← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:11642

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/840088-19 Datum uitspraak : 12 mei 2025 Tegenspraak (279 Sv) vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1953 in [geboorteplaats] (Sovjet-Unie), wonende: [adres 1] [woonplaats] (Armenië). Raadsvrouw: mr. R.M. Joppen, advocaat in Almere. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 maart 2013 tot en met1 januari 2024, te Zoetermeer en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of in Armenië, tezamen en in vereniging, althans alleen, (telkens) (van) - een geldbedrag van (in totaal) 27.943 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan de [adres 2] te Rotterdam) en/of - een geldbedrag van (in totaal) 5.800 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan de [adres 3] te Rotterdam) en/of - een geldbedrag van (in totaal) 27.500 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan de [adres 4] te Rotterdam) en/of - een geldbedrag van (in totaal) 103.582 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan de [adres 5] te Schiedam) en/of - een geldbedrag van 143.000 euro, althans een groot geldbedrag (zijnde de verkoopopbrengst van een pand/woning gelegen aan het [adres 5] te Schiedam) en/of - een geldbedrag van (in totaal) 163.646 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan de [adres 6] te Silvolde) en/of - een woning/pand gelegen aan de [adres 2] te Rotterdam, althans/aldus (van) een of meer (van die) voorwerpen - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(

  1. n)op dat /die voorwerp(
  2. en)was/waren en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(
  3. en)voorhanden had(den) (sub
  4. a)en/of - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of - gebruik heeft gemaakt (sub
  5. b)terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat/die voorwerp(
  6. en)– onmiddellijk of middellijk – geheel of gedeeltelijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Inleiding Deze strafzaak maakt deel uit van de vervolging van de verdachten uit het onderzoek ‘Babydraak'. Aanleiding voor dit onderzoek vormde een melding dat omwonenden vermoedden dat in het pand aan de [adres 6] in Silvolde een hennepkwekerij zou zitten. Er is vervolgens onderzoek gedaan naar de eigendom van dit pand en de personen die bij observaties gezien zijn bij dit pand. Van die personen, te weten [naam 1] (verder te noemen: [naam 1] ), [naam 2] (verder te noemen: [naam 2] ), [naam 3] (verder te noemen: [naam 3] ) en[naam 4] (verder te noemen: [naam 4] , in het procesdossier naar voren komend onder de achternaam - vóór echtscheiding- [naam 4] ) zijn vanaf 4 maart 2019 de telefoonnummers geïntercepteerd. In de tapgesprekken en verder onderzoek kwamen andere panden in beeld, waarin voornoemde personen zich mogelijk bezig hielden met de teelt van hennep. Binnen het onderzoek ‘Babydraak’ wordt aan ieder van de voornoemde personen, alsook aan [naam 5] (verder te noemen: [naam 5] ), een (in meer of mindere mate centrale) rol toegedicht binnen een criminele organisatie. Deze organisatie zou zich, kort weergegeven, jarenlang bezig hebben gehouden met het telen van grote hoeveelheden hennep in meerdere hennepkwekerijen, waarbij de ten behoeve van de teelt benodigde stroom illegaal werd afgenomen. De opbrengst van de verkoop van de geteelde hennep zou vervolgens zijn witgewassen door deze aan te wenden voor de aankoop van panden op diverse locaties in Nederland. Er werden geen hypothecaire leningen afgesloten en de koopprijs werd betaald vanuit het buitenland via bankrekeningen op naam van verschillende personen, en ook deels contant bij de betrokken notaris. De panden in kwestie werden op naam gezet van familieleden van leden van de criminele organisatie, niet zijnde, zo is de verdenking, de (feitelijk) rechthebbenden op de panden. Het gaat dan om [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Direct na de aankoop vond geen inschrijving plaats in de Basis Registratie Personen (BRP) en was ook niet direct sprake van feitelijke bewoning. Wel werden hennepkwekerijen aangelegd in een aantal panden. Wat betreft de onderlinge (familie)relaties staat het volgende niet ter discussie: [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn de ouders van [naam 5] . [medeverdachte 1] is getrouwd met [naam 6] (ook wel: [naam 6] ). [naam 6] is de broer van [medeverdachte 2] . Daarmee is [medeverdachte 1] een tante van [naam 5] . [naam 5] heeft vanaf 2011 tot eind 2016 een relatie gehad met [naam 1] en met hem samengewoond. Uit hun relatie is een dochter geboren. Sinds 2015 is [naam 1] bevriend met [naam 4] en vanaf 2017 tot na de ten laste gelegde einddatum 23 juli 2019 hebben zij (met onderbrekingen) een relatie gehad. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn de ouders van [naam 2] . [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] worden allen vervolgd voor (onder meer) deelname aan een criminele organisatie die (onder meer) het medeplegen van gewoontewitwassen ten aanzien onroerend goed als oogmerk had. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] worden vervolgd voor het medeplegen van witwassen ten aanzien een of meerdere panden en de/het voor de aankoop van dat/die pand(
  7. en)overgemaakte geldbedrag(en). In die zin wordt hen binnen onderzoek ‘Babydraak’ wel een rol toegedicht binnen een criminele organisatie, maar zij worden niet vervolgd voor deelname daaraan. Standpunten ten aanzien van het ten laste gelegde feit Het Openbaar Ministerie Bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde medeplegen van witwassen ten aanzien van de panden aan de [adres 2] in Rotterdam, de [adres 3] in Rotterdam, de [adres 4] in Rotterdam, het [adres 5] in Schiedam en de [adres 6] in Silvolde. De verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van de vraag of sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor zover daarvan sprake is, dan geldt, samengevat, het volgende. [verdachte] en [medeverdachte 2] , alsook hun dochter [naam 5] , hebben een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring hebben gegeven over de herkomst van de ten laste gelegde geldbedragen. De gedane betalingen zijn afkomstig uit eigen vermogen, zoals blijkt uit de overgelegde stukken. Hierop heeft het Openbaar Ministerie nader onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het Armeniëdossier. Met de toelichting die hierop is gegeven, is duidelijk dat sprake is van een legale herkomst van de gelden. Het bestanddeel ‘van enig misdrijf afkomstig’ kan niet bewezen worden. Mocht dat anders zijn, dan geldt dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet of van een situatie waarin [verdachte] redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de ten laste gelegde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. [verdachte] dient daarom integraal te worden vrijgesproken. De beoordeling door de rechtbank Juridisch kader Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat het ten laste gelegde voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. Binnen dit kader dient de rechtbank te beoordelen of [verdachte] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het pand aan de [adres 2] in Rotterdam en aan het witwassen van de ten behoeve van de aankoop van dit pand en de panden aan de [adres 3] in Rotterdam, [adres 4] in Rotterdam, [adres 5] in Schiedam en de [adres 6] betaalde geldbedragen. De rechtbank zal hierna, om te beoordelen of de betalingen die zijn gedaan ten behoeve van de aankoop van de voornoemde panden een criminele herkomst hebben, eerst ingaan op de herkomst van de gelden waarmee de panden zijn aangekocht. Daarna zal de rechtbank beoordelen of de feiten en omstandigheden ten aanzien van de betalingen van deze panden en de herkomst van de gelden een gerechtvaardigd vermoeden opleveren dat deze gelden van enig misdrijf afkomstig zijn. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de verklaringen die [verdachte] en de andere betrokken verdachten over de herkomst van de gelden hebben afgelegd en beoordelen of deze concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de witwashandelingen van de verschillende (andere) verdachten ten aanzien van het pand aan de [adres 2] . Aan de orde komen eerst de panden aan de [adres 2] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] , en daarna het pand aan de [adres 3] , dat is aangekocht op naam van [medeverdachte 4] , in welk verband ook de op naam van [medeverdachte 3] aangekochte panden aan de [adres 7] en [adres 8] besproken zullen worden, dit gelet op de verwevenheid van de financiële situatie van beiden en de verklaring van [medeverdachte 3] dat hij zijn vrouw (naar de rechtbank begrijpt: financieel) heeft geholpen bij de aankoop van het pand aan de [adres 3] . Criminele herkomst Betalingen ten behoeve van de door de familie [naam 5] aangekochte panden De rechtbank neemt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, als vaststaand aan. [adres 2] Het pand gelegen aan de [adres 2] in Rotterdam is op 11 maart 2013 geleverd aan [verdachte] . In totaal is € 51.993,31 betaald aan de notaris. De betalingen gingen als volgt. Op 5 maart 2013 is er € 6.000,- betaald van rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van [naam 7] . Op 5 maart 2013 is er € 8.000,- betaald van rekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van [naam 8] . Op 6 maart 2013 is er € 27.943,- betaald vanuit Armenië van rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van [verdachte] . Het resterende bedrag van € 10.050,31 is contant betaald. [naam 8] en [naam 7] zijn familie van [naam 5] , zij zijn broers van elkaar en zijn de zonen van de oom van [naam 5] . [adres 4] Dit pand is op 30 juli 2015 door [naam 5] aangekocht voor € 100.000,-. De betaling van de totale aankoopprijs van € 103.231,- aan de notaris is als volgt gedaan. Op 2 juli 2015 is er een betaling van € 26.500,- gedaan op naam van [medeverdachte 2] . Op 2 juli 2015 is er een betaling van € 27.500,- gedaan op naam van [verdachte] . Op 14 juli 2015 is er € 10.000,- betaald van rekeningnummer [rekeningnummer 4] op naam van [naam 5] . Op 23 juli 2015 is er een betaling van € 27.797,- gedaan op naam van [medeverdachte 2] . Op 30 juli 2015 is het resterende bedrag van € 11.434,28 contant betaald bij de notaris. [adres 5] en [adres 6] Herkomst gelden aankoop [adres 5] Het pand aan het [adres 5] is op 8 maart 2016 gekocht door [medeverdachte 2] voor € 115.000,-. De betaling van het aankoopbedrag aan de notaris is als volgt gegaan. - Op 12 februari 2016 is een betaling van € 9.000,- gedaan door [naam 8] en een betaling van € 6.000,- door [naam 6] . - Op 29 februari 2016 is een betaling van € 103.583,- gedaan op naam van [verdachte] . Geldstroom verkoopopbrengst [adres 5] en aankoop [adres 6] Op 6 december 2017 is het pand aan het [adres 5] verkocht. De opbrengst van de verkoop (€ 143.673,25) is overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 5] op naam van [medeverdachte 2] , op 8 december 2017. Op 11 december 2017 wordt dit bedrag vervolgens overgemaakt naar een rekening van [verdachte] . Die heeft het bedrag op een spaarrekening gezet. Op 25 mei 2018 heeft hij € 143.600,- opgenomen en een bedrag van €163.000,- overgemaakt naar een Armeense bankrekening van [medeverdachte 1] . Vervolgens heeft [medeverdachte 1] op 25 mei 2018 ongeveer € 196.000,- overgemaakt naar notaris [naam 9] , met omschrijving “payment according to the contract, Zaaknummer 34848, 11 May 2018 for buying real estate Aankoop [adres 6] Te Silvolde”. [medeverdachte 1] heeft op 26 april 2018 het pand aan de [adres 6] gekocht. De rechtbank concludeert hieruit dat de opbrengst van de verkoop van het pand aan het [adres 5] is gebruikt voor de aankoop van het pand aan de [adres 6] in Silvolde. In totaal is voor het pand aan de [adres 6] een bedrag van € 216.836,63 betaald. Naast het hiervóór genoemde bedrag van € 196.000,- heeft [medeverdachte 1] op 22 mei 2018 een betaling van € 20.500,- gedaan. Totale uitgaven [verdachte] en [medeverdachte 2] Wanneer uit de bovenstaande gegevens met betrekking tot de betaling van de panden, alle bedragen die door [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn betaald worden opgeteld, blijkt dat zij in totaal € 37.993,- + € 27.500,-+ € 11.434,- + € 103.582,22 = € 196.336,63 + 54.297,- + € 45.503,61 = € 476.646,46 hebben betaald. Zoals hierna ten aanzien van het pand aan de [adres 3] nog zal worden vastgesteld, hebben beiden ook nog € 5.800,- en € 18.000,- meebetaald aan het pand [adres 3] . Dit brengt het totaal aan uitgaven voor panden van [verdachte] en [medeverdachte 2] op een bedrag van € 500.446,46. Na aftrek van de opbrengst van de verkoop van het pand aan het [adres 5] komt het uitgegeven bedrag op € 356.773,21. Onderzoek naar de bankrekeningen in het buitenland en de financiële positie Het Openbaar Ministerie heeft, onder andere door middel van rechtshulpverzoeken, onderzoek gedaan naar de herkomst van de gelden op de bankrekeningen in het buitenland en naar de financiële positie van de betrokkenen. Daaruit is het volgende naar voren gekomen. [verdachte] Uit de uitgeleverde informatie uit Armenïe blijkt onder meer dat [verdachte] een Armeense bankrekening had met nummer [rekeningnummer 6] . Op deze rekening zijn op de dag waarop de betaling van € 103.582,22 voor de aankoop van het pand aan het [adres 5] is gedaan, twee bedragen ontvangen. De eerste betreft een bedrag van € 33.868,- met als omschrijving “contante bijschrijving”. De tweede betreft een bedrag van € 69.715,- met de omschrijving “contante afschrijving”. Gelet op die omschrijvingen gaat de rechtbank ervan uit dat dit contante stortingen betreffen. Verder blijkt uit het overzicht van de mutaties van deze bankrekening van [verdachte] dat daarop in 2015 in totaal € 57.500,- contant is gestort, in 2016 € 89.733,- en in 2017 € 20.000,-. Voor de betalingen die zijn gedaan door [verdachte] en [medeverdachte 2] voor de [adres 4] en het [adres 5] zijn geen tegenrekeningen gevonden. Het zijn transacties die met een ID bewijs zijn gedaan, op zogenoemde paspoortrekeningen (zoals hiervóór ten aanzien van het Cluster panden familie [medeverdachte 3] ook aan de orde is gekomen). De herkomst van deze gelden kan daarom niet worden vastgesteld. Tot slot blijkt uit de uitgeleverde informatie uit Armenië van de rekening [rekeningnummer 19] op naam van [verdachte] dat hij tussen december 2016 en december 2017 maandelijks een bedrag van omgerekend € 62,92 aan uitkering heeft ontvangen. Dit is de enige vast inkomstenbron die is te zien in de uitgeleverde stukken. [medeverdachte 2] Uit de uitgeleverde stukken uit Armenië is een aantal bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2] naar voren gekomen. Op een van deze bankrekeningen ontving zij in de jaren 2013 tot en met 2017 een uitkering van enkele tientallen euro’s. Op een andere rekening ontving zij in 2015 ook een uitkering van € 51,38. [medeverdachte 1] en [naam 6] Ten aanzien van de bankrekening van [medeverdachte 1] , waarvan de betaling voor de [adres 6] is gedaan, is uit informatie uit Frankrijk het volgende gebleken. In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2018 vinden op deze bankrekening acht transacties plaats die betrekking hebben op de aankoop van het pand. Op 22 mei 2018 een bijschrijving van € 20.500,- van rekening [rekeningnummer 7] op naam van [medeverdachte 2] . Op 22 mei 2018 een afschrijving van € 20.500,- naar de rekening van notaris [naam 9] , met omschrijving ‘Payment according to the contract Zaaknummer 34878, 11 may 2018 for buyng real estate aankoop [adres 6] te Silvolde’. Op 25 mei 2018 een bijschrijving van € 25.003,61 van rekening [rekeningnummer 7] op naam van [medeverdachte 2] . Op 25 mei 2018 een bijschrijving van € 163.646,35 van rekening [rekeningnummer 6] op naam van [verdachte] . Op 25 mei 2018 een bijschrijving van € 7,716,67 van rekening [rekeningnummer 8] op naam van [medeverdachte 1] . Op 25 mei 2018 een: afschrijving van € 196.336,63 naar de rekening van notaris [naam 9] , met omschrijving ‘Payment according to the contract Zaaknummer 34878, 11 may 2018 for buyng real estate aankoop [adres 6] te Silvolde’. Uit de informatie die uit Frankrijk is gekomen blijkt dat de (Franse) inkomens- en vermogenspositie van [medeverdachte 1] en haar man [naam 6] niet in verhouding staat tot het bedrag dat is betaald voor de aankoop van het pand aan de [adres 6] . Uit de aangeleverde gegevens blijken de volgende gezamenlijke fiscale inkomsten per belastingjaar: 2013 € 8.686 2014 € 0 2015 € 7.356 2016 € 5.799 2017 € 0 2018 € 15.188 [naam 7] en [naam 8] Op de genoemde rekening van [naam 7] stond op 1 oktober 2012 € 44,85. Op 28 november 2012, 22 februari 2013 en 4 maart 2013 werd er drie keer een contant bedrag op de rekening gestort, voor in totaal € 7.000,-. De herkomst van de gelden en de betalingen van [naam 8] zijn niet te onderzoeken. De fiscale jaarinkomens van [naam 7] en [naam 8] waren in 2013 respectievelijk € 11.281,- en € 13.838,-. [naam 5] heeft, zoals hiervóór genoemd, op 14 juli 2015 een betaling van € 10.000,- gedaan voor de aankoop van het pand aan de [adres 4] . Vier dagen voor deze betaling, wordt door [naam 10] een bedrag van € 9.888,- door middel van een wereldbetaling gestort op de rekening van [naam 5] . Deze [naam 10] is op 23 juli 2019 aangehouden in het pand aan de [adres 6] toen daar een hennepkwekerij is aangetroffen. Tussenconclusie: gerechtvaardigd vermoeden van criminele herkomst Gelet op de volgende feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen blijken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gerechtvaardigd vermoeden dat de geldbedragen waarmee de drie panden aan de [adres 2] , [adres 4] en [adres 5] zijn aangekocht afkomstig zijn van enig misdrijf: het aankoopbedrag per pand wordt door middel van verschillende overboekingen voldaan door verschillende personen, deels wonend in het buitenland en vanaf buitenlandse tenaamgestelde rekeningen of zogenaamde paspoortrekeningen en deze betalingen worden soms vooraf gegaan door contante stortingen; de personen die de betalingen doen, hebben geen binding met Nederland en zijn allemaal familie van [naam 5] ; (het legale) vermogen van de personen die de betalingen doen vormt op geen enkele manier een verklaring voor de uitgaven die zij voor de aankoop van de verschillende panden hebben gedaan. Omdat het pand aan de [adres 6] bijna volledig is gefinancierd met de verkoopopbrengst van het pand aan het [adres 5] , geldt ook voor dat pand dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat het is aangekocht met geld afkomstig van enig misdrijf. Van [verdachte] en de andere betrokken verdachten mag daarom worden verwacht dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geven over de legale herkomst van het geld waarmee de panden zijn aangekocht. Verklaringen van de verdachten over de herkomst van de gelden waarmee de panden zijn aangekocht [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben geen verklaring afgelegd. [medeverdachte 1] heeft bij Franse politie verklaard geen beroep en geen enkele vorm van inkomen te hebben. Haar man is kruidenier en verdient € 1000,- per maand. Over de aankoop van het pand aan de [adres 6] heeft zij verklaard dat zij op het pand was gewezen door een Marokkaanse vriend, [naam 11] , die zij op het strand in Frankrijk had ontmoet. Zij weet niet meer hoe het dorp heet waar ze het pand gekocht heeft. Daarbij legde zij een kopie van een paspoort van deze [naam 11] over. Deze kopie is door de Koninklijke Marechaussee onderzocht en vals bevonden. Zij heeft verder verklaard dat ze het pand heeft betaald met geld dat zij van haar zwager heeft geleend. Haar zwager heeft haar het geld in Armenië contant gegeven en zij heeft dat bedrag rechtstreeks aan de notaris betaald. [naam 5] heeft over haar inkomen verklaard dat zij niet werkt en dat haar maandelijkse inkomsten bestaan uit € 350.- kinderbijslag, € 100,- zorgtoeslag en € 221,- kindgebonden budget. Verder kreeg ze maandelijks € 300,- à € 350,- contant van haar vader. Over het pand aan de [adres 4] heeft zij verklaard dat haar vader dit voor haar heeft betaald. Ook het contante bedrag dat bij de notaris is betaald, was geld van haar vader. Hij is een ingenieur mechaniek en heeft zijn hele leven hard gewerkt, waardoor hij dit huis voor haar kon kopen. Over het pand aan de [adres 2] heeft [naam 5] verklaard dat dit van haar vader is. De betalingen door [naam 7] en [naam 8] zijn gedaan omdat zij geld schuldig waren aan haar. Zij hebben zo hun schuld afbetaald. Tot slot heeft zij verklaard dat haar vader alle huizen die hij in Nederland heeft gekocht kon betalen met geld dat hij zelf heeft verdiend. Over het pand aan het [adres 5] heeft zij verklaard dat dit van haar moeder is en dat het de bedoeling was om te investeren. [naam 1] heeft bij de politie verklaard dat hij niets met de panden aan de [adres 2] en het [adres 5] te maken heeft. Over de [adres 6] heeft hij verklaard dat hij tussenpersoon was bij de aankoop omdat hij de Nederlandse taal spreekt. Met de betalingen heeft hij niets te maken. [naam 3] en [naam 2] hebben zich bij de politie ten aanzien van de panden in kwestie op hun zwijgrecht beroepen. Overgelegde stukken Kort voor de inhoudelijke behandeling zijn namens [verdachte] en [medeverdachte 2] stukken ingebracht ter verklaring van hun uitgaven. Samengevat komen de gegeven verklaringen er op neer dat zij geld hebben gespaard van [verdachte] ’s baan als bouwprojector en met beleggingen en valutahandel. Verder is een aantal documenten ingediend over banksaldi, beleggingen en bankafschriften. Daarbij zit een document waarop bij de betaling van het bedrag van € 27.943,- voor de aankoop van het pand aan de [adres 2] het vakje “betaling contant” is aangekruist. Ook zitten er verklaringen bij van [verdachte] , [medeverdachte 2] , [naam 7] en [naam 8] . Deze verklaringen zijn allemaal opgemaakt in het Nederlands. Namens [medeverdachte 1] is een schriftelijke verklaring in het Nederlands ingediend. Deze is ook in de strafzaak van [verdachte] gevoegd. Daarin blijft zij bij haar verklaring dat zij geld heeft geleend van haar zwager. Alleen verklaart ze nu dat het geld op een andere manier bij de notaris terecht is gekomen en dat het deel dat door [medeverdachte 2] en [verdachte] is betaald, door haar zwager bij hen is geleend. Daarbij is ook een schriftelijke verklaring in het Nederlands van de zwager, [naam 12] , overgelegd. Beoordeling verklaringen door de rechtbank De rechtbank stelt bij de beoordeling van de voornoemde verklaringen het volgende voorop. Ten eerste is een groot deel van de onderbouwing van de herkomst van de gelden pas één of enkele dagen voor de inhoudelijke behandeling ingediend. Dit terwijl er al sinds 2019 beslag ligt op de betreffende panden, een deel van de verdachten in 2019 in voorlopige hechtenis heeft gezeten en het grotendeels gaat om stukken die al lang bij de verdachten in bezit of opvraagbaar moeten zijn geweest. Dit late tijdstip van indienen van stukken weegt mee in de beoordeling van de verklaring die door de verdachten is gegeven. Ten tweede zijn er meerdere verklaringen ingediend die in het Nederlands zijn opgesteld, terwijl degenen van wie de verklaringen zijn de Nederlandse taal niet machtig zijn. Het is niet duidelijk geworden hoe deze verklaringen tot stand zijn gekomen. Deze omstandigheden, tezamen met het gegeven dat in onderzoek ‘Babydraak’ een veelheid aan valse stukken is aangetroffen, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat uiterst behoedzaam met deze verklaringen moet worden omgegaan. Als vervolgens wordt gekeken naar de inhoud van de stukken die zijn overgelegd, kan de onderbouwing die namens [verdachte] en [medeverdachte 2] is ingediend op geen enkele manier de uitgaven van ruim € 356.000,- die zij voor de aankoop van de panden hebben gedaan verklaren. De inkomsten die [verdachte] stelt te hebben gehad, de overgelegde stukken met daarop banksaldi, en het gegeven dat zij in al die jaren ook financiële middelen nodig hadden om van te leven, verklaren bij lange na niet deze enorme uitgaven aan onroerend goed in Nederland. Daar komt nog bij dat in de onderbouwing geen verklaring is gegeven voor de herkomst van de gelden die via de zogenoemde paspoortrekeningen zijn overgemaakt. Evenmin wordt duidelijk wat de herkomst is van de contante stortingen die op de rekening van [verdachte] zijn gedaan. De rechtbank concludeert dat de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] niet geloofwaardig zijn. Ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 1] , overweegt de rechtbank het volgende. Nog los van hetgeen hiervoor is overwogen over de behoedzaamheid die moet worden betracht bij de beoordeling van de echtheid van de verklaringen, is de investering die door de zwager van [medeverdachte 1] zou zijn gedaan op geen enkele manier onderbouwd. Niet onderbouwd is hoe hij aan een dergelijk bedrag komt. Daar komt bij dat de verklaringen van [medeverdachte 1] over de wijze waarop het bedrag van deze lening bij de notaris terecht is gekomen wisselend is. De rechtbank acht de verklaringen van [medeverdachte 1] daarom volstrekt ongeloofwaardig. De verklaring van [naam 5] over de herkomst van de gelden die haar ouders hebben betaald, is in het licht van het voorgaande eveneens niet geloofwaardig. Tot slot stelt de rechtbank vast dat door de overige verdachten, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] helemaal geen verklaring is gegeven over de herkomst van de gelden. Zij stellen helemaal niks met de betaling van de panden van doen te hebben gehad. Conclusie ten aanzien van criminele herkomst Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat het geld dat is aangewend voor de aankoop van de vier panden afkomstig is van enig misdrijf en (mede gelet op de wijze van financieren van de panden) dat [verdachte] dit wist. Ten aanzien van het op naam van [medeverdachte 4] aangekochte pand aan de [adres 3] De rechtbank neemt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, als vaststaand aan. [adres 7] in Rotterdam Het pand gelegen aan de [adres 7] is op 18 maart 2013 geleverd aan [medeverdachte 3] . Hij was bij de levering van het pand bij de notaris aanwezig. De koopprijs bedroeg € 46.000,- (exclusief kosten koper). Volgens de nota van afrekening diende in totaal een bedrag van € 48.234,28 betaald te worden. Dit bedrag is als volgt voldaan. Op 8 en 14 maart 2013 zijn bedragen voldaan van respectievelijk € 4.600,- en€ 6.000,- via een Franse bankrekening met nummer [rekeningnummer 9] ten name van [medeverdachte 3] . Op 14 maart 2013 is een bedrag van € 7.634,28 voldaan via een Franse bankrekening met nummer [rekeningnummer 10] ten name van [medeverdachte 3] . Op 14 maart 2013 is een bedrag van € 10.000,- voldaan via een Franse bankrekening met nummer [rekeningnummer 11] te name van [naam 2] [medeverdachte 3] . Op 14 maart 2013 is een bedrag van € 10.000,- voldaan via een Franse bankrekening met nummer [rekeningnummer 12] ten name van [naam 13] . - Het restantbedrag van € 10.000 is op 18 maart 2013 contant voldaan bij de notaris. Aan de betalingen die afkomstig waren van de Franse bankrekeningen gingen telkens contante stortingen vooraf. Dat betekent dat de geldbedragen waarmee [medeverdachte 3] het pand aan de [adres 7] te Rotterdam heeft aangekocht direct dan wel indirect afkomstig zijn uit contante stortingen. Hogebanweg 104D Rotterdam Het pand aan de Hogebanweg 104D is op 11 december 2014 geleverd aan [medeverdachte 4] . Inclusief kosten is voor het pand een bedrag van € 60.549,72 betaald. Dit bedrag is als volgt aan de notaris voldaan. Op 4 november 2014 is een bedrag € 5.800,- voldaan via een Armeense bankrekening met nummer [rekeningnummer 13] met omschrijving [verdachte] . Op 13 november 2014 is een bedrag van € 18.000,- voldaan via een Armeense bankrekening met nummer [rekeningnummer 14] met omschrijving [medeverdachte 2] . Op 13 november 2014 is een bedrag van € 18.000,- voldaan via een Armeense bankrekening met nummer [rekeningnummer 15] met omschrijving [medeverdachte 4] . Op 9 december 2014 is een bedrag van € 8.744,13 contant voldaan, welke betaling door de notaris in het kasblad is geregistreerd onder de naam van [medeverdachte 4] . Op 27 november 2014 is een bedrag van € 10.000,- voldaan via de Franse bankrekening [rekeningnummer 12] ten name van [naam 13] . Voorafgaand aan de overboeking, op 25 november 2014, werd in drie stortingen, in totaal € 10.000,- contant gestort op diens rekening. Naar de rechtbank begrijpt zijn de Armeense bankrekeningen zogenaamde paspoortrekeningen, die zijn gekoppeld aan het paspoortnummer van degene die de transactie doet. Daarbij geldt: - het paspoort met nummer [nummer 1] staat op naam van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ); - het paspoort met nummer [nummer 2] staat op naam van [medeverdachte 4]. Nu de rekening met nummer [rekeningnummer 14] een gelijksoortig nummer betreft en bij de overboeking de naam van [medeverdachte 2] staat vermeld, gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 2] een paspoort had/heeft met nummer [nummer 3] . [adres 8] Zoetermeer Het pand gelegen aan de [adres 8] is op 10 februari 2017 gekocht door [medeverdachte 3] . Het aankoopbedrag van € 113.482,72 (inclusief kosten) is als volgt aan de notaris voldaan. Op 18 januari 2017 is een bedrag van € 30.000,- voldaan via een onbekende bankrekening en met het transactienummer TG1801003677925 en de omschrijving “ [naam 14] [adres 9] Zoetermeer”. Op 24, 25 en 27 januari 2017 zijn bedragen van respectievelijk € 11.000,-, € 9.000,- en € 20.000,- (in totaal € 40.000,-) voldaan via telkens dezelfde Franse bankrekening met nummer [rekeningnummer 16] ten name van [medeverdachte 3] en met telkens de omschrijving "achat appartement [naam 2] [medeverdachte 3] ". Op 31 januari 2017 is een bedrag van € 8.000,- voldaan met het transactienummer ER3101003120562 en de omschrijving “ [medeverdachte 3] pour obtenir un appartement". Uit de nadere gegevens van de ABN AMRO bij dit transactienummer blijkt dat deze transactie afkomstig is van de Franse bankrekening met nummer [rekeningnummer 17] ten name van“ [medeverdachte 3] ” wonende aan de [adres 10] , [postcode] te [plaats] . Dit is het woonadres van [medeverdachte 3] . Op 2 februari 2017 is een bedrag € 7.000,- voldaan via een onbekende bankrekening en met het transactienummer ER0202003120795 en de omschrijving " [medeverdachte 3] ". Op 8 februari 2017 is een bedrag van € 25.000,- voldaan via een Franse bankrekening met nummer [rekeningnummer 11] ten name van [naam 2] [medeverdachte 3] en met de omschrijving “Achat immobilier”. - Op 10 februari 2017 is een bedrag van € 2.500,- contant voldaan. Van het restant bedrag van € 982,72 is niet duidelijk hoe het is betaald. Ten aanzien van de betalingen op 24 en 25 januari 2017 (samen een bedrag van € 20.000,-) vanaf de Franse bankrekening op naam van [medeverdachte 3] geldt dat daaraan vooraf zijn gegaan contante stortingen en overschrijvingen op die bankrekening tussen 30 september 2016 en 23 januari 2017, te weten: € 3.606,88 aan pensioeninkomsten; € 9.400,- aan contante stortingen; € 10.000,- betreffende een bijschrijving op 5 december 2016 met als omschrijving “RAP COMMERCIAL VIR DE 10 000,00EUR FIN AD”. De herkomst van dit geldbedrag is onbekend. Aan de betaling € 20.000,- op 27 januari 2017 is voorafgegaan een bijschrijving van€ 21.022,50, zijnde de opbrengst van de verkoop van in 2016 voor een bedrag van€ 21.007,50 aangekochte aandelen. De Franse bankrekening op naam van [naam 2] met nummer [rekeningnummer 18] had op 1 januari 2016 een saldo van € 408,06. Op 1 januari 2017 is dat saldo aangegroeid tot € 25.806,42, door de volgende bijschrijvingen: € 14.000,- aan contante stortingen. € 9.000,- van [naam 10] . € 9.800,- van [medeverdachte 3] . Tussen 1 januari 2017 en 8 februari 2017, de datum waarop het bedrag van € 25.000,- wordt voldaan, vinden geen andere bijschrijvingen plaats. Onderzoek naar de bankrekeningen in het buitenland en de financiële positie Het Openbaar Ministerie heeft, onder andere door middel van rechtshulpverzoeken, onderzoek gedaan naar de herkomst van de gelden op de bankrekeningen in het buitenland en naar de financiële positie van de betrokkenen. Daaruit is het volgende naar voren gekomen. [naam 2] Uit informatie uit Frankrijk is gebleken dat [naam 2] in 2013 en 2014 getrouwd is geweest. Alleen zijn echtgenote heeft inkomsten gehad in de jaren 2013 en 2014 (respectievelijk € 6.912,- en € 11.962,-). Uit de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2013 en 2014 blijkt dat geen inkomen genoten is door [naam 2] . De aangifte over het jaar 2015 is niet ingediend. In de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2016 tot en met 2018 worden geen inkomsten gemeld. heeft op 27 augustus 2017 verklaard dat hij in Frankrijk een uitkering ontvangt van € 750,- per maand. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] Uit informatie uit Frankrijk is gebleken dat [medeverdachte 3] sinds maart 2013 een ouderdomspensioen ontving. Zijn jaarlijkse inkomsten tussen 2013 en 2020 komen nooit boven de € 12.000,-. [medeverdachte 4] had geen inkomsten. [medeverdachte 3] heeft in het eerste politieverhoor op 22 oktober 2019 verklaard dat hij€ 1400,- per maand aan pensioen ontvangt, samen met [medeverdachte 4] . Hij zou daarnaast nog5700 dollar per jaar verdienen aan inkomsten uit de verhuur van grond en twee appartementen in Armenië. De hierna weergegeven verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] komen er, wat betreft de door anderen (dan zijzelf) gedane betalingen, (in de kern) op neer dat dit terugbetalingen zijn van door hen eerder gegeven dan wel uitgeleende bedragen aan [naam 2] , [naam 14] , [naam 13] , [verdachte] en [medeverdachte 2] . De betalingen door [naam 13] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zouden geregeld zijn door [naam 2] (zo begrijpt de rechtbank althans de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 4] ) om zo ‘de schuldkwestie’ op te lossen’. Waar het gaat om door anderen gedane betalingen (en naar de rechtbank aanneemt ook waar het gaat om de contant aan de notaris betaalde bedragen) gaat het dus om geld dat van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] is. Dat betekent dat beiden in de periode van 2013 tot en met 2017 een bedrag van € 222.266,72,- hebben uitgegeven aan panden. Daarbij dient nog te worden opgeteld een bedrag van € 68.480,-, zijnde een betaling die vanaf een bankrekening op naam van [medeverdachte 4] is gedaan ten behoeve van de aankoop van een op 1 maart 2017 aangekocht pand (op haar naam) aan de [adres 11] in Zoetermeer (en die overigens vermoedelijk vooraf is gegaan door een contante storting op diezelfde bankrekening). Tevens dient daarbij nog te worden opgeteld een bedrag van € 49.000,-, zijnde het totaal van twee door [medeverdachte 3] gedane betalingen ten behoeve van een op 4 januari 2016 aangekocht pand aan [adres 12] , op naam van [naam 15] , zijnde de ex-schoonmoeder van [naam 2] (en die overigens vooraf zijn gegaan door diverse contante stortingen). Daarmee komt het aan panden bestede totaalbedrag op € 339.746,72. Tussenconclusie: gerechtvaardigd vermoeden van criminele herkomst Gelet op de volgende feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen blijken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gerechtvaardigd vermoeden dat de geldbedragen waarmee de drie panden zijn aangekocht van enig misdrijf afkomstig zijn: - er worden overboekingen door verschillende personen gedaan, deels wonend in het buitenland en vanaf buitenlandse bankrekeningen die voorafgaande aan de overboekingen worden gevoed door contante stortingen; - er zijn betalingen van substantiële bedragen gedaan door personen die [medeverdachte 3] , de (beweerdelijke) eigenaar van twee van de panden, zegt niet te kennen (zoals uit zijn hierna weergegeven verklaring volgt); - het legale vermogen van de personen die de betalingen doen, vormt op geen enkele manier een verklaring voor de uitgaven die zij aan de verschillende panden hebben gedaan. Van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en de andere betrokken verdachten mag daarom worden verwacht dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geven over de legale herkomst van het geld waarmee de panden zijn aangekocht. Verklaringen van de verdachten over de herkomst van de gelden waarmee de panden zijn aangekocht [medeverdachte 3] heeft tijdens het politieverhoor als volgt verklaard. Hij is in 1996 een bedrijf gestart in het renoveren en verkopen van woonhuizen. Begin 2004 is hij hiermee gestopt. Hij heeft van 2013 tot 2014 hulp gehad van zijn broer, omdat hij dacht dat het wel verstandig was om onroerend goed aan te schaffen. [medeverdachte 3] heeft de panden aan de [adres 7] en [adres 8] gekocht, en hij heeft ook zijn vrouw, [medeverdachte 4] , geholpen met het kopen van het appartement aan de [adres 3] . Zijn broer heeft hem geld gegeven, het was meer een schenking. Vanaf begin 2013 tot eind 2014 heeft zijn broer, [naam 16] , hem € 114.000,- geschonken. Ten aanzien van het pand aan de [adres 7] : De broer van [medeverdachte 3] heeft hem geholpen. Het aankoopbedrag was volledig van zijn broer afkomstig. Hij weet niet wie [naam 13] is en hij kan niets zeggen over de betaling die [naam 13] heeft gedaan. De broer van [medeverdachte 3] heeft het aankoopbedrag van € 46.000,- eerst aan hem gegeven. Hij weet niet hoeveel hij heeft overgemaakt naar de notaris. Op de vraag of er nog meer mensen hebben meebetaald aan dit pand, antwoordt [medeverdachte 3] : mijn broer. [medeverdachte 3] is vergeten dat [naam 2] een bedrag van € 10.000,- heeft betaald. [naam 2] verdiende heel goed, € 4.000,- of € 5.000,- per maand, als vrachtwagenchauffeur in [plaats] . [medeverdachte 3] weet niet waarom hij een deel van de aankoopsom heeft betaald. Hij kan zich niet herinneren dat een bedrag van € 10.000,- contant is betaald aan de notaris. Het is allemaal geld van zijn broer. Hij weet helemaal niks van bedragen van [naam 2] . Ten aanzien van het pand aan de [adres 8] Hij had al gezegd dat hij in 2013 tot 2014 ‘114.000’ van zijn broer had gekregen. Hij heeft zijn huizen en techniek verkocht, dus hij had wel geld. Hij wil niet zeggen of hij het complete bedrag zelf heeft overgemaakt aan de notaris en of anderen een rol hebben gespeeld bij de aankoop van het pand. [naam 14] is zijn nicht. Hij weet niet dat [naam 2] een bedrag van € 25.000,- heeft voldaan. Het geld dat [naam 14] en [naam 2] hebben overgemaakt was van hem. Hij had ook geld in Armenië en [naam 14] en [naam 2] waren daar toen en hebben het overgemaakt. Op de vraag hoe het dan kan dat geldbedragen zijn overgemaakt vanaf bankrekeningen op hun naam, antwoordt [medeverdachte 3] dat hij het geld aan hun had gegeven, dat zij dat op hun eigen rekening zetten en het dan overmaken als [medeverdachte 3] het nodig heeft. Hij had zo’n groot bedrag aan contant geld, omdat ze de banken niet vertrouwen. [medeverdachte 3] kan zich niet herinneren dat een bedrag € 2.500,- contant is voldaan aan de notaris en wil geen antwoord geven op de vraag of het zijn contante geld is geweest of dat hij het van een ander heeft gekregen. Ten aanzien van het pand aan de [adres 3] [medeverdachte 3] weet niet wanneer het pand op naam van zijn vrouw is gekomen en heeft niets mee gekregen van de aankoop. Hij wil niet zeggen of iemand zijn vrouw bij de aankoop heeft geholpen. Hij kent [medeverdachte 2] niet en weet niet wie dat is. Hij kan niets zeggen over de betaling die zij heeft gedaan, noch over de betaling die [naam 13] heeft gedaan. Hij heeft geen idee wie [verdachte] is en hij weet niets over de contante betaling die aan de notaris is gedaan. [medeverdachte 4] heeft bij de rechter-commissaris geen inhoudelijke verklaring afgelegd. [naam 2] heeft in de politieverhoren een beroep gedaan op zijn zwijgrecht en in het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris een beroep op het verschoningsrecht. [naam 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij als tolk heeft gefungeerd bij de aankoop van de drie panden en dat hij geen betrokkenheid heeft bij de financiering van de panden. Hij heeft over de herkomst van de gelden niets verklaard. [naam 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij geen betrokkenheid heeft bij de financiering van de drie panden. Hij heeft over de herkomst van de gelden niets verklaard. [naam 5] heeft ten aanzien van de betalingen van haar ouders voor het pand aan de [adres 3] in het politieverhoor verklaard dat [naam 2] en [naam 1] altijd geld van elkaar hebben geleend. Toen de moeder van [naam 2] dit huis wilde kopen, heeft [naam 2] geld dat hij van [naam 1] moest krijgen, teruggevraagd. [naam 1] had dit geld niet en hij heeft toen de ouders van [naam 5] gevraagd om het hem te lenen. [naam 5] heeft verder over de herkomst van de gelden niets verklaard. Overgelegde stukken Kort voor de inhoudelijke behandeling zijn namens [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] stukken ingebracht ter verklaring van hun uitgaven. Deze stukken zijn gevoegd in de strafzaak van [verdachte] . Namens [medeverdachte 3] zijn de volgende stukken overgelegd (in de Engelse taal). Een ‘announcement’, gedateerd 14 december 2014, van [naam 17] , inhoudende dat hij van 2013 tot 2014 114.000 dollar van zijn bedrijfsrekening heeft gehaald en aan zijn broer, [medeverdachte 3] , heeft gegeven als ‘gratuitous assistence tot purchase real estate in a European country’. Een ‘Agreement’, van [naam 17] , inhoudende dat hij aan zijn broer, [medeverdachte 3] , 220.000 dollar in contanten heeft gegeven in de periode van 2010 tot 2017, met als reden dat, omdat zijn broer naar Frankrijk was verhuisd en zich daar definitief had gevestigd, een bilaterale overeenkomst was gesloten conform welke hij heeft gekocht 5,5% van de aan [medeverdachte 3] toebehorende aandelen van ‘ [bedrijf 1] ’ bouwbedrijf en al het materieel daarvan. Een overzicht van ‘members of directors council’ van genoemd bouwbedrijf, gedateerd 2 november 1999. Namens [medeverdachte 4] is op 14 maart 2025 een (ongedateerde) schriftelijke verklaring overgelegd, samengevat inhoudende dat het grootste deel van het geld voor de aankoop van het pand aan de [adres 3] afkomstig was van haar spaargeld dat ze sinds tientallen jaren heeft gespaard dankzij haar hoge salaris als docent aan universiteit en op een school. De salarissen werden contant betaald. Ze (de rechtbank begrijpt: zijzelf en [medeverdachte 3]) hebben vaak bedragen van hun spaargeld aan [naam 2] geleend. Op het moment van de aankoop van het appartement hebben ze [naam 2] gevraagd om het geld terug te betalen en ze hebben van hem vernomen dat hij de schuldkwestie zou oplossen. Ter onderbouwing van deze verklaring zijn de volgende stukken overgelegd (in de Engelse taal). Een verklaring van de directeur van de school, inhoudende dat [medeverdachte 4] van 1995 tot februari 2004 haar salaris contant uitbetaald kreeg. Een verklaring van de directeur van de universiteit dat [medeverdachte 4] van 1974 tot april 1999 haar salaris contant uitbetaald kreeg. Beoordeling verklaringen door de rechtbank Ter beoordeling staat de vraag of hiermee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is gegeven voor de (legale) herkomst van de gelden. Alvorens hierop in te gaan stelt de rechtbank het volgende voorop. In onderzoek ‘Babydraak’ is een veelheid aan valse documenten aangetroffen. Verder zijn de voormelde stukken op de valreep, namelijk kort voor de zitting van 20 maart 2025, overgelegd, terwijl [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] al jaren op de hoogte zijn van de op hen rustende verdenking en de panden in kwestie ook al jaren geleden in beslag zijn genomen. Dit alles maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de overgelegde stukken met grote behoedzaamheid moeten worden bezien. Bij de stukken kunnen ook daadwerkelijk de nodige kritische kanttekeningen worden geplaatst, namelijk: Bij de ‘Agreement’ is niet een kopie van het paspoort van [naam 17] gevoegd, waardoor de handtekening niet geverifieerd kan worden en daarmee niet duidelijk is of de verklaring daadwerkelijk door [naam 17] is opgesteld. Verder is deze verklaring niet gedateerd en niet voorzien van een plaats van ondertekening. Bovendien is de verklaring in algemene bewoordingen opgesteld, zonder onderbouwing met daartoe voor de hand liggende relevante stukken die de inhoud van de verklaring bevestigen. Ook bij de ‘announcement’ van 14 december 2014 ontbreekt een kopie van een paspoort. Verder is ook deze verklaring in algemene bewoordingen opgesteld, zonder enige onderbouwing met daartoe voor de hand liggende relevante stukken die de inhoud van de verklaring bevestigen, zoals mutaties van een bankrekening of ieder geval de gegevens van de bankrekening in kwestie. Nog afgezien van deze kanttekeningen, die maken dat aan de stukken geen gewicht toekomt, geldt dat [medeverdachte 3] niet heeft verklaard over de verkoop van aan hem toebehorende aandelen in een bedrijf aan zijn broer. Hij heeft enkel gesproken over een ‘schenking’ van zijn broer van € 114.000,- (let wel: niet dollar). Ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 3] valt verder onder meer op dat hij op meerdere vragen over de financiering van de panden aan de [adres 7] en [adres 8] geen antwoorden kan of zelfs wil geven, wat niet valt te rijmen met de omstandigheid dat hij degene zou zijn die de panden heeft aangekocht.Ten aanzien van de namens [medeverdachte 4] overgelegde stukken volstaat de rechtbank met de opmerking dat informatie over de hoogte van haar salaris en het daarvan beweerdelijk gespaarde geld ontbreekt, zodat alleen al om die reden aan deze stukken geen gewicht toekomt. Samenvattend stelt de rechtbank vast dat de (uiteindelijke) verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] onvoldoende worden onderbouwd door de overgelegde stukken. Er kan op basis daarvan geen verband worden gelegd tussen legaal inkomen/vermogen van beiden en het geld waarmee de drie panden zijn aangekocht. Onverklaard blijft ook waarom het geld via diverse bankrekeningen in het buitenland en via verschillende personen naar de notaris is overgemaakt en van wie de daaraan (vaak) voorafgegane contante stortingen afkomstig zijn. Onverklaard blijft bovendien waarom geld contant bij de notaris is betaald (en door wie), terwijl allen over bankrekeningen beschikten. Conclusie ten aanzien van de criminele herkomst Bij gebreke van een concrete verklaring (onderbouwd met relevante stukken) die zich leent voor (verdere) verificatie, concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat het geld dat is aangewend voor de aankoop van de drie panden, waaronder het pand aan de [adres 3] , afkomstig is van enig misdrijf. Wat de rechtbank hiervóór heeft overwogen over de verklaring van [verdachte] geldt ook hier. De (versnipperde) wijze van financiering van het pand aan de [adres 3] , alsook de omstandigheid dat de verklaring van [verdachte] over de herkomst van de door hem betaalde aankoopbedragen, waaronder ook het bedrag van€ 5.800,- ten behoeve van de aankoop van het pand aan de [adres 3] , ongeloofwaardig is, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat het niet anders kan dan dat hij wist van de criminele herkomst van dat geldbedrag. Witwashandelingen De rechtbank zal nu ingaan op de handelingen die de verdachten in het onderzoek Babydraak hebben verricht die hebben bijgedragen aan het witwassen van het pand aan de [adres 2] . Naast het medeplegen van het verwerven en voorhanden hebben van (het aankoopbedrag van) het pand, is ook het medeplegen van het verbergen en/of verhullen van de herkomst van het (aankoopbedrag) van het pand ten laste gelegd, alsook het medeplegen van het verbergen en/of verhullen van de rechthebbende(
  8. n)op het pand en wie dat pand voorhanden had(den). De rechtbank zal bespreken wie voor het witwassen relevante handelingen heeft verricht ten aanzien van het pand. In het pand aan de [adres 2] heeft na 17 maart 2014 niemand ingeschreven gestaan. T.a.v. [naam 3] In de koopakte staat het e-mailadres [e-mailadres] . heeft op 25 oktober 2018 een restitutie ontvangen van Eneco voor het adres [adres 2] . In het pand lag een notariële volmacht, gedateerd 11 maart 2013, waarin [verdachte] volmacht verleent aan [naam 3] met betrekking tot de [adres 2] . [naam 3] heeft vaste lasten van dit pand voldaan, te weten op 2 maart 2017 (Eneco Service), 27 juni 2017 (Eneco Service), 29 juli 2017 (Eneco Service), 10 augustus 2017 (Evides -water-) en op 30 augustus 2017 (Eneco Service). Het betreffen betalingen via [bedrijf 2] . T.a.v. [naam 5] De gemeentebelastingen werden betaald door [naam 5] (eenmaal), een buitenlands wisselkantoor (vier maal) en een Nederlands wisselkantoor (eenmaal). Het waterbedrijf werd betaald vanaf het rekeningnummer van [naam 5] . [naam 5] betaalde ook de Vereniging van Eigenaren van [adres 2] . Gebruikt als opslagplaats voor hennep In het pand werd 1347,72 gram hennep aangetroffen. Uit verschillende tapgesprekken (waarin met ’ [adres 2] ’ wordt gedoeld op het pand aan de [adres 2]) leidt de rechtbank af dat dit pand als opslag voor hennep werd gebruikt door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] : Op 25 maart 2019 om 17:29:24 uur vond er een gesprek plaats tussen [naam 1] en [naam 2] . In dit gesprek gaf [naam 1] aan dat hij naar 63 gaat en zegt dat hij tot 09:30 uur zal wachten op een telefoontje, want ‘ze’ willen nog 6 auto’s voor 3,9. [naam 1] zegt verder dat hij geen 6 heeft en zegt 5 bij Zemo te hebben en 5 in 63 (Sessienummer 2142). Op 26 maart 2019 vond er een gesprek plaats tussen [naam 1] en [naam 3] . In dit gesprek gaf [naam 1] aan dat zij 5 in 63 hebben en zegt verder dat als de auto’s mooi zijn ze makkelijk worden verkocht maar dat deze partij een beetje moeilijk is (Sessienummer 2246). Op 24 april 2019 vond er een gesprek plaats tussen [naam 1] en [naam 5] . In dit gesprek gaf [naam 1] aan dat hij 3kg van 63 naar 60 heeft gebracht en zegt verder dat de Turken straks komen (sessienummer 5648). Op 24 mei 2019 vond er een gesprek plaats tussen [naam 1] en [naam 4] . In dit gesprek gaf [naam 1] aan dat hij niet kan komen omdat hij auto’s bij zich heeft en zegt naar 63 te gaan. [naam 4] vraagt wat 63 is. [naam 1] zegt dat dit kazerne is (sessienummer 8788). Op 21 juni 2019 vond er een gesprek plaats tussen [naam 1] en [naam 2] . In dit gesprek gaf [naam 1] aan 100 stuks te krijgen en zegt dat hij ze in 63 kan laten staan of bij [naam 18] op 18 u laten zetten (sessienummer 11573). - Lijn 2713, sessie 11573: [naam 1] belt met [naam 2] . [naam 1] zegt dat hij een telefoontje kreeg over de stekjes, ze kunnen morgen niet geleverd worden omdat ze dezelfde zijn, het heeft geen zin.[naam 2] zegt dat ze alles bij elkaar moeten plaatsen, [naam 3] is te horen op achtergrond. [naam 1] zegt dat hij ze in “63” kan laten staan. Als [naam 3] het morgen meeneemt dan zal [naam 1] het in “63” laten. Conclusie bewezenverklaring witwassen Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de voormelde bewijsmiddelen dat het pand aan de [adres 2] niet toebehoorde aan [verdachte] , maar (feitelijk) aan de leden van de criminele organisatie die het pand gebruikten voor de opslag van hennep. De rechtbank komt tot de volgende conclusie ten aanzien van de bewezenverklaring van het witwassen van de ten laste gelegde geldbedragen en het pand aan de [adres 2] . Ten aanzien van het pand aan de [adres 2] kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het verwerven van het pand (sub b), alsook aan het verhullen van de herkomst van de ten laste gelegde geldbedragen en de rechthebbenden op die geldbedragen en het pand en wie die geldbedragen en het pand voorhanden hadden (sub a), terwijl hij wist dat die geldbedragen en het pand afkomstig waren van enig misdrijf. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de anderen. Hij vervulde een onmisbare rol in het geheel en leverde een wezenlijke bijdrage aan het witwassen van de criminele gelden en het pand. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 maart 2013 tot en met1 januari 2024, te Zoetermeer en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of in Armenië, tezamen en in vereniging, althans alleen, (telkens) (van) - een geldbedrag van (in totaal) 27.943 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan de [adres 2] te Rotterdam) en/of - een geldbedrag van (in totaal) 5.800 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan de [adres 3] te Rotterdam) en/of - een geldbedrag van (in totaal) 27.500 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan de [adres 4] te Rotterdam) en/of - een geldbedrag van (in totaal) 103.582 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan het [adres 5] te Schiedam) en/of - een geldbedrag van 143.000 euro, althans een groot geldbedrag (zijnde de verkoopopbrengst van een pand/woning gelegen aan het [adres 5] te Schiedam) en/of - een geldbedrag van (in totaal) 163.646 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan de [adres 6] te Silvolde) en/of - een woning/pand gelegen aan de [adres 2] te Rotterdam, althans/aldus (van) een of meer (van die) voorwerpen - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(
  9. n)op dat/die voorwerp(
  10. en)was/waren en/of - heeft verborgen en/ofheeft verhuld wie dat/die voorwerp(
  11. en)voorhanden had(den) (sub
  12. a)en/of - het pand aan de [adres 2] te Rotterdam heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt (sub
  13. b)terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat/die voorwerp(
  14. en)- onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Het medeplegen van witwassen, meermaals gepleegd. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van het Openbaar Ministerie Gevorderd is dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast dient een geldboete te worden opgelegd van € 25.000,-, bij niet betalen te vervangen door 150 dagen hechtenis. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om bij strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte op leeftijd is en hartproblemen heeft. Hij heeft de afgelopen veel stress ervaren van de strafzaak. Verder is hij niet eerder met justitie in aanraking gekomen. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte is in Nederland niet eerder bij politie en justitie in beeld gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het witwassen van crimineel geld en onroerend goed. Het gaat om aanzienlijke geldbedragen en vijf panden. Verdachte heeft door zijn handelen eraan bijgedragen dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten, in dit geval georganiseerde hennepteelt, vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Daarnaast vormt het witwassen van crimineel geld een bedreiging van de legale economie en een aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer. Dit alles maakt het handelen van verdachte zeer kwalijk. De persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarin de rechtbank overigens nauwelijks inzicht heeft verkregen doordat verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, bieden naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen ruimte voor enige strafvermindering. Wel is het in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde recht van verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen redelijke termijn geschonden. Uitgangspunt is dat een strafzaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, waaronder bijvoorbeeld de aard van een zaak. Zoals gezegd, maakt de strafzaak van verdachte onderdeel uit van het onderzoek ‘Babydraak’. Dit is een zeer omvangrijk en complex onderzoek, waarin via vele rechtshulpverzoeken uit diverse landen informatie moest worden verkregen, en waarin, na ontvangst van het omvangrijke procesdossier door de verdediging van diverse verdachten onderzoekswensen zijn gedaan en ook gehonoreerd. De rechter-commissaris heeft de verzochte getuigen gehoord in de periode van 19 augustus 2020 tot en met 1 december 2020, deels via een videoverbinding met het buitenland. Hoewel vanwege al deze omstandigheden de redelijke termijn op drie jaren is te stellen, is nog altijd sprake van een forse overschrijding met meerdere jaren, die op geen enkele wijze aan verdachte valt toe te rekenen. Zowel het Openbaar Ministerie als de rechtbank hebben onvoldoende voortvarendheid betracht. De rechtbank zal hiermee, evenals het Openbaar Ministerie heeft gedaan, in vergaande mate in strafverminderende zin rekening houden. De ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt op zichzelf zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. De rechtbank zal daarvan echter, gelet op het forse tijdsverloop, afzien en volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Gezien het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit, en nu verdachte niet opnieuw in beeld is gekomen bij justitie, zal de rechtbank de proeftijd stellen op twee jaren. De voorwaardelijke straf dient als zogenoemde ‘stok achter de deur’, om zoveel als mogelijk te waarborgen 135 dat verdachte niet opnieuw strafbare feiten zal plegen. Daarnaast acht de rechtbank passend de oplegging van een geldboete van € 25.000,-, bij niet betalen te vervangen door 160 dagen hechtenis. De rechtbank is van oordeel dat hiermee de overschrijding van de redelijke termijn afdoende wordt gecompenseerd. 8De beoordeling van het beslag Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het pand aan de [adres 2] in Rotterdam dient te worden verbeurd verklaard. De standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de teruggave te gelasten van het pand, gelet op de bepleite vrijspraak. De beoordeling door de rechtbank Op het panden rust blijkens de door het Openbaar Ministerie aangeleverde beslaglijst klassiek beslag. De rechtbank zal het pand, zijnde een voorwerp dat door middel van baten uit het strafbare feit is verkregen en met betrekking tot welke het strafbare feit is begaan, als bedoeld in artikel 33a, lid 1, sub a en b, Sr, verbeurd verklaren. Zoals de rechtbank hiervóór heeft overwogen behoort het pand niet toe aan verdachte, maar (feitelijk) aan leden van de criminele organisatie. Zij waren bekend met de verkrijging van het pand door middel van het strafbare feit, zodat aan het vereiste voor verbeurdverklaring, ex artikel 33a, lid 2, sub a, Sr, wordt voldaan. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; legt op een geldboete van € 25.000,- (zegge: vijfentwintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 160 dagen hechtenis. Ten aanzien van het beslag:  verklaart verbeurd het pand aan de [adres 2] Rotterdam (beslaglijst:OG 3081GL 163b). Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof enmr. M.J. Wasmann rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 mei 2025. Mrs. Keijzer en Van Aarssen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, districtsrecherche Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, nummer 201 9041 91217, (onderzoek ON32018014 Baby Draak) gesloten op 14 januari 2020, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal Financieel Zaaksdossier, p. E12; proces-verbaal van verhoor [naam 5] , p. 6-7; proces-verbaal van verhoor [naam 4] , p. C301-C302. Uittreksel Kadaster, p. A791 e.v. Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A2346; afrekening notaris, p. A2367-A2369; afschriften ING, p. A2370-A2371. Verhoor verdachte [naam 5] d.d. 17-7-2020. Proces-verbaal van bevindingen akte van levering, p. A456; Uittreksel Kadaster, p. A457-A467, Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A2345; afrekening [bedrijf 3] , p. A2384-A2392. Uittreksel kadaster, p. A173. Afdruk derdengeldrekening notaris [bedrijf 4] , p. A246; mutatiestaat [bedrijf 4] , p. A254. Uittreksel kadaster, p. A181. Rechtshulpverzoek Armenië, bijlage 21. Rechtshulpverzoek Armenië, bijlage 24d. Proces-verbaal van bevindingen, p. A2901. Koopovereenkomst, p. A75 e.v. Betaalbevestiging, p. A88. Rechtshulpverzoek Armenië, bijlage 20. Rechtshulpverzoek Armenië, p. 12. Rechtshulpverzoek Armenië p. 12-13 en bijlage 23a. Rechtshulpverzoek Armenië, p. 13. Print betaalbevestiging, p. A88; transactieoverzicht, rechtshulpverzoek Armenië, bijlage 22. Proces-verbaal van bevindingen Europees Onderzoeksbevel Frankrijk Ales (EOB-U-2020011439), p. 6. Proces-verbaal van bevindingen Europees Onderzoeksbevel Frankrijk Ales (EOB-U-2020011439), p. 4. Proces-verbaal van bevindingen Europees Onderzoeksbevel Frankrijk Ales (EOB-U-2020011439), p. 10, en bijlage 18a. Proces-verbaal van bevindingen Europees Onderzoeksbevel Frankrijk Ales (EOB-U-2020011439), p. 8. Proces-verbaal van bevindingen Europees Onderzoeksbevel Frankrijk Ales (EOB-U-2020011439), p. 7 en 9. Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A2437. Proces-verbaal van bevindingen, p. A3154. PDF pagina 10: Brf uit rb d d 2025-3-17 verzoek voegen overige stukken pdf_01609972. Akte van levering [adres 7] te Rotterdam, p. A529. Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. C452. Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A2346, en Bijlage 1, p. A2351-A2353. EOB [plaats] , bijlage 13, 15 en 17; proces-verbaal van bevindingen, nr. 202103171106.FIN. Akte van levering [adres 3] te Rotterdam leveringsakte, p. A516-A524. Financieel overzicht notaris, p. A2398; afschriften ABN AMRO, p. A2399-A2401; afrekening [bedrijf 3] en kasblad, p. 2402-2403; aanvullend dossier RHV Armenië 1 van 3, p. 7-8. Rechtshulpverzoek Frankrijk EOB [plaats] , p. 14. Akte van levering [adres 2] te Rotterdam, p. A792. Kopie paspoort [medeverdachte 4] , p. A751. Akte van levering [adres 8] te Zoetermeer, p. A782. Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A2348; afschriften ABN AMRO, p. A2405-A2411; proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, A2878. Afrekening [bedrijf 3] , p. A2414; kasblad notaris, p. A2415. Rechtshulpverzoek Frankrijk, EOB [plaats] , proces-verbaal van bevindingen, p. 11. Rechtshulpverzoek Frankrijk, EOB [plaats] , proces-verbaal van bevindingen, p. 11-12. Rechtshulpverzoek Frankrijk, EOB [plaats] , proces-verbaal van bevindingen, p. 12 en bijlage 25. Rechtshulpverzoek Frankrijk, EOB [plaats] , proces-verbaal van bevindingen, p. 4. Proces-verbaal [naam 19] , p. A538. Rechtshulpverzoek Frankrijk. EOB [plaats] , proces-verbaal van bevindingen, p. 4 en bijlagen 4 en 27. Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. C446. Rechtshulpverzoek Armenië, deel 1, proces-verbaal van bevindingen, paragraaf 6.3, p. 14. Rechtshulpverzoek Frankrijk, EOB [plaats] , proces-verbaal van bevindingen, p. 14-16 en bijlage 25. Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] d.d. 22 oktober 2019, p. C452. Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] d.d. 22 oktober 2019, p. C464. Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 3158 Koopovereenkomst, p. A3127. Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A1625. Proces-verbaal van bevindingen, p. A1721; foto volmacht, p. A1753. Proces-verbaal van bevindingen, p. A1727. Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A2879. Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A2486. Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. A2437. Proces-verbaal van bevindingen, p. A1355. Proces-verbaal van bevindingen, p. A844. Proces-verbaal van bevindingen, p. A962-A964. Proces-verbaal van bevindingen, A1100.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.