RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Tegenspraak Parketnummer: 05/238759-23 Datum uitspraak : 18 juli 2025 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] (Bondsrepubliek Duitsland). Raadsman: mr. J.A. Schadd, advocaat in Arnhem. 1De inhoud van de vordering De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 255.110,
- 2De procedure De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht. De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 254.760,
- De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Daartoe is het volgende aangevoerd: een onderbouwde lening van € 30.000,- is ten onrechte niet in de kasopstelling betrokken; betrokkene heeft de inkoop en verkoop van zijn autohandel in een kasboek genoteerd, dus hierbij is geen sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel; niet is gebleken dat veroordeelde de aangetroffen drugs zelf heeft aangeschaft dus dat is ten onrechte in de kasopstelling betrokken. er is ten onrechte geen rekening gehouden met de omzet van de door betrokkene verkochte metalen waarvoor facturen aanwezig zijn. 3De beoordeling van de vordering De rechtbank heeft op 20 juni 2025 vonnis gewezen, waarbij veroordeelde ter zake van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en van het plegen van witwassen een gewoonte maken, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaren. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de bewijsmiddelen die mede ten grondslag liggen aan de veroordeling in het vonnis van 20 juni
- Bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt het door de politie Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel eenvoudige kasopstelling (EKO). De in de – inzichtelijke en duidelijke – berekening gerelateerde feiten zijn door de rechtbank gecontroleerd aan de hand van de onderliggende stukken. De in het proces-verbaal getrokken conclusies zijn getoetst aan datzelfde materiaal. Dit leidt tot de volgende berekening: Beginsaldo contant geld: € 0,00 +/+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen € 97.436,95 -/- Eindsaldo contant geld: € 0,00 Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 97.436,95 -/- Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen € 352.197,41 Verschil = wederrechtelijk verkregen voordeel € 254.760,46 De werkelijke contante uitgaven en legale contante ontvangsten zijn weergegeven in onderstaande tabel. Overzicht werkelijke contante uitgaven en legale contante ontvangsten Paragraaf Rubriek Uitgaven Ontvangsten 5.9.2 Kasstortingen € 26.363.46 € - 5.9.3 Huur [adres] € 30.250,00 € - 5.9.4 Inkoop verdovende middelen € 94.349,80 € - 5.9.5/ 5.9.6 Inkoop voertuigen/ Overige voertuigen € 95.444,00 € - 5.9.7 Omzet contant naar giraal (Metalen) € 88.397,05 € - 5.9.8 Contante uitgaven € 17.393,10 € - 5.9.9 Geldopname € - € 28.600,00 5.9.10 Verkoop voertuigen € - € 36.689,00 5.9.11 Contante ontvangsten € - € 32.147,95 Totaal € 352.197,41 1 € 97.436,95 1 Ten aanzien van de verweren overweegt de rechtbank als volgt. Geldlening Met betrekking tot de veronderstelde geldlening heeft de rechtbank met betrekking tot het bewijs van het gewoontewitwassen al in haar vonnis overwogen dat zij het ongeloofwaardig acht dat die lening daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Veroordeelde heeft slechts een handgeschreven briefje met kopieën van ID-bewijzen overgelegd, waarin hij zelf aangeeft geld te hebben geleend van [naam] , dat het een bedrag van € 30.000,- betreft en verder staat vermeld ‘In 3 delen á € 10.000,-‘ en daaronder 3 data (in september en oktober 2021). Hoewel een handgeschreven overeenkomst op zichzelf een geldige titel kan zijn voor een geldleningsovereenkomst, is er verder geen enkele indicatie van een afspraak over hoe dit bedrag zou worden terugbetaald of wanneer en onder welke voorwaarden de vermeende uitlener het geld terug zou krijgen. Verdachte heeft daarover alleen verklaard dat hij het bedrag terug zou betalen ‘als het goed ging’ en dat hij het nog niet heeft terugbetaald, omdat hij [naam] niet te pakken kreeg toen het goed ging. [naam] zou vastzitten in Spanje, maar verdere details of aanknopingspunten voor nader onderzoek daarnaar heeft verdachte niet gegeven. De rechtbank gaat er dus ook niet vanuit dat verdachte dit bedrag (naast de in de kasopstelling vermelde legale ontvangsten) ter beschikking heeft gehad en dat dit bedrag in de kasopstelling betrokken had moeten worden. Veroordeelde heeft geen concrete documenten verschaft die tot een ander oordeel leiden. Inkoop voertuigen/Overige voertuigen (5.9.5/5.9.6) De door de verdediging genoemde legale inkomsten uit de autohandel en de verwijzing naar het kasboek en de op 4 februari 2025 overgelegde jaarrekeningen (over 2022 en 2023) overtuigen de rechtbank niet. Het kasboek is onvolledig en de inhoud daarvan verklaart op geen enkele wijze de onverklaarbare uitgaven. De jaarrekeningen zijn niet gecontroleerd door een accountant en uitsluitend gebaseerd op de informatie van veroordeelde. Het verschil tussen inkomsten en uitgaven noch de herkomst van de gelden wordt door deze stukken verklaard. Inkoop verdovende middelen (5.9.4) Met betrekking tot de aangetroffen drugs stelt de rechtbank vast dat veroordeelde niet is veroordeeld voor medeplegen en uit niets blijkt dat iemand anders zou hebben meebetaald bij de aankoop van deze drugs. Veroordeelde heeft dat enkel als mogelijkheid geopperd maar niet onderbouwd. Omzet naar giraal (Metalen) (5.9.7) Ten aanzien van de verkoop van verkochte materialen) overweegt de rechtbank zoals al in haar vonnis vermeld, dat op de bankrekening van [bedrijf 1] in de periode van 13 juli 2022 tot en met 30 augustus 2023 in totaal € 88.397,05 is ontvangen van het bedrijf [bedrijf 2] (verder [bedrijf 2] ). In de administratie van [bedrijf 1] zaten 8 inkoopfacturen van [bedrijf 2] voor levering van grote hoeveelheden koper, in totaal 11.301 kg. Gebleken is dat [bedrijf 1] in die periode 15 auto’s had verkocht, merendeels met een betrekkelijk lage waarde, en 22 auto’s in handelsvoorraad had waarvan er twee naar de sloop zijn gegaan. Uit de administratie van [bedrijf 1] blijkt verder helemaal niets van inkoop van koper. Met een dergelijk kleine omzet is het niet mogelijk dat [bedrijf 1] in de genoemde periode voor een dergelijk hoog bedrag aan koper heeft verkocht aan [bedrijf 2] . Daar komt bij dat uit het logboek van het alarmsysteem en de camerabeelden van het bedrijf van veroordeelde aan de [adres] niet blijkt dat er enige bedrijvigheid heeft plaatsgevonden die lijkt op het verwerken of uitslopen van koper of andere metalen. Verdachte heeft tijdens het verhoor op 4 februari 2025 verklaard dat [bedrijf 2] , nadat verdachte aan het bedrijf had doorgegeven dan wel getipt waar de autowrakken zich bevonden, deze wrakken ook vaak zelf ophaalde, voornamelijk bij autobedrijven in Duitsland. Verdachte kreeg daar dan voor betaald. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. De rechtbank betrekt hierbij de berekening van de politie dat verdachte, om een bedrag van € 88.397,05 van [bedrijf 2] te ontvangen, een hoeveelheid van 11.301 kg (gelijkstaand aan ongeveer 452,95 autowrakken) zou hebben moeten leveren aan [bedrijf 2] in een periode van slechts 1 jaar. Daarvan is echter niet gebleken in de administratie van verdachte. Evenmin is geloofwaardig dat verdachte dergelijke hoge bedragen ontving als hij feitelijk alleen als tipgever voor [bedrijf 2] optrad. Desgevraagd heeft verdacht ook geen autobedrijven/sloperijen in Duitsland kunnen noemen waar hij kwam voor het koper/de metalen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat er in het geheel geen metalen zijn verkocht door veroordeelde. Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 254.760,46 en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat. 4De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5De beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 254.760,46 - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag; - bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 1080 dagen. Aldus gegeven door mr. J.M. Breimer (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. H.M. Stratenus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juli
- Mrs. Breimer en Stratenus en de griffier zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, Team Opsporing, opgemaakte proces-verbaal, Onderzoeksnummer ONRAA22043 (onderzoek Karma22), gesloten op 4 januari 2024 en in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , eveneens van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, gesloten op 29 augustus 2024, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal (inclusief het verder doorgenummerde rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel) en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. p. B-1236 e.v. P. B-
- Proces-verbaal van bevindingen, p. B-1242 Proces-verbaal van bevindingen, p. B-1342-B
- Proces-verbaal van bevindingen, p. B-
- Proces-verbaal van bevindingen, p. B-1348