RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/880250-19 Datum uitspraak : 12 mei 2025 Tegenspraak (279 Sv) vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1969 in de Sovjet-Unie (plaats onbekend), wonende aan de [adres 1] in [postcode] [woonplaats] (Frankrijk). Raadsvrouw: mr. R.M. Joppen, advocaat in Almere. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 mei 2018 tot en met1 januari 2024, te Silvolde en/of Ulft, gemeente Oude IJsselstreek en/of (elders) in Nederland en/of te Ales, Frankrijk en/of (elders) in Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (van) - een geldbedrag van (in totaal) 216.836 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan de [adres 2] te Silvolde) en/of - een pand gelegen aan de [adres 2] te Silvolde en/of althans/aldus (van) een of meer (van die) voorwerpen - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(
- n)op dat /die voorwerp(
- en)was/waren en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(
- en)voorhanden had(den) (sub
- a)en/of - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of - gebruik heeft gemaakt (sub
- b)terwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(
- en)- onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Inleiding Deze strafzaak maakt deel uit van de vervolging van de verdachten uit het onderzoek ‘Babydraak'. Aanleiding voor dit onderzoek vormde een melding dat omwonenden vermoedden dat in het pand aan de [adres 2] in Silvolde een hennepkwekerij zou zitten. Er is vervolgens onderzoek gedaan naar de eigendom van dit pand en de personen die bij observaties gezien zijn bij dit pand. Van die personen, te weten [naam 1] (verder te noemen: [naam 1] ), [naam 2] (verder te noemen: [naam 2] ), [naam 3] (verder te noemen: [naam 3] ) en[naam 4] (verder te noemen: [naam 4] , in het procesdossier naar voren komend onder de achternaam - vóór echtscheiding- [naam 4] ) zijn vanaf 4 maart 2019 de telefoonnummers geïntercepteerd. In de tapgesprekken en verder onderzoek kwamen andere panden in beeld, waarin voornoemde personen zich mogelijk bezig hielden met de teelt van hennep. Binnen het onderzoek ‘Babydraak’ wordt aan ieder van de voornoemde personen, alsook aan [medeverdachte 1] (verder te noemen: [medeverdachte 1] ), een (in meer of mindere mate centrale) rol toegedicht binnen een criminele organisatie. Deze organisatie zou zich, kort weergegeven, jarenlang bezig hebben gehouden met het telen van grote hoeveelheden hennep in meerdere hennepkwekerijen, waarbij de ten behoeve van de teelt benodigde stroom illegaal werd afgenomen. De opbrengst van de verkoop van de geteelde hennep zou vervolgens zijn witgewassen door deze aan te wenden voor de aankoop van panden op diverse locaties in Nederland. Er werden geen hypothecaire leningen afgesloten en de koopprijs werd betaald vanuit het buitenland via bankrekeningen op naam van verschillende personen, en ook deels contant bij de betrokken notaris. De panden in kwestie werden op naam gezet van familieleden van leden van de criminele organisatie, niet zijnde, zo is de verdenking, de (feitelijk) rechthebbenden op de panden. Het gaat dan om [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Direct na de aankoop vond (met uitzondering van de panden op naam van de moeder van [naam 4] ) geen inschrijving plaats in de Basis Registratie Personen (BRP) en was niet direct sprake van feitelijke bewoning. Wel werden hennepkwekerijen aangelegd in een aantal panden. Wat betreft de onderlinge (familie)relaties staat het volgende niet ter discussie: [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn de ouders van [medeverdachte 1] . [verdachte] is getrouwd met [naam 5] (ook wel: [naam 5] ). [naam 5] is de broer van [medeverdachte 2] . Daarmee is [verdachte] een tante van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft vanaf 2011 tot eind 2016 een relatie gehad met [naam 1] en met hem samengewoond. Uit hun relatie is een dochter geboren. Sinds 2015 is [naam 1] bevriend met [naam 4] en vanaf 2017 tot na de ten laste gelegde einddatum 23 juli 2019 hebben zij (met onderbrekingen) een relatie gehad. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zijn de ouders van [naam 2] . [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [medeverdachte 1] worden allen vervolgd voor (onder meer) deelname aan een criminele organisatie die (onder meer) het medeplegen van gewoontewitwassen ten aanzien onroerend goed als oogmerk had. [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] worden vervolgd voor het medeplegen van witwassen ten aanzien een of meerdere panden en de/het voor de aankoop van dat/die pand(
- en)overgemaakte geldbedrag(en). In die zin wordt hen binnen onderzoek ‘Babydraak’ wel een rol toegedicht binnen een criminele organisatie, maar zij worden niet vervolgd voor deelname daaraan. Standpunten ten aanzien van het ten laste gelegde feit Het standpunt van het Openbaar Ministerie Bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan ten laste gelegde het medeplegen van witwassen ten aanzien van het pand aan de [adres 2] . Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat [verdachte] een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het ten laste gelegde geldbedrag, waarop het Openbaar Ministerie nader onderzoek had moeten verrichten. Het bedrag heeft een legale herkomst. Er is inzicht gegeven in het vermogen van [verdachte] . Niet alleen blijkt hieruit dat zij vermogend is, maar ook hoe zij aan dat vermogen komt. Het bestanddeel ‘van enig misdrijf afkomstig’ kan niet bewezen worden. Mocht dat anders zijn, dan geldt dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet of van een situatie waarin [verdachte] redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het ten laste gelegde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was. Er is nog een scenario denkbaar, namelijk dat misbruik is gemaakt van [verdachte] , in welk geval het opzet al helemaal ontbreekt. De beoordeling door de rechtbank Juridisch kader Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat het ten laste gelegde voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. Binnen dit kader dient de rechtbank te beoordelen of [verdachte] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van (het aankoopbedrag van) het pand aan de [adres 2] . De rechtbank zal hierna, om te beoordelen of de betalingen die zijn gedaan ten behoeve van de aankoop van het pand aan de [adres 2] een criminele herkomst hebben, eerst ingaan op de herkomst van de gelden waarmee het pand is aangekocht. Daarbij zullen ook de panden aan de [adres 3] in Rotterdam, de [adres 4] in Rotterdam en het [adres 5] in Schiedam aan de orde komen, gelet op de uit de bewijsmiddelen naar voren komende verwevenheid waar het gaat om de financiering van deze panden door personen die allen in een familierelatie staan tot elkaar. Daarna zal de rechtbank beoordelen of de feiten en omstandigheden ten aanzien van de betaling van het pand aan de [adres 2] en de herkomst van de gelden een gerechtvaardigd vermoeden opleveren dat deze gelden van enig misdrijf afkomstig zijn. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de verklaringen van [verdachte] en anderen over de herkomst van de gelden en beoordelen of deze concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de witwashandelingen van de verschillende (andere) verdachten. Criminele herkomst Aankoopbetalingen ten aanzien van de panden De rechtbank neemt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, als vaststaand aan. [adres 3] Het pand gelegen aan de [adres 3] in Rotterdam is op 11 maart 2013 geleverd aan [medeverdachte 3] . In totaal is € 51.993,31 betaald aan de notaris. De betalingen gingen als volgt. Op 5 maart 2013 is er € 6.000,- betaald van rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van [naam 6] . Op 5 maart 2013 is er € 8.000,- betaald van rekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van [naam 7] . Op 6 maart 2013 is er € 27.943,- betaald vanuit Armenië van rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van [medeverdachte 3] . Het resterende bedrag van € 10.050,31 is contant betaald. [naam 7] en [naam 6] zijn familie van [medeverdachte 1] , zij zijn broers van elkaar en zijn de zonen van de oom van [medeverdachte 1] . [adres 4] Dit pand is op 30 juli 2015 door [medeverdachte 1] aangekocht voor € 100.000,-. De betaling van de totale aankoopprijs van € 103.231,- aan de notaris is als volgt gedaan. Op 2 juli 2015 is er een betaling van € 26.500,- gedaan op naam van [medeverdachte 2] . Op 2 juli 2015 is er een betaling van € 27.500,- gedaan op naam van [medeverdachte 3] . Op 14 juli 2015 is er € 10.000,- betaald van rekeningnummer [rekeningnummer 9] op naam van [medeverdachte 1] . Op 23 juli 2015 is er een betaling van € 27.797,- gedaan op naam van [medeverdachte 2] . Op 30 juli 2015 is het resterende bedrag van € 11.434,28 contant betaald bij de notaris. [adres 5] en [adres 2] Herkomst gelden aankoop [adres 5] Het pand aan het [adres 5] is op 8 maart 2016 gekocht door [medeverdachte 2] voor € 115.000,-. De betaling van het aankoopbedrag aan de notaris is als volgt gegaan. - Op 12 februari 2016 is een betaling van € 9.000,- gedaan door [naam 7] en een betaling van € 6.000,- door [naam 5] . - Op 29 februari 2016 is een betaling van € 103.583,- gedaan op naam van [medeverdachte 3] Geldstroom verkoopopbrengst [adres 5] en aankoop [adres 2] Op 6 december 2017 is het pand aan het [adres 5] verkocht. De opbrengst van de verkoop (€ 143.673,25) is overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 4] op naam van [medeverdachte 2] , op 8 december 2017. Op 11 december 2017 wordt dit bedrag vervolgens overgemaakt naar een rekening van [medeverdachte 3] . Die heeft het bedrag op een spaarrekening gezet. Op 25 mei 2018 heeft hij € 143.600,- opgenomen en een bedrag van €163.000,- overgemaakt naar een Armeense bankrekening van [verdachte] . Vervolgens heeft [verdachte] op 25 mei 2018 ongeveer € 196.000,- overgemaakt naar notaris [naam 8] , met omschrijving “payment according to the contract, Zaaknummer 34848, 11 May 2018 for buying real estate Aankoop [adres 2] Te Silvolde”. [verdachte] heeft op 26 april 2018 het pand aan de [adres 2] gekocht. De rechtbank concludeert hieruit dat de opbrengst van de verkoop van het pand aan het [adres 5] is gebruikt voor de aankoop van het pand aan de [adres 2] in Silvolde. In totaal is voor het pand aan de [adres 2] een bedrag van € 216.836,63 betaald. Naast het hiervóór genoemde bedrag van € 196.000,- heeft [verdachte] op 22 mei 2018 een betaling van € 20.500,- gedaan. Totale uitgaven [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] Wanneer uit de bovenstaande gegevens met betrekking tot de betaling van de panden, alle bedragen die door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn betaald worden opgeteld, blijkt dat zij in totaal € 37.993,- + € 27.500,-+ € 11.434,- + € 103.582,22 = € 196.336,63 + 54.297,- + € 45.503,61 = € 476.646,46 hebben betaald. Daarbij komt dat beiden ook nog€ 5.800,- en € 18.000,- hebben meebetaald aan het pand aan de [adres 6] in Rotterdam, dat op 11 december 2014 op naam van [medeverdachte 5] is aangekocht. Dit brengt het totaal aan uitgaven voor panden van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op een bedrag van € 500.446,46. Na aftrek van de opbrengst van de verkoop van het pand aan het [adres 5] komt het uitgegeven bedrag op € 356.773,21. Onderzoek naar de bankrekeningen in het buitenland en de financiële positie Het Openbaar Ministerie heeft, onder andere door middel van rechtshulpverzoeken, onderzoek gedaan naar de herkomst van de gelden op de bankrekeningen in het buitenland en naar de financiële positie van de betrokkenen. Daaruit is het volgende naar voren gekomen. [medeverdachte 3] Uit de uitgeleverde informatie uit Armenïe blijkt onder meer dat [medeverdachte 3] een Armeense bankrekening had met nummer [rekeningnummer 5] . Op deze rekening zijn op de dag waarop de betaling van € 103.582,22 voor de aankoop van het pand aan het [adres 5] is gedaan, twee bedragen ontvangen. De eerste betreft een bedrag van € 33.868,- met als omschrijving “contante bijschrijving”. De tweede betreft een bedrag van € 69.715,- met de omschrijving “contante afschrijving”. Gelet op die omschrijvingen gaat de rechtbank ervan uit dat dit contante stortingen betreffen. Verder blijkt uit het overzicht van de mutaties van deze bankrekening van [medeverdachte 3] dat daarop in 2015 in totaal € 57.500,- contant is gestort, in 2016 € 89.733,- en in 2017 € 20.000,-. Voor de betalingen die zijn gedaan door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] voor de [adres 4] en het [adres 5] zijn geen tegenrekeningen gevonden. Het zijn transacties die met een ID bewijs zijn gedaan, op zogenoemde paspoortrekeningen (zoals hiervóór ten aanzien van het Cluster panden familie [naam 2] ook aan de orde is gekomen). De herkomst van deze gelden kan daarom niet worden vastgesteld. Tot slot blijkt uit de uitgeleverde informatie uit Armenië van de rekening [rekeningnummer 6] op naam van [medeverdachte 3] dat hij tussen december 2016 en december 2017 maandelijks een bedrag van omgerekend € 62,92 aan uitkering heeft ontvangen. Dit is de enige vast inkomstenbron die is te zien in de uitgeleverde stukken. [medeverdachte 2] Uit de uitgeleverde stukken uit Armenië is een aantal bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2] naar voren gekomen. Op een van deze bankrekeningen ontving zij in de jaren 2013 tot en met 2017 een uitkering van enkele tientallen euro’s. Op een andere rekening ontving zij in 2015 ook een uitkering van € 51,38. [verdachte] en [naam 5] Ten aanzien van de bankrekening van [verdachte] , waarvan de betaling voor de [adres 2] is gedaan, is uit informatie uit Frankrijk het volgende gebleken. In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2018 vinden op deze bankrekening acht transacties plaats die betrekking hebben op de aankoop van het pand. Op 22 mei 2018 een bijschrijving van € 20.500,- van rekening [rekeningnummer 7] op naam van [medeverdachte 2] . Op 22 mei 2018 een afschrijving van € 20.500,- naar de rekening van notaris [naam 8] , met omschrijving ‘Payment according to the contract Zaaknummer 34878, 11 may 2018 for buyng real estate aankoop [adres 2] te Silvolde’. Op 25 mei 2018 een bijschrijving van € 25.003,61 van rekening [rekeningnummer 7] op naam van [medeverdachte 2] . Op 25 mei 2018 een bijschrijving van € 163.646,35 van rekening [rekeningnummer 5] op naam van [medeverdachte 3] . Op 25 mei 2018 een bijschrijving van € 7,716,67 van rekening [rekeningnummer 8] op naam van [verdachte] . Op 25 mei 2018 een: afschrijving van € 196.336,63 naar de rekening van notaris [naam 8] , met omschrijving ‘Payment according to the contract Zaaknummer 34878, 11 may 2018 for buyng real estate aankoop [adres 2] te Silvolde’. Uit de informatie die uit Frankrijk is gekomen blijkt dat de (Franse) inkomens- en vermogenspositie van [verdachte] en haar man [naam 5] Mneyan niet in verhouding staat tot het bedrag dat is betaald voor de aankoop van het pand aan de [adres 2] . Uit de aangeleverde gegevens blijken de volgende gezamenlijke fiscale inkomsten per belastingjaar: 2013 € 8.686 2014 € 0 2015 € 7.356 2016 € 5.799 2017 € 0 2018 € 15.188 [naam 6] en [naam 7] Op de genoemde rekening van [naam 6] stond op 1 oktober 2012 € 44,85. Op 28 november 2012, 22 februari 2013 en 4 maart 2013 werd er drie keer een contant bedrag op de rekening gestort, voor in totaal € 7.000,-. De herkomst van de gelden en de betalingen van [naam 7] zijn niet te onderzoeken. De fiscale jaarinkomens van [naam 6] en [naam 7] waren in 2013 respectievelijk € 11.281,- en € 13.838,-. [medeverdachte 1] heeft, zoals hiervóór genoemd, op 14 juli 2015 een betaling van € 10.000,- gedaan voor de aankoop van het pand aan de [adres 4] . Vier dagen voor deze betaling, wordt door [naam 9] een bedrag van € 9.888,- door middel van een wereldbetaling gestort op de rekening van [medeverdachte 1] . Deze [naam 9] is op 23 juli 2019 aangehouden in het pand aan de [adres 2] toen daar een hennepkwekerij is aangetroffen. Tussenconclusie: gerechtvaardigd vermoeden van criminele herkomst Gelet op de volgende feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen blijken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gerechtvaardigd vermoeden dat de geldbedragen waarmee de drie panden aan de [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] zijn aangekocht afkomstig zijn van enig misdrijf: het aankoopbedrag per pand wordt door middel van verschillende overboekingen voldaan door verschillende personen, deels wonend in het buitenland en vanaf buitenlandse tenaamgestelde rekeningen of zogenaamde paspoortrekeningen en deze betalingen worden soms vooraf gegaan door contante stortingen; de personen die de betalingen doen, hebben geen binding met Nederland en zijn allemaal familie van [medeverdachte 1] ; (het legale) vermogen van de personen die de betalingen doen vormt op geen enkele manier een verklaring voor de uitgaven die zij voor de aankoop van de verschillende panden hebben gedaan. Omdat het pand aan de [adres 2] bijna volledig is gefinancierd met de verkoopopbrengst van het pand aan het [adres 5] , geldt ook voor dat pand dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat het is aangekocht met geld afkomstig van enig misdrijf. Van [verdachte] en de andere betrokken verdachten mag daarom worden verwacht dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geven over de legale herkomst van het geld waarmee de panden, en uiteindelijk ook het pand aan de [adres 2] , zijn aangekocht. Verklaringen van de verdachten over de herkomst van de gelden waarmee de panden zijn aangekocht [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben geen verklaring afgelegd. [verdachte] heeft bij Franse politie verklaard geen beroep en geen enkele vorm van inkomen te hebben. Haar man is kruidenier en verdient € 1000,- per maand. Over de aankoop van het pand aan de [adres 2] heeft zij verklaard dat zij op het pand was gewezen door een Marokkaanse vriend, [naam 10] , die zij op het strand in Frankrijk had ontmoet. Zij weet niet meer hoe het dorp heet waar ze het pand gekocht heeft. Daarbij legde zij een kopie van een paspoort van deze [naam 10] over. Deze kopie is door de Koninklijke Marechaussee onderzocht en vals bevonden. Zij heeft verder verklaard dat ze het pand heeft betaald met geld dat zij van haar zwager heeft geleend. Haar zwager heeft haar het geld in Armenië contant gegeven en zij heeft dat bedrag rechtstreeks aan de notaris betaald. [medeverdachte 1] heeft over haar inkomen verklaard dat zij niet werkt en dat haar maandelijkse inkomsten bestaan uit € 350.- kinderbijslag, € 100,- zorgtoeslag en € 221,- kindgebonden budget. Verder kreeg ze maandelijks € 300,- à € 350,- contant van haar vader. Over het pand aan de [adres 4] heeft zij verklaard dat haar vader dit voor haar heeft betaald. Ook het contante bedrag dat bij de notaris is betaald, was geld van haar vader. Hij is een ingenieur mechaniek en heeft zijn hele leven hard gewerkt, waardoor hij dit huis voor haar kon kopen. Over het pand aan de [adres 3] heeft [medeverdachte 1] verklaard dat dit van haar vader is. De betalingen door [naam 6] en [naam 7] zijn gedaan omdat zij geld schuldig waren aan haar. Zij hebben zo hun schuld afbetaald. Tot slot heeft zij verklaard dat haar vader alle huizen die hij in Nederland heeft gekocht kon betalen met geld dat hij zelf heeft verdiend. Over het pand aan het [adres 5] heeft zij verklaard dat dit van haar moeder is en dat het de bedoeling was om te investeren. [naam 1] heeft bij de politie verklaard dat hij niets met de panden aan de [adres 3] en het [adres 5] te maken heeft. Over de [adres 2] heeft hij verklaard dat hij tussenpersoon was bij de aankoop omdat hij de Nederlandse taal spreekt. Met de betalingen heeft hij niets te maken. [naam 3] en [naam 2] hebben zich bij de politie ten aanzien van de panden in kwestie op hun zwijgrecht beroepen. Overgelegde stukken Kort voor de inhoudelijke behandeling zijn namens [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] stukken ingebracht ter verklaring van hun uitgaven. Deze stukken zijn ook in de strafzaak van [verdachte] gevoegd. Samengevat komen die er op neer dat zij geld hebben gespaard van [medeverdachte 3] ’s baan als bouwprojector en met beleggingen en valutahandel. Verder is een aantal documenten ingediend over banksaldi, beleggingen en bankafschriften. Daarbij zit een document waarop bij de betaling van het bedrag van € 27.943,- voor de aankoop van het pand aan de [adres 3] het vakje “betaling contant” is aangekruist. Ook zitten er verklaringen bij van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [naam 6] en [naam 7] . Deze verklaringen zijn allemaal opgemaakt in het Nederlands. Namens [verdachte] is een schriftelijke verklaring in het Nederlands ingediend. Daarin blijft zij bij haar verklaring dat zij geld heeft geleend van haar zwager. Alleen verklaart ze nu dat het geld op een andere manier bij de notaris terecht is gekomen en dat het deel dat door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] is betaald, door haar zwager bij hen is geleend. Daarbij is ook een schriftelijke verklaring in het Nederlands van de zwager, [naam 11] , overgelegd. Beoordeling verklaringen door de rechtbank De rechtbank stelt bij de beoordeling van de genoemde verklaringen het volgende voorop. Ten eerste is een groot deel van de onderbouwing van de herkomst van de gelden pas één of enkele dagen voor de inhoudelijke behandeling ingediend. Dit terwijl er al sinds 2019 beslag ligt op de betreffende panden, een deel van de verdachten in 2019 in voorlopige hechtenis heeft gezeten en het grotendeels gaat om stukken die al lang bij de verdachten in bezit of opvraagbaar moeten zijn geweest. Dit late tijdstip van indienen van stukken weegt mee in de beoordeling van de verklaringen die zijn gegeven. Ten tweede zijn er meerdere verklaringen ingediend die in het Nederlands zijn opgesteld, terwijl degenen van wie de verklaringen zijn de Nederlandse taal niet machtig zijn. Het is niet duidelijk geworden hoe deze verklaringen tot stand zijn gekomen. Deze omstandigheden, tezamen met het gegeven dat in onderzoek ‘Babydraak’ een veelheid aan valse stukken is aangetroffen, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat uiterst behoedzaam met deze verklaringen moet worden omgegaan. Als vervolgens wordt gekeken naar de inhoud van de stukken die zijn overgelegd, kan de onderbouwing die namens [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is ingediend op geen enkele manier de uitgaven van ruim € 356.000,- die zij voor de aankoop van de panden hebben gedaan verklaren. De inkomsten die [medeverdachte 3] stelt te hebben gehad, de overgelegde stukken met daarop banksaldi, en het gegeven dat zij in al die jaren ook financiële middelen nodig hadden om van te leven, verklaren bij lange na niet deze enorme uitgaven aan onroerend goed in Nederland. Daar komt nog bij dat in de onderbouwing geen verklaring is gegeven voor de herkomst van de gelden die via de zogenoemde paspoortrekeningen zijn overgemaakt. Evenmin wordt duidelijk wat de herkomst is van de contante stortingen die op de rekening van [medeverdachte 3] zijn gedaan. De rechtbank concludeert dat de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] niet geloofwaardig zijn. Ten aanzien van de verklaring van [verdachte] , overweegt de rechtbank het volgende. Nog los van hetgeen hiervóór is overwogen over de behoedzaamheid die moet worden betracht bij de beoordeling van de echtheid van de verklaringen, is de investering die door de zwager van [verdachte] zou zijn gedaan op geen enkele manier onderbouwd. Niet onderbouwd is hoe hij aan een dergelijk bedrag komt. Daar komt bij dat de verklaringen van [verdachte] over de wijze waarop het bedrag van deze lening bij de notaris terecht is gekomen wisselend zijn. De rechtbank acht de verklaringen van [verdachte] daarom volstrekt ongeloofwaardig. De verklaring van [medeverdachte 1] over de herkomst van de gelden die haar ouders hebben betaald, is in het licht van het voorgaande eveneens niet geloofwaardig. Tot slot stelt de rechtbank vast dat door de overige verdachten, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] helemaal geen verklaring is gegeven over de herkomst van de gelden. Zij stellen helemaal niks met de betaling van de panden van doen te hebben gehad. Conclusie ten aanzien van criminele herkomst Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat het geld dat is aangewend voor de aankoop van de vier panden, waaronder ook het pand aan de [adres 2] , afkomstig is van enig misdrijf, en (mede gelet op de wijze van financieren van de panden) dat [verdachte] wist dat het aankoopbedrag van het pand aan de [adres 2] een criminele herkomst had. Witwashandelingen De rechtbank zal nu ingaan op de handelingen die de verdachten in onderzoek Babydraak hebben verricht die hebben bijgedragen aan het witwassen van het pand aan de [adres 2] . Naast het medeplegen van het verwerven en voorhanden hebben van (het aankoopbedrag van) het pand, is ook het medeplegen van het verbergen en/of verhullen van de herkomst van het (aankoopbedrag) van het pand ten laste gelegd, alsook het medeplegen van het verbergen en/of verhullen van de rechthebbende(
- n)op het pand en wie dat pand voorhanden had(den). De rechtbank zal bespreken wie voor het witwassen relevante handelingen heeft verricht ten aanzien van het pand. Daarnaast zal de rechtbank ingaan op de aangetroffen hennepkwekerij. [adres 2] Op het adres [adres 2] stond van 1 juni 2018 tot en met 23 juli 2019 niemand ingeschreven. T.a.v. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] [naam 1] heeft verklaard dat hij de koopster [verdachte] had geholpen bij de aankoop en bezichtiging en voor haar heeft getolkt. [naam 1] trad op als contactpersoon van de koper, en deed het bod op het pand. Bij de bezichtiging waren naast [naam 1] twee mannen aanwezig, de koper was er niet. De andere twee mannen spraken onderling Frans en iets van een Slavische taal. Mede gelet op hetgeen de rechtbank hierna nog zal overwegen over het aantreffen van de hennepkwekerij in dit pand en de rol die [naam 2] en [naam 3] daarin hebben gespeeld, twijfelt de rechtbank er niet aan dat die andere twee mannen [naam 2] en [naam 3] waren. Betaling vaste lasten Alle vaste lasten (belastingen, energie, water) werden betaald via het bedrijf [bedrijf 1] in Rotterdam, via e-billing. Getuige [getuige] , eigenaar van [bedrijf 1] , heeft verklaard dat per grote transactie 8 euro moet worden betaald. Hennepkwekerij Op 23 juli 2019 is in het pand een hennepkwekerij aangetroffen. Er waren vier kweekruimtes ingericht, met daarin in totaal 2598 hennepplanten. Er wordt uitgegaan van hennepteelt vanaf 29 november 2018 en twee eerder gerealiseerde oogsten. [naam 1] heeft verklaard dat hij betrokken is bij de teelt in het pand aan de [adres 2] . Op 23 juli 2019 kwam vanuit de richting van het pand een persoon lopen. Deze persoon werd even daarna aangehouden en bleek [naam 2] te zijn. [naam 2] droeg, bij zijn aanhouding, een sleutel bij zich welke bleek te behoren bij het pand [adres 2] . [naam 3] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij betrokken is geweest bij de hennepkwekerij in Silvolde. Hij heeft daar ook werkzaamheden gedaan, zoals plantjes verzorgen, water geven, temperatuur in de gaten houden etcetera. Conclusie Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de voormelde bewijsmiddelen dat het pand aan de [adres 2] niet toebehoorde aan [verdachte] , maar (feitelijk) aan de leden van de criminele organisatie die het pand gebruikten voor hennepteelt. De rechtbank komt tot de volgende conclusie ten aanzien van de bewezenverklaring van het witwassen van het pand aan de [adres 2] . Wettig en overtuigend kan bewezen worden dat [verdachte] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het verwerven van het pand (sub b), alsook aan het verhullen van de herkomst van het ten laste gelegde geldbedrag en de rechthebbenden op dat geldbedrag en het pand en wie dat geldbedrag en het pand voorhanden hadden, terwijl zij wist dat het geldbedrag en het pand uit enig misdrijf afkomstig waren. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de anderen. Zij vervulde een onmisbare rol in het geheel en leverde een wezenlijke bijdrage aan het witwassen van (aankoopbedrag voor) het pand. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 mei 2018 tot en met1 januari 2024, te Silvolde en/of Ulft, gemeente Oude IJsselstreek en/of (elders) in Nederland en/of te Ales, Frankrijk en/of (elders) in Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (van) - een geldbedrag van (in totaal) 216.836 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan de [adres 2] te Silvolde) en/of - een pand gelegen aan de [adres 2] te Silvolde en/of althans/aldus (van) een of meer (van die) voorwerpen - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(
- n)op dat /die voorwerp(
- en)was/waren en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(
- en)voorhanden had(den) (sub
- a)en/of - het pand aan de [adres 2] te Silvolde heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of - gebruik heeft gemaakt (sub
- b)terwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(
- en)- onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Het medeplegen van witwassen, meermaals gepleegd. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van het Openbaar Ministerie Gevorderd is dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast dient een geldboete te worden opgelegd van € 10.000,-, bij niet betalen te vervangen door 85 dagen hechtenis. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om bij strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte op leeftijd is en diabetes heeft. Zij heeft de afgelopen veel stress ervaren van de strafzaak. Verder is zij niet eerder met justitie in aanraking gekomen. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte is in Nederland niet eerder in beeld geweest bij politie en justitie. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het witwassen van crimineel geld en onroerend goed. Het gaat om een aanzienlijk geldbedrag en een pand. Verdachte heeft door haar handelen eraan bijgedragen dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten, in dit geval georganiseerde hennepteelt, vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Daarnaast vormt het witwassen van crimineel geld een bedreiging van de legale economie en een aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer. Dit alles maakt het handelen van verdachte zeer kwalijk. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid willen nemen voor haar gedrag en duidelijk is dat zij tijdens het politieverhoor onwaarheden heeft verteld. De persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarin de rechtbank overigens nauwelijks inzicht heeft verkregen doordat verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, bieden naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen ruimte voor enige strafvermindering. Wel is het in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde recht van verdachte op behandeling van haar strafzaak binnen redelijke termijn geschonden. Uitgangspunt is dat een strafzaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, waaronder bijvoorbeeld de aard van een zaak. Zoals gezegd, maakt de strafzaak van verdachte onderdeel uit van het onderzoek ‘Babydraak’. Dit is een zeer omvangrijk en complex onderzoek, waarin via vele rechtshulpverzoeken uit diverse landen informatie moest worden verkregen, en waarin, na ontvangst van het omvangrijke procesdossier door de verdediging van diverse verdachten onderzoekswensen zijn gedaan en ook gehonoreerd. De rechter-commissaris heeft de verzochte getuigen gehoord in de periode van 19 augustus 2020 tot en met 1 december 2020, deels via een videoverbinding met het buitenland. Hoewel vanwege al deze omstandigheden de redelijke termijn op drie jaren is te stellen, is nog altijd sprake van een forse overschrijding met meerdere jaren, die op geen enkele wijze aan verdachte valt toe te rekenen. Zowel het Openbaar Ministerie als de rechtbank hebben onvoldoende voortvarendheid betracht. De rechtbank zal hiermee, evenals het Openbaar Ministerie heeft gedaan, in vergaande mate in strafverminderende zin rekening houden. De ernst van het bewezenverklaarde feit en de procesopstelling van verdachte rechtvaardigen op zichzelf zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. De rechtbank zal daarvan echter, gelet op het forse tijdsverloop, afzien en volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Gezien het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit, en nu verdachte niet opnieuw in beeld is gekomen bij justitie, zal de rechtbank de proeftijd stellen op twee jaren. De voorwaardelijke straf dient als zogenoemde ‘stok achter de deur’, om zoveel als mogelijk te waarborgen dat verdachte niet opnieuw strafbare feiten zal plegen. Daarnaast acht de rechtbank passend de oplegging van een geldboete van € 10.000,-, bij niet betalen te vervangen door 85 dagen hechtenis. De rechtbank is van oordeel dat hiermee de overschrijding van de redelijke termijn afdoende wordt gecompenseerd. 8De beoordeling van het beslag Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het pand aan de [adres 2] in Silvolde, inclusief erf/tuin, dient te worden verbeurd verklaard. De het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de teruggave te gelasten van het pand, gelet op de bepleite vrijspraak. De beoordeling door de rechtbank Op het pand rust blijkens de door het Openbaar Ministerie aangeleverde beslaglijst klassiek beslag. De rechtbank zal het pand, zijnde een voorwerp dat door middel van baten uit het strafbare feit is verkregen en met betrekking tot welke het strafbare feit is begaan, als bedoeld in artikel 33a, lid 1, sub a en b, Sr, verbeurd verklaren. Zoals de rechtbank hiervóór heeft overwogen behoort dit pand niet toe aan verdachte, maar (feitelijk) aan leden van de criminele organisatie. Zij waren bekend met de verkrijging van het pand door middel van het strafbare feit, zodat aan het vereiste voor verbeurdverklaring, ex artikel 33a, lid 2, sub a, Sr, wordt voldaan. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; legt op een geldboete van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen hechtenis. Ten aanzien van het beslag: verklaart verbeurd het pand aan de [adres 2] Silvolde, inclusief erf/tuin (beslaglijst: OG 7064AA 23 en OG 7064AA 23 erf/tuin). Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof enmr. M.J. Wasmann rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 mei 2025. Mrs. Keijzer en Van Aarssen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, districtsrecherche Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, nummer 201 9041 91217, (onderzoek ON32018014 Baby Draak) gesloten op 14 januari 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal Financieel Zaaksdossier, p. E12; proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] , p. 6-7; proces-verbaal van verhoor A.A. [naam 4] , p. C301-C302. Uittreksel Kadaster, p. A791 e.v. Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A2346; afrekening notaris, p. A2367-A2369; afschriften ING, p. A2370-A2371. Verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 17 juli 2020. Proces-verbaal van bevindingen akte van levering, p. A456; Uittreksel Kadaster, p. A457-A467, Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A2345; afrekening R&W notarisbureau, p. A2384-A2392. Uittreksel kadaster, p. A173. Afdruk derdengeldrekening notaris [bedrijf 2] , p. A246; mutatiestaat [bedrijf 2] , p. A254. Uittreksel kadaster, p. A181. Rechtshulpverzoek Armenië, bijlage 21. Rechtshulpverzoek Armenië, bijlage 24d. Proces-verbaal van bevindingen, p. A2901. Koopovereenkomst, p. A75 e.v. Betaalbevestiging, p. A88. Financieel overzicht notaris, p. A2398; afschriften ABN AMRO, p. A2399-A2401; aanvullend dossier RHV Armenië 1 van 3, p. 7-8. Rechtshulpverzoek Armenië, bijlage 20. Rechtshulpverzoek Armenië, p. 12. Rechtshulpverzoek Armenië p. 12-13 en bijlage 23a. Rechtshulpverzoek Armenië, p. 13. Print betaalbevestiging, p. A88; transactieoverzicht, rechtshulpverzoek Armenië, bijlage 22. Proces-verbaal van bevindingen Europees Onderzoeksbevel Frankrijk Ales (EOB-U-2020011439), p. 6. Proces-verbaal van bevindingen Europees Onderzoeksbevel Frankrijk Ales (EOB-U-2020011439), p. 4. Proces-verbaal van bevindingen Europees Onderzoeksbevel Frankrijk Ales (EOB-U-2020011439), p. 10, en bijlage 18a. Proces-verbaal van bevindingen Europees Onderzoeksbevel Frankrijk Ales (EOB-U-2020011439), p. 8. Proces-verbaal van bevindingen Europees Onderzoeksbevel Frankrijk Ales (EOB-U-2020011439), p. 7 en 9. Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A2437. Proces-verbaal van bevindingen, p. A3154. PDF pagina 10: Brf uit rb d d 2025-3-17 verzoek voegen overige stukken pdf_01609972. Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A1670. Proces-verbaal van verhoor [naam 12] , p. A542-A543. Proces-verbaal van bevindingen, p. 637; proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A2256 en A2263; proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A655. Proces-verbaal [naam 13] , p. A2150-A2152. Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, p. A1176. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. A1487. Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] , p. C68. Proces-verbaal Relaas van onderzoek, p. 43. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 14] , d.d. 19 augustus 2020.