gedaagden voeren verweer en concluderen dat de vorderingen moeten worden afgewezen. 3.
  18. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Gedaagde sub 1 is de werkgever van [eiser] 4.
  19. Aangezien [eiser] als werknemer een loonvordering heeft ingediend moet de kantonrechter eerst beoordelen wie de werkgever van [eiser] is geweest. [eiser] stelt zich namelijk op het standpunt dat alle gedaagden in feite moeten worden beschouwd als zijn werkgever. Volgens hem was er eigenlijk maar één persoon die alles besliste en was dat [gedaagde] , die zeggenschap heeft over alle gedaagde ondernemingen. Daarom heeft hij zijn loonvorderingen tegen alle vier de gedaagden ingesteld, aldus [eiser] . 4.
  20. De kantonrechter is van oordeel dat (alleen) gedaagde sub 1 de werkgever van [eiser] is geweest. [eiser] heeft immers de arbeidsovereenkomst met gedaagde sub 1 gesloten en alleen de gegevens van gedaagde sub 1 staan op de arbeidsovereenkomst. Daarnaast bevond het restaurant waar [eiser] altijd heeft gewerkt zich op het adres van gedaagde sub 1 en staat dat restaurant ook bekend als ‘[naam]’, de handelsnaam van gedaagde sub
  21. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [eiser] overigens ook gezegd dat [eiser] formeel in dienst is getreden bij gedaagde sub
  22. Dat zijn loon soms werd betaald door gedaagde sub 2 rechtvaardigt niet de conclusie dat gedaagde sub 2 (ook) de werkgever van [eiser] is geweest. Ten aanzien van gedaagde sub 1 4.
  23. Vast staat dat de loonvordering van [eiser] is ontstaan voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van gedaagde sub
  24. Deze vordering heeft ten doel de voldoening van een verbintenis uit de failliete boedel. Dit betekent dat het geding met betrekking tot gedaagde sub 1, gelet op artikel 29 Faillissementswet (hierna: Fw), van rechtswege wordt geschorst per [datum] 2025 (de datum van faillietverklaring) en wordt, zoals in artikel 29 Fw is bepaald, alleen dan voortgezet, indien de verificatie van de tegen haar ingestelde vorderingen wordt betwist. Gedurende de schorsing verrichte proceshandelingen zijn nietig, behalve voor zover het gaat om handelingen die de schorsing zelf betreffen of die nodig zijn om verval van instantie te bewerkstelligen. 4.
  25. De kantonrechter zal iedere verdere beslissing ten aanzien van de vorderingen jegens gedaagde sub 1 aanhouden. Ten aanzien van gedaagden sub 2 en 3 4.
  26. Aangezien hiervoor al is geoordeeld dat gedaagden sub 2 en 3 niet de werkgever(s) zijn van [eiser] , ontbreekt een grondslag voor de tegen hen ingestelde loonvorderingen. Verder is hierover ook niets gesteld dat kan maken dat gedaagde sub 2 aansprakelijk is voor een schuld van haar zustervennootschap of gedaagde sub 3 voor de schuld van haar dochtervennootschap. De kantonrechter zal de vorderingen jegens hen daarom afwijzen. Ten aanzien van gedaagde sub 4 4.
  27. Wat betreft [gedaagde] , gedaagde sub 4, overweegt de kantonrechter het volgende. [eiser] heeft de loonvordering mede jegens [gedaagde] ingesteld, omdat hij vindt dat [gedaagde] als bestuurder van gedaagde sub 1 verwijtbaar heeft gehandeld door het loon van [eiser] niet uit te betalen. 4.
  28. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Alleen onder bijzondere omstandigheden is, naast de aansprakelijkheid voor de vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder - waaronder tevens begrepen is de (mede)beleidsbepaler/feitelijk (niet formeel) bestuurder van de vennootschap - ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Er geldt een hoge drempel voor het aannemen van dergelijke bestuurdersaansprakelijkheid. 4.
  29. [eiser] heeft geen gronden gesteld voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid. Het enkele niet betalen van het loon door gedaagde sub 1 als werkgever rechtvaardigt niet de conclusie dat [gedaagde] als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is daarvoor. De kantonrechter zal de vorderingen jegens [gedaagde] daarom afwijzen. De proceskosten jegens gedaagden sub 2, 3 en 4 4.
  30. [eiser] is jegens gedaagden sub 2, 3 en 4 in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter begroot deze kosten aan de zijde van gedaagden sub 2, 3 en 4 op nihil, omdat zij zonder gemachtigde procederen en daarnaast geen kosten hebben opgevoerd. 5De beslissing De kantonrechter Ten aanzien van gedaagde sub 1 5.
  31. verstaat dat de procedure in verband met de faillietverklaring van gedaagde sub 1 is geschorst, 5.
  32. houdt iedere verdere beslissing aan, Ten aanzien van gedaagden sub 2, 3 en 4 5.
  33. wijst de vorderingen af, 5.
  34. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden sub 2, 3 en 4 begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 21 november
  35. 41245 \ 560 Zie Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.