← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:11748

beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats Arnhem Zaakgegevens: C/05/446369 / FA RK 25-173 Datum uitspraak: 14 oktober 2025 beschikking gezag, hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie in de zaak van [naam vader] , hierna de vader, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. M. Metin te Arnhem tegen [naam moeder] , hierna de moeder, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. B. Anik te Arnhem. 1Het verdere verloop van de procedure 1.

  1. De rechtbank heeft op 28 april 2025 een eerdere beschikking gegeven. In deze beschikking heeft de rechtbank: de Raad verzocht onderzoek te doen en te rapporteren; iedere beslissing aangehouden in afwachting van de rapportage van de zorgaanbieder en in afwachting van het Raadsonderzoek. 1.
  2. Daarna heeft de rechtbank nog ontvangen: het verweerschrift van de vader ten aanzien van het verzoek tot kinderalimentatie; het F9-formulier van de moeder van 5 juni 2025 over het stopzetten van de omgangsregeling; het verslag van Kind Centraal van 8 juli 2025, ontvangen op 10 juli 2025; het raadsrapport van 19 september 2025, ontvangen op 22 september 2025; het F9-formulier van de moeder van 23 september 2025 met bijlagen 18 tot en met 25; het F9-formulier van de vader van 25 september 2025 met bijlagen. 1.
  3. De mondelinge behandeling is voortgezet op 29 september
  4. Daarbij zijn gehoord: - de vader, bijgestaan door mr. M. Metin; - de moeder, bijgestaan door mr. B. Anik; - een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad); - een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland (de GI). 1.
  5. De zaak is tegelijkertijd behandeld met het verzoek van de Raad om [kind 1] en [kind 2] onder toezicht te stellen van de GI (zaaknummer 457054). 2De verdere beoordeling Waar gaat het over? 2.
  6. De procedure gaat over de minderjarige kinderen: [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . De moeder is belast met het ouderlijk gezag. Bij vonnis van 13 februari 2025 is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat de kinderen met ingang van 11 april 2025 om de week een weekend bij de vader verblijven van vrijdag 15.00 uur tot zondag 18.30 uur. 2.
  7. Bij vonnis in kort geding van 4 augustus 2025 is de voorlopige omgangsregeling gewijzigd, in die zin dat de omgang tussen de vader en de kinderen onder begeleiding van een hulpverleningsorganisatie plaatsvindt, waarbij de regie voor de duur en de frequentie voor de omgang bij de desbetreffende hulpverleningsinstantie ligt. 2.
  8. De rechtbank moet nog een beslissing nemen over het verzoek van de vader om: hem mede met het gezag te belasten, een contactregeling vast te stellen (samengevat iedere week bij helfte en een vakantieregeling), de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij hem vast te stellen. De moeder heeft verweer gevoerd tegen deze verzoeken. Zij verzoekt een omgangsregeling vast te stellen waarbij de kinderen – samengevat – om het weekend bij de vader verblijven en om de week op woensdagmiddag. 2.
  9. Daarnaast moet de rechtbank nog een beslissing nemen over het verzoek van de moeder om te bepalen dat de vader met € 264 per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van de kinderen, bij vooruitbetaling te voldoen. De vader heeft verweer gevoerd en verzoekt de bijdrage vast te stellen op € 25 per kind per maand. Dit verzoek is niet behandeld op de vorige zitting. Gezag 2.
  10. De Raad vindt gezamenlijk gezag niet in strijd met het belang van de kinderen, mits er sprake is van een ondertoezichtstelling. De Raad verwacht dat er binnen de ondertoezichtstelling stappen met ouders gemaakt kunnen worden om te werken aan een minimale vorm van communicatie. Een jeugdbeschermer kan sturing geven aan dit proces en ingrijpen als dat nodig is, tot het moment dat de ouders in staat worden geacht dit zelf vorm te geven. 2.
  11. De vader staat achter het raadsadvies. Hij vindt het belangrijk dat hij een gelijkwaardige positie moet hebben ten opzichte van de moeder. Daarnaast heeft de GI in het kader van de ondertoezichtstelling meer mogelijkheden om de vader te sturen, wanneer hij mede met het gezag over de kinderen is belast. 2.
  12. De moeder benadrukt dat [kind 1] en [kind 2] klem zitten tussen de ouders. De Raad heeft dit bevestigd in haar rapport. De kinderen zijn op de hoogte van wat er tussen hun ouders speelt en hebben last van de spanningen die daarmee gepaard gaan. Verder stelt de moeder dat de dynamiek tussen haar en de vader nog altijd ernstig verstoord is en dat zij nog steeds wordt bedreigd. Zo heeft de moeder met haar verjaardag nog een kaart ontvangen met de tekst: ‘Lieve [voornaam moeder] , gecondoleerd met je verjaardag. Je vrienden’. Verder maakt de moeder zich zorgen over het verhoor dat de vader recent heeft gehad in het kader van een zedenzaak. Ten slotte merkt de moeder op dat er regelmatig gezagsbeslissingen genomen moeten worden in verband met hulpverlening voor de kinderen. 2.
  13. De rechtbank houdt de beslissing op het verzoek van de vader opnieuw aan en zal hierna uitleggen waarom. Uit de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken, is gebleken dat voldaan is aan het zogenoemde ‘klemcriterium’. Sinds de ouders vorig jaar uit elkaar zijn gegaan, zijn er zorgen over de dynamiek tussen de ouders en de invloed hiervan op [kind 1] en [kind 2] . De kinderen hebben allebei psychomotorische therapie (PMT), omdat de strijd tussen hun ouders invloed heeft op de eigen ontwikkeling. Er zijn meerdere conflicten geweest tussen de ouders (ook op sociale media), waarbij ook het netwerk van de ouders betrokken is. Meerdere keren is de politie betrokken geweest. Beide ouders hebben steeds een ander verhaal over wat er gebeurd is, waarna rond de jaarwisseling ambulante spoedhulp is ingezet. Hieruit is het advies gekomen aan ouders om zowel intensieve ambulante gezinsbehandeling én een parallel solo ouderschapstraject te volgen. Van dit laatste hebben beide ouders echter geen gebruik gemaakt. Zij hebben beiden aangegeven geen vertrouwen te hebben in een positief resultaat en de moeder heeft aangegeven op dit moment geen draagkracht te hebben een traject aan te gaan. Ondertussen gaat de strijd tussen de ouders verder: er hebben dit jaar al vier zittingen plaatsgevonden over het contact tussen de vader en de kinderen, omdat het de ouders niet lukt om hier samen uit te komen. 2.
  14. Het uitgangspunt is dat beide ouders het gezag over hun kind(eren) hebben. Daarnaast volgt de rechtbank de Raad dat het van belang is dat de vader binnen de ondertoezichtstelling een met de moeder gelijkwaardige positie als gezaghebbende ouder heeft. Dit weegt naar het oordeel van de rechtbank echter niet op tegen de huidige dynamiek en het wantrouwen tussen de ouders, zoals hiervoor omschreven. Het is daarnaast tekenend dat beide ouders in gesprek met de Raad en Kind Centraal hebben aangegeven geen ouderschapstraject aan te willen gaan, (onder andere) omdat zij geen vertrouwen hebben in verandering bij de andere ouder. Het lukt de ouders zelfs niet om zich te conformeren aan een noodplan om de noodzakelijke rust te creëren. De Raad heeft aangegeven geen basis te zien voor gezamenlijk gezag zonder ondertoezichtstelling, maar de rechtbank ziet deze basis op dit moment ook niet als er wel een ondertoezichtstelling is uitgesproken. Hierbij speelt ook de wachtlijst bij de GI een rol. Er is op korte termijn nog geen jeugdbeschermer beschikbaar die de communicatie tussen de ouders kan monitoren. De rechtbank voorziet met de huidige stand van zaken dat de situatie tussen de ouders nog verder zal escaleren, wanneer de vader mede met het gezag over de kinderen wordt belast. Dit dient uiteraard voorkomen te worden, zeker nu zowel [kind 1] als [kind 2] hulpverlening nodig heeft en er mogelijk op korte termijn meer gezagsbeslissingen genomen moeten worden. 2.
  15. De rechtbank houdt de beslissing over het gezag aan tot 21 april 2026 pro forma. Van beide ouders verwacht de rechtbank dat zij zich opnieuw wenden tot Kind Centraal en dat zij zich in het belang van de kinderen gaan inzetten om het parallel solo ouderschapstraject te volgen, waarbij zij vooral naar zichzelf gaan kijken en niet naar de andere ouder. Als Kind Centraal dit nog steeds nodig vindt, verwacht de rechtbank ook van de ouders dat zij meewerken aan een (nood)plan om op korte termijn rust te creëren. De ouders hoeven hiervoor niet te wachten tot een vaste jeugdbeschermer betrokken is. 2.
  16. De advocaten van de ouders worden verzocht uiterlijk op de hiervoor genoemde datum de rechtbank én de Raad schriftelijk te informeren over de stand van zaken, en om een standpunt in te nemen over het verdere verloop van deze procedure. Hoofdverblijfplaats 2.
  17. De Raad adviseert de hoofdverblijfplaats van [kind 2] niet te wijzigen. Zolang er nog geen duidelijkheid is over wat er haalbaar is in de omgang met de vader en er nog geen zicht is op de opvoedmogelijkheden van vader (doordat ambulante gezinsondersteuning nog niet gestart is), is een wijziging van hoofdverblijf niet in het belang van de kinderen. 2.
  18. De rechtbank wijst het verzoek van de vader over de hoofdverblijfplaats van [kind 2] af. [kind 2] woont bij de moeder en op dit moment heeft op dit moment geen contact met haar vader. Het is uiteraard belangrijk dat dit weer hersteld wordt, maar dit is geen reden om de hoofdverblijfplaats te wijzigen. Ook wanneer er sprake is van een omgangsregeling met de vader en er sprake is van hulpverlening om zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de vader, woont [kind 2] nog altijd grotendeels bij de moeder. De rechtbank ziet daarom geen reden om de hoofdverblijfplaats van [kind 2] te wijzigen. Omgangsregeling 2.
  19. De Raad adviseert een begeleide omgangsregeling tussen de kinderen en de vader, waarbij er toegewerkt wordt naar onbegeleide omgang en uiteindelijk een verdeling van weekenden/vakanties en dergelijke. De Raad adviseert te starten met een begeleide omgang van minimaal twee uur per week in de thuissituatie bij de vader. Op die manier kan er zicht komen op zijn opvoedmogelijkheden en kan de vader ondersteund worden bij opvoedvragen waar hij tegen aanloopt. De omgang kan begeleid worden door een neutraal persoon die, in eerste instantie, aanwezig is bij de overdrachtsmomenten en de kinderen kan halen/brengen. Op die manier kunnen de spanningen en onrust bij zowel de kinderen als bij ouders zoveel mogelijk worden weggenomen. De GI kan de omgangsregeling monitoren en afhankelijk van het verloop hiervan, nieuwe afspraken over de verdeling met de ouders maken. 2.
  20. De vader wil [kind 1] en [kind 2] zo spoedig mogelijk weer zien. Hij ziet de kinderen nu al drie maanden niet meer. De vader wil conform het raadsadvies omgang met de kinderen bij hem thuis. In dat geval staat de vader ook achter begeleide omgang. De vader vindt dat hij een stabiele situatie kan bieden aan de kinderen. Hij wil dat de rechtbank een voorlopige regeling bepaalt en de definitieve beslissing aanhoudt, zodat eerst kan worden bezien hoe de omgang verloopt. 2.
  21. De moeder staat achter het raadsadvies. Zij wil meewerken aan een begeleide omgangsregeling, maar maakt zich wel zorgen over dingen de vader over de kinderen zegt of hoe hij hen benadert. Zo is de moeder bang dat de vader [kind 1] pijn doet. Dit heeft ook invloed op het gedrag van [kind 1] . 2.
  22. De rechtbank stelt vast als omgangsregeling dat de vader begeleide omgang heeft met [kind 1] en [kind 2] voor minimaal twee uur per week, bij de vader thuis. Verder bepaalt de rechtbank dat de regie over de uitbreiding van de omgangsregeling bij de GI ligt. Dit geldt voor zowel de frequentie, de duur van de contacten en de mate van begeleiding. Gebleken is dat de vader en de kinderen elkaar nu ongeveer drie maanden niet hebben gezien. De rechtbank vindt dat dit zo spoedig mogelijk hersteld moet worden, omdat er geen (acute) zorgen zijn over de veiligheid van [kind 1] en [kind 2] bij de vader. De zorgen zitten met name in de geëscaleerde dynamiek tussen de ouders. Dit heeft uiteindelijk op 4 augustus 2025 tot een uitspraak van de voorzieningenrechter geleid, waarbij de regie over de omgang bij hulpverlening is neergelegd. Ook dit heeft tot nu toe niet tot contactherstel geleid. De rechtbank is van oordeel dat het vaststellen van een minimale omgangsregeling, waarbij de regie wordt overgedragen aan de GI, op dit moment het meest passend is. Daarbij is het van belang dat er zich komt op de opvoedvaardigheden van de vader door middel van de begeleiding en ambulante gezinsondersteuning. Verder verwacht de rechtbank van de GI dat dit zo spoedig mogelijk wordt opgepakt, ook als er de komende weken/maanden nog geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Voorkomen moet worden dat de omgang tussen de vader en de kinderen nog lange stil ligt. 2.
  23. De rechtbank zal de beslissing niet aanhouden, zoals door de vader is verzocht. In dat kader overweegt de rechtbank dat er een minimale omgangsregeling geldt die uitgevoerd moet worden. Daarnaast heeft de rechtbank er vertrouwen in dat de GI in samenspraak met de ouders passende afspraken zal maken om deze regeling waar dat kan uit te breiden. Kinderalimentatie conclusie 2.
  24. De rechtbank beslist dat de vader vanaf 1 oktober 2024 een kinderalimentatie van € 50 per maand aan de moeder moet betalen en vanaf 1 januari 2025 € 53,25 per maand. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. ingangsdatum 2.
  25. De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben. 2.
  26. De moeder wil dat de kinderalimentatie ingaat op 1 september 2024, omdat haar advocaat op 30 augustus 2024 inkomensgegevens heeft opgevraagd bij de advocaat van de vader. De vader had vanaf dat moment rekening moeten houden met de te betalen kinderalimentatie. 2.
  27. De vader vindt primair dat de datum van deze beschikking als ingangsdatum moet gelden, subsidiair de datum van het verzoek van de moeder om de kinderalimentatie vast te stellen (2 april 2025). 2.
  28. Hier hanteert de rechtbank 1 oktober 2024 als ingangsdatum. Gebleken is dat de ouders sinds juni 2024 uit elkaar zijn. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de advocaten van de ouders in augustus 2024 en september 2024 overleg hebben gevoerd over de betalen kinderalimentatie, waarbij de vader zelf heeft voorgesteld om de kinderalimentatie per 1 oktober 2024 in te laten gaan. Verder heeft de moeder onweergesproken gesteld dat de vader sinds de relatiebreuk niet bijdraagt in de kosten van de kinderen, terwijl ouders wettelijk verplicht zijn om naar draagkracht te voorzien in deze kosten. Om die reden vindt de rechtbank dat de vader vanaf 1 oktober 2024 rekening had moeten houden met de te betalen kinderalimentatie. behoefte 2.
  29. Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De moeder heeft onweergesproken gesteld dat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] samen € 857 per maand bedroeg in
  30. De rechtbank zal hier ook van uitgaan. draagkracht ouders 2.
  31. Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. 2.
  32. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1270)]. draagkracht vader 2.
  33. Voor het bepalen van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van de Wajong-uitkering die hij ontvangt van € 1.534,25 per maand (exclusief vakantiegeld). Hierbij past een minimale draagkracht van € 50 per maand bij twee kinderen. 2.
  34. De rechtbank houdt geen rekening met de door de moeder gestelde extra inkomsten van de vader. Volgens de moeder werkt de vader zwart als muzikant en/of in de entertainmentbranche. De moeder heeft enkele foto’s overgelegd die de vader op sociale media heeft geplaatst, waaruit kan worden afgeleid dat de vader zich bezighoudt met dergelijke activiteiten. Het is echter niet gebleken dat de vader hier (substantieel) extra inkomen uit genereert. Daarbij komt dat de vader een brief van het UWV heeft overgelegd van 11 november 2024, waaruit blijkt dat het UWV na onderzoek concludeert dat de vader geen extra inkomsten heeft. draagkracht moeder 2.
  35. Voor het bepalen van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van de door haar overgelegde draagkrachtberekening, waarin een jaarinkomen van € 27.258 staat genoemd. De vader heeft deze berekening niet betwist. De moeder heeft dan een draagkracht van € 480 per maand. verdeling kosten 2.
  36. Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd. 2.
  37. Een vergelijking is hier niet nodig omdat de vader en de moeder samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [kind 1] en [kind 2] . Hun gezamenlijke draagkracht is € 530 per maand, terwijl de kosten van de kinderen hoger zijn. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de vader met € 50 per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen. zorgkorting 2.
  38. In dit geval zal de rechtbank geen zorgkorting toepassen, omdat er sprake is van een groot tekort aan draagkracht. Het is namelijk niet eerlijk als de rechtbank de kosten die de vader zelf voor de kinderen maakt in mindering brengt op de alimentatie, want daardoor komt het hele tekort op de schouders van de moeder te rusten. Daarom past de rechtbank bij een groot tekort aan draagkracht geen zorgkorting toe. Dit betekent dat de vader € 50 per maand aan kinderalimentatie moet betalen. indexering 2.
  39. Omdat voormelde bijdrage ingaat op een datum gelegen voor 1 januari 2025 verhoogt de rechtbank de bijdrage per 1 januari 2025 met de wettelijke indexering van 6,5%. alimentatie vooruitbetalen 2.
  40. De vader moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald. 3De beslissing De rechtbank: 3.
  41. stelt vast als omgangsregeling dat de kinderen: [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ; [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ; begeleide omgang hebben met de vader minimaal twee uur per week bij de vader thuis, waarbij de (uitbreiding van de) frequentie, de duur van de contacten en de wijze van begeleiding worden bepaald door de GI; 3.
  42. bepaalt dat de vader met ingang van 1 oktober 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] aan de moeder zal betalen € 50 per maand, en met ingang van 1 januari 2025 € 53,25 per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen; 3.
  43. verklaart de onder 3.1 en 3.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  44. houdt de beslissing over het gezag aan tot 21 april 2026 pro forma; 3.
  45. verzoekt de advocaten van partijen om de rechtbank én de Raad uiterlijk op de hiervoor genoemde pro forma datum te handelen zoals hiervoor onder 2.11 is overwogen; 3.
  46. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. F.G. van Arem, rechter, in tegenwoordigheid van S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober
  47. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek Artikel 1:402 BW. Artikel 1:397, lid 2 BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.