← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:11773

RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Nijmegen Zaaknummer / rekestnummer: 11936951 \ HA VERZ 25-75 Beschikking van 17 december 2025 in de zaak van [verzoekster] , te [vestigingsplaats] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoekster] , gemachtigde: mr. G.W.J.M. van Mierlo, tegen [verweerster] , te [woonplaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verweerster] , gemachtigde: mr. S.J. Klingeman. 1De zaak in het kort [verzoekster] is deze procedure gestart om de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerster] de laten ontbinden als gevolg van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. [verweerster] betwist niet dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, maar verzet zich tegen ontbinding en stelt zich op het standpunt dat, indien als gevolg van deze verstoring de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, dit volledig en ernstig te (ver)wijten is aan [verzoekster] en zij haar daarom een billijke vergoeding is verschuldigd. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, reden waarom de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Echter, niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van [verzoekster] , reden waarom de door [verweerster] gevraagde billijke vergoeding wordt afgewezen. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op 1 februari

  1. Daarnaast zullen ook de overige verzoeken van [verweerster] worden besproken. 2De procedure 2.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties 1 – 18 - het verweerschrift, met een tegenverzoek en producties 1 – 24 - de aanvullende producties 19 – 21 van de zijde van [verzoekster] - de aanvullende producties 25 – 27 van de zijde van [verweerster] - de mondelinge behandeling van 18 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.
  3. De beschikking is bepaald op vandaag. 3De feiten 3.
  4. [verweerster] , geboren [datum] 1977, is sinds 4 april 2022 in dienst bij [verzoekster] . De functie van [verweerster] is bedrijfsjurist met een loon van € 4.797,17 bruto per maand, exclusief overige emolumenten. Uit de arbeidsovereenkomst van [verweerster] wordt geciteerd: Artikel
  5. A. Het bruto maandsalaris van de werknemer bedraagt € 4.250,00 (zegge: vierduizend tweehonderd vijftig EURO) op basis van een 32-urige werkweek. Het salaris wordt, onder aftrek van de wettelijke en andere eventueel tussen partijen overeengekomen Inhoudingen, aan de werknemer betaald. B. De werknemer heeft recht op een vakantietoeslag van 8% van het bruto jaarsalaris. De betaling van de vakantietoeslag lopende over de periode van 1 juni tot en met 31 mei zal plaatsvinden in de maand mei, onder aftrek van alle wettelijke inhoudingen. C. Werknemer heeft recht op een 13e maand loonuitbetaling in de maand december en/of januari. Deze vergoeding is reeds voor een bedrag van € 250 in het bruto maandsalaris inbegrepen. D. Bij op te zetten en succesvol voltooide class actions en/of succesvolle voltooiing van lopende class actions maakt werknemer aanspraak op een bonus gerelateerd aan de class action en de door [verzoekster] in rekening te brengen succesfee. De bonus bedraagt ten hoogste 5% van de totale succesfee over de class action. Werknemer en werkgever leggen de aanspraak op deze vergoeding telkens vast in een separate bonusovereenkomst. (…) Artikel
  6. A. In geval van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte is de wettelijke bepaling ter zake loondoorbetalingsverplichting 7:629 BW van toepassing. B. De werkgever kan in geval van ziekte twee wachtdagen toepassen. C. Werknemer verklaart op de hoogte te zijn en in te stemmen met de door werkgever gehanteerde regeling omtrent ziekte welke is vastgelegd in het bij deze overeenkomst behorende ziekteverzuimreglement welke is opgenomen in het Personeelshandboek. (…) Artikel
  7. A. Als motivering voor het onder B genoemde concurrentiebeding en onder C genoemde relatiebeding geldt dat werknemer als medewerker van [verzoekster] zich bij aanvang bewust is van het feit dat [verzoekster] benchmarker is van specifieke kennis en knowhow op het gebied van BPM taxaties. Het is werknemer zonder voorbehoud duidelijk dat deze specifieke kennis, opgedaan bij [verzoekster] en voorheen niet op enig niveau aanwezig bij werknemer, niet aangewend kan worden, ten behoeve van werknemer of concurrerende bedrijven. Een en ander betekent dat de werknemer de werkgever met de bij de werkgever opgedane specifieke kennis en knowhow zodanige concurrentie kan aandoen, dat dit concurrentiebeding en relatiebeding vanwege zwaarwegende bedrijfsbelangen van de werkgever noodzakelijk is, zoals bedoeld in artikel 653 lid 2 BW. B. Het is de werknemer verboden om tijdens de arbeidsovereenkomst alsook gedurende één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in enigerlei vorm, binnen Nederland, een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van de werkgever te vestigen, te drijven, mede te drijven of te doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, als ook financieel in welke vorm ook bij een dergelijke zaak belang te hebben, direct of indirect, of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard ook te hebben, tenzij de werknemer daartoe voorafgaande uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming heeft gekregen, aan welke toestemming werkgever voorwaarden kan verbinden. C. Het is werknemer verboden om gedurende een jaar na het einde van deze arbeidsovereenkomst contacten te leggen of te onderhouden, mede te leggen of te onderhouden of zodanige adviezen aan derden te geven dat deze contacten door derden gelegd of onderhouden kunnen worden met bestaande relaties van werkgever of van de met werkgever gelieerde ondernemingen, tenzij de werknemer daartoe voorafgaande uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming. (…) 3.
  8. [verweerster] is werkzaam als jurist, gespecialiseerd in BPM-aanslagen ter zake vanuit het buitenland in Nederland ingevoerde motorvoertuigen. 3.
  9. Begin 2024 heeft [naam 1] (hierna: [naam 1] ), directeur van [verzoekster] , met [verweerster] en haar collega jurist [naam 2] de mogelijkheden besproken om de juridische dienstverlening uit te breiden. Partijen hebben diverse mogelijkheden besproken, waaronder het oprichten van een nieuwe vennootschap, maar zijn het – kort gezegd – niet eens geworden over de voorwaarden waaronder dit zou kunnen plaatsvinden. 3.
  10. Eind oktober 2024 heeft [naam 1] besloten de uitbreiding van juridische activiteiten niet in een nieuwe vennootschap onder te brengen, zoals partijen hebben besproken en onderzocht, maar deze onder te brengen in [verzoekster] . 3.
  11. [naam 1] heeft dit besluit op 28 oktober 2024 aan [verweerster] gecommuniceerd en zag in de reactie van [verweerster] aanleiding haar uit te nodigen voor een gesprek op 29 oktober 2024 ter toelichting van dit besluit. 3.
  12. Dit gesprek tussen [naam 1] en [verweerster] is niet goed verlopen, waarbij zij elkaar over en weer verwijten hebben gemaakt en na afloop waarvan [verzoekster] [verweerster] op non-actief heeft gesteld. Uit de brief die [verzoekster] ter bevestiging hiervan aan [verweerster] heeft gestuurd wordt geciteerd: Hedenmorgen vond een gesprek plaats tussen u en [naam 1] (holdingdirectie), mede in aanwezigheid van [naam 3] , bedrijfsdirecteur van onze werkmaatschappij [bedrijf 1] Aanleiding voor het gesprek was de conclusie van [naam 1] ten aanzien van uw gebrek aan enthousiasme voor een gisteren aan u voorgelegd voorlopig implementatieplan. Dit plan handelt over de beoogd te implementeren nieuwe dienstverlening binnen [verzoekster] onder de naam RechtAdvies Huys (RAH). Het is u uitvoerig bekend gemaakt dat, wegens sterk teruglopende werkzaamheden binnen [verzoekster] , de huidige bezetting binnen [verzoekster] waaronder twee juristen, niet te handhaven valt in relatie tot het sterk teruglopende werkaanbod in combinatie met de nieuwe wetgeving ten aanzien van proceskosten vergoedingen. Om de structuur en bezetting van [verzoekster] te kunnen handhaven heeft de holdingdirectie het plan opgevat en reeds deels geïmplementeerd, om de dienstverlening te verbreden. U bent doorlopen meegenomen in de uitwerking van de opzet waarbinnen diverse scenario's zijn voorgelegd die uiteindelijk resulteerden in een laatste voorstel waarbinnen u werknemer blijft en van de nieuwe dienstverlening een omzetprovisie tegemoet mocht zien. Uiteindelijk stemt de holdingdirectie in met 30% omzetprovisie over verkochte uren, wat gisteren nog aanvullend met benefits werd uitgebreid. Zogezegd ontving [naam 1] reeds gisteren hierop uw uitermate koele ontvangst om reden waarvan hij vanmorgen met u het gesprek aanging. U gaf daarbij aan dat uw enthousiasme getemperd wordt vanwege vermeend te lage beloning binnen de huidige structuur. Kortgezegd kwam het erop neer dat uw enthousiasme pas toegang krijgt nadat uw beloning binnen de huidige structuur omhoog gaat. Deze houding is in weerwil met uw bevestiging op een uitleg die u 4 april jl reeds is gegeven dat een loonwens onder de huidige structuur niet realistisch is. Tevens wordt aan u uitgelegd dat dat wél bespreekbaar wordt nadat het RechtAdvies Huys bijdraagt aan winstgevendheid. Deze uitleg is u gegeven onder optie 3 en is door u en uw collega als begrepen en akkoord bevestigd. Ondertussen zijn wij, op een laag pitje, doorgegaan met de uitrol van het RAH. Waar dit in de beleving van de holdingdirectie té passief werd uitgevoerd heeft zij hier actie op ondernomen en de draad weer opgepakt middels de presentatie van voornoemd implementatieplan. Waar u daarover vandaag, desgevraagd, uw visie op kon geven, kwam u wederom met een looneis die u juist op 4 april jl als begrepen onredelijk had bevestigd. Als motivering voor uw looneis haalde u aan: - U verwacht jaarlijks een periodieke salarisstijging op grond van toenemende leeftijd; - U verwacht een toename op grond van overname van werkzaamheden die tot januari 2024 werden uitgevoerd door de secretaresse van [verzoekster] die juist wegens het gebrek aan werk emplooi elders had aanvaard; - U vindt het 'niet eerlijk' dat taxateurs mogelijkheid hebben tot extra verdiensten door éxtra werk te verrichten en u die mogelijkheid niét heeft; - U bent van mening dat u uw werk zo goed doet en iédereen binnen de bedrijven daarover zo tevreden is maar u daarvoor een redelijke beloning moet ontberen. [naam 1] liet blijken op te kijken van uw ontevredenheid gezien eveneens uw bevestiging van 4 april jl waarmee u begrip voor diens uitleg bevestigd. Ten aanzien van de kwaliteit van uw werk bevestigde [naam 1] dat met dien verstande dat hij kenbaar maakte dat uw werkhouding op de werkvloer wel regelmatig tot irritatie leidt. Om dat te verduidelijken voegde collega [naam 3] zich bij het gesprek. Regelmatig legt u namelijk bij de taxateurs eenvoudig rekenwerk neer. Rekenwerk dat hoort bij juridische onderbouwing binnen uw werk. [naam 3] geeft in het gesprek aan dat ook meermaals met u te hebben besproken. Ook uw collega jurist [naam 2] ervaart irritatie, die hij weliswaar stelt aan te kunnen, waar u regelmatig werk 'afschuift' wat u niet past. U bent communiceert daarbij stellig en dominant en dat irriteert. U gaf aan 'beter te zijn in juridisch werk, dan in rekenen'. Dat kan maar zélfs waar [naam 3] u meermaals uitleg gaf en zélfs voor u een rekentool heeft gemaakt, blijft u dat werk delegeren waar het niet past. U laat u zich liever bedienen zoals u zich ook graag in een Hotel stelt te laten bedienen, concludeerde [naam 1] . Op dat laatste reageerde u 'gestoken als een bij' waarbij u aangaf het ongepast te vinden uw 'privé' te vermengen in een conclusie als gesteld. Vervolgens ging u daarin vérder door [naam 1] te 'dreigen' met: 'Als we het gaan hebben over privézaken, kan ik over jouw ( [naam 1] ) ook wel het een en ander uit de doeken doen en dan ben ik vier dagen bezig!' [naam 1] gaf u aan deze reactie buitensporig te vinden en verzocht u in overweging te nemen uw carrière elders voort te zetten. U trok uzelf terug en spuwde uw gal onder de collega's voordat u uw werkplek weer innam. [naam 1] startte een crisisberaad met de directie van [verzoekster] , de directie van [bedrijf 1] en uw collega jurist [naam 2] waarbij hij al snel besloot u in de gelegenheid te stellen uzelf te corrigeren onder uw nadrukkelijke bevestiging van de gezagsverhouding. U heeft dat voorstel resoluut en niet mis te verstaan van de hand gewezen waarna u direct op non actief bent gesteld. Nogmaals willen wij u in de gelegenheid stellen uzelf te corrigeren, uw werkhouding aan te passen, de gezagsverhouding ten aanzien van de directie, de holdingdirectie en de collega's op de werkvloer in juiste proporties te aanvaarden en deze nadrukkelijk als begrepen te bevestigen. Indien u afziet van het voorgaande aanbod, leggen wij u op voorhand de vaststellingsovereenkomst in de bijlage ter instemming voor, waarna onze wegen scheiden. 3.
  13. Op 4 november 2024 heeft [verweerster] inhoudelijk en uitgebreid gereageerd op de brief van [verzoekster] van 29 oktober 2024 en zich ziekgemeld. Hierna is de bedrijfsarts ingeschakeld. 3.
  14. Op 5 februari 2025 heeft [verzoekster] gereageerd op de beschuldigingen en kritiek uit de brief van [verweerster] van 4 november
  15. [verzoekster] heeft [verweerster] aangeboden om een mediation traject aan te gaan ten einde zaken op te lossen. 3.
  16. De bedrijfsarts heeft op 11 februari 2025 geadviseerd om in de week van 10 - 15 maart 2025 met een mediator in gesprek te gaan, waarop [verzoekster] drie mediators heeft voorgesteld. 3.
  17. [verweerster] heeft alle mediators van [verzoekster] afgewezen en aangegeven zich niet in staat te voelen om in gesprek te gaan. Zij wenste de afspraak met de bedrijfsarts van 18 maart 2025 af te wachten, voordat een eerste mediation afspraak zou worden ingezet. 3.
  18. Partijen zijn het op 11 maart 2025 wel eens geworden over de mediator, te weten [naam 4] van [bedrijf 2] . Het advies van de bedrijfsarts na het spreekuur van 18 maart 2025 was het starten van de mediation in de week van 5 – 11 mei
  19. 3.
  20. Op 10 juni 2025 is de mediation gestart en deze is op 11 juli 2025 beëindigd zonder resultaat. 3.
  21. [verzoekster] heeft na de mislukte mediation besloten de non-actiefstelling op te heffen en te laten beoordelen of er inmiddels mogelijkheden waren voor re-integratie. Hiertoe heeft [verzoekster] [verweerster] op 14 juli 2025 een e-mailbericht gestuurd, waarbij zij de arbodienst in de cc heeft meegenomen. Uit deze e-mail wordt geciteerd: Inhoudelijk kan ik hier niet op ingaan zoals je weet. Omdat wat jij hier zegt (stelt) en ik daar inhoudelijk op zou reageren, onderdeel is van de geheimhoudingsplicht die op mij rust. Waar [naam 5] van de Arbodienst hier door jou in cc wordt geïnformeerd over een aspect wat in de mediation door jou ter sprake is gebracht en onderwerp binnen de mediation was, schend jij hier op onmiskenbare wijze de op jou rustende geheimhoudingsplicht. Dat is niet best. Ik zal eens onderzoeken welke gevolgen dat heeft. 3.
  22. [verweerster] heeft op diezelfde dag gereageerd. Uit deze e-mail wordt geciteerd: Wat zeg jij nu weer? Ik wist niet eens dat [naam 5] in de cc staat. Hoe zou ik dat in godsnaam moeten weten? Jij hebt gereageerd op de mail van [naam 6] . [naam 5] is nimmer onderdeel geweest van de mailwisseling tot nu blijkbaar. Dit had ik never nooit niet kunnen weten. Jij hebt dit doelbewust gedaan om mij in diskrediet te brengen. Dit zijn hele gemene spelletjes die je speelt en mijns inziens zou dit gevolgen voor jou moeten hebben! Jij schendt hier overduidelijk de geheimhoudingsplicht en probeert mij dit in de schoenen te schuiven. Lager kun je niet zinken mijns inziens. Ik word er oprecht misselijk van, pfff. 3.
  23. Waarop [verzoekster] vervolgens reageert: Ik heb slechts iets meegedeeld. Omdat het voor de bedrijfsarts/arbodienst relevant is om te weten dat de mediation geen oplossing heeft gebracht en dat er nu niet langer sprake is van non-actief stelling, heb ik [naam 5] in cc betrokken. Een CC-bericht is toch voor jou ook bekend? Uiterst helder ook. Je beschuldigingen werp ik verre van mij als ongenuanceerd en heel erg onjuist. Eigen invulling en conclusies van jouw zijde ga ik niet in mail met jou uitdiepen. Probeer het even zakelijk te houden [verweerster] . Emotionele reacties zoals je die nu weer praktiseert, schaden jouw belangen enkel maar. Pas daar nu toch mee op; in je eigen belang. 3.
  24. Waarop [verweerster] een dag later weer als volgt reageert: De enige die mij schaadt ben jij, middels jouw leugens, intimidaties en bedreigingen. Je had een nieuwe email kunnen aanmaken voor [naam 5] in plaats van de mediaton-mailwisseling te gebruiken. Jij hebt dit dus doelbewust gedaan om mij in de val te lokken. Ik geloof niets van wat jij zegt. Je gaat wel heel ver in deze en dit doet mij allerminst goed, sterker nog, jij maakt mijn situatie uitzichtloos waardoor ik alleen maar zieker word. Het zou heel fijn zijn als jij mij met rust laat! 3.
  25. Op 1 augustus 2025 heeft [verweerster] wederom een consult bij de bedrijfsarts gehad, die onder meer adviseert: Re-integratie advies: Betrokkene verzuimt wegens een medische oorzaak. De beperkingen zijn reactief op de ervaren verstoring in de arbeidsrelatie. Betrokkene zal binnenkort starten met een aanvullende behandeling. Ik begrijp dat er tot op heden geen constructieve gesprekken zijn gevoerd met de mediator. Ik adviseer met klem de mediation zo snel mogelijk op te starten om gezamenlijk tot een constructieve oplossing te komen. 3.
  26. Op grond van voornoemd advies van de bedrijfsarts hebben partijen zich nogmaals tot mediator [naam 4] gewend, die heeft geprobeerd een afspraak te plannen, waarna [verweerster] heeft aangegeven een nieuwe mediator te wensen nu zij geen vertrouwen meer in [naam 4] had. 3.
  27. Op 20 augustus 2025 zijn partijen overeengekomen dat [naam 7] de nieuwe mediator kon worden. 3.
  28. Op 24 september 2025 is ook deze mediation beëindigd zonder dat partijen een oplossing hebben gevonden. 4Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 4.
  29. [verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. [verzoekster] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat de verhoudingen tussen partijen ernstig en duurzaam zijn verstoord. Volgens [verzoekster] is [verweerster] al langere tijd ontevreden over haar beloning. Partijen zijn er echter niet in geslaagd samen tot een businessmodel te komen waarin voor [verweerster] kansen lagen om haar inkomen te vergroten. Uiteindelijk zijn in een gesprek op 29 oktober 2024 de gemoederen hoog opgelopen, waarna [verzoekster] van haar verwachtte dat [verweerster] zich correct zou gedragen en de gezagsverhoudingen zou erkennen, hetgeen zij heeft geweigerd. Hierna heeft [verzoekster] [verweerster] op non-actief gesteld en heeft [verweerster] zich een aantal dagen later ziekgemeld. Partijen hebben elkaar vervolgens over en weer ernstige verwijten gemaakt. Naar aanleiding van adviezen van de ingeschakelde bedrijfsarts is tot twee keer toe een mediation poging gedaan, welke pogingen niet hebben geresulteerd in enige oplossing voor het ontstane conflict. [verzoekster] ziet, mede gelet op de toon en de verwijten van [verweerster] in haar correspondentie aan het adres van [verzoekster] en met name aan [naam 1] , geen andere mogelijkheid meer dan een beëindiging van de arbeidsrelatie. 4.
  30. [verweerster] verweert zich tegen het verzoek en verzoekt te kantonrechter, het ontbindingsverzoek van [verzoekster] af te wijzen, dan wel - indien het ontbindingsverzoek van [verzoekster] wel wordt toegewezen - voor recht te verklaren dat [verweerster] aanspraak kan maken op de wettelijke transitievergoeding zoals vermeld in artikel 7:673 BW en dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld dan wel heeft nagelaten als bedoeld in artikel 7:671b lid 9 sub c BW en [verzoekster] te veroordelen tot betaling binnen 30 dagen na einde dienstverband aan [verweerster] van een transitievergoeding ter hoogte van € 6.609,02 bruto en een billijke vergoeding ter hoogte van € 200.000 bruto, te verklaren voor recht dat [verweerster] niet gebonden is aan het concurrentie- en/of relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] . Uitsluitend voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoekster] , het concurrentie- en relatiebeding op grond van artikel 7:653 lid 3 BW geheel, dan wel gedeeltelijk te vernietigen nu [verweerster] door die bedingen onbillijk wordt benadeeld. [verzoekster] te veroordelen om binnen 30 dagen na einde dienstverband over te gaan tot het opstellen, verstrekken en betalen van een correcte eindafrekening met inbegrip van betaling van de verschuldigde vakantiebijslag (over 100% van het loon), de opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen (40 uur uit 2024, 153,6 uur uit 2025 en het nog op te bouwen saldo vakantiedagen over de periode dat [verweerster] in 2026 nog in dienst is bij [verzoekster] ) en de kerstbonus 2025 van 6% van het (100%) bruto jaarloon (voor zover dat op het moment van de eindafrekening nog niet is gebeurd). [verzoekster] te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van de beschikking over te gaan tot betaling aan [verweerster] van: i. niet betaald loon over wachtdagen en verschil tussen het betaalde en 100% van het loon (inclusief vakantiebijslag tot en met mei 2025) over de periode 4 november 2024 tot en met oktober 2025, ten bedrage van € 20.242,30 bruto; en ii. vergoeding gemaakte reiskosten naar bedrijfsarts ten bedrage van € 168,36 netto;iii. de diverse bonussen, ter hoogte van € 607,50 bruto, € 2.787,50 bruto, € 10.000 bruto, € 3.262 bruto;alsmede [verzoekster] te veroordelen om vanaf november 2025 tot aan het einde van het dienstverband tussen partijen het volledige (100%) loon te betalen, ter hoogte van een bedrag van € 4.797,17 bruto vermeerderd met 8% vakantiebijslag, alsmede de kerstbonus 2025 van 6% van het (100%) bruto jaarloon. Uitsluitend voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat voornoemd verzoek niet kan worden toegewezen, verzoekt [verweerster] [verzoekster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.135,63 bruto, te weten het verschil over tussen 4 november 2024 en 14 juli 2025 betaalde loon en 100% van het loon over die periode (inclusief het verschil in vakantiebijslag tot en met mei 2025). [verzoekster] te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van de wettelijke verhoging vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor bij c. en d. genoemde bedragen en verzoeken tot aan de dag der algehele voldoening; [verzoekster] te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor bij a., c., d. en g. genoemde bedragen en verzoeken tot aan de dag der algehele voldoening; [verzoekster] te veroordelen tot betaling aan [verweerster] een bedrag van € 12.638,58 (inclusief BTW) aan advocaatkosten, althans - indien de kantonrechter deze niet toewijsbaar acht - [verzoekster] te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde van [verweerster] daaronder begrepen alsmede de nakosten. 4.
  31. [verweerster] voert ter onderbouwing – samengevat – het volgende aan. Zij betwist niet dat er sprake is van een verstoring in de arbeidsverhouding. Echter, [verzoekster] , en dan met name [naam 1] , heeft er met zijn intimiderende gedrag, alsmede de wijze van bejegening in de e-mails en tijdens het ziektetraject voor gezorgd dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt. Als men de e-mailcorrespondentie leest zal men wellicht van mening zijn dat ook [verweerster] niet altijd op de beste manier heeft gereageerd, maar daarbij moet wel rekening worden gehouden met dat zij ziek is (en PTSS heeft), het continue uitlokken en prikken door [naam 1] in de correspondentie én dat [verweerster] de werknemer is, aldus [verweerster] . Van [verzoekster] mag worden verwacht dat zij als werkgever de-escaleert, dat heeft zij nagelaten. De ingezette mediation was voor [verzoekster] slechts een afvinkpunt om de beëindiging te realiseren, zeker gezien de e-mails en beschuldigingen die in de tussentijd aan [verweerster] werden verzonden die de verhoudingen enkel verder onder druk zetten. [verzoekster] heeft volgens [verweerster] ernstig verwijtbaar gehandeld en is daarom, als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, aan haar een billijke vergoeding verschuldigd. [verweerster] verzoekt daarnaast op grond van artikel 7:653 lid 4 BW voor recht te verklaren dat [verzoekster] geen rechten ontlenen aan het tussen partijen overeengekomen concurrentie- en relatiebeding omdat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Tot slot maakt zij ook aanspraak op een werkelijke proceskosten veroordeling, omdat zij van mening is dat [verzoekster] in strijd met goed werkgeverschap en ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. 5De beoordeling van het verzoek 5.
  32. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. 5.
  33. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Geen opzegverbod van toepassing 5.
  34. De kantonrechter stelt vast dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] , reden waarom het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing is. Ontbinding als gevolg van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding 5.
  35. De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt gemotiveerd. 5.
  36. Partijen zijn het erover eens dat de verhoudingen verstoord zijn geraakt. [verweerster] verwijt [verzoekster] , en met name [naam 1] , deze verstoring te hebben veroorzaakt. De kantonrechter stelt vast dat tot het gesprek op 29 oktober 2024 geen sprake was van een verstoring tussen partijen. Weliswaar werd sinds het voorjaar van 2024 zonder resultaat gesproken over een nieuw te starten business model en diverse mogelijkheden voor [verweerster] en haar collega [naam 2] om meer inkomen te generen en is er eerder een incident geweest tussen [naam 1] en [verweerster] , maar niet kan worden vastgesteld dat in deze periode of daarvoor de verhoudingen tussen partijen al in enige mate verstoord zijn geraakt. In het gesprek van 29 oktober 2024 zijn de gemoederen echter zo hoog opgelopen dat [verzoekster] aanleiding heeft gezien [verweerster] , door haar houding en uitspraken, op non-actief te stellen. [verzoekster] verwijt haar gezagsondermijnend en respectloos gedrag alsmede nodeloos grievende uitspraken. [verweerster] was op haar beurt dusdanig ontdaan van de uitspraken en verwijten van [verzoekster] , in de persoon van [naam 1] , dat zij zich enkele dagen later ziek heeft gemeld. Partijen hebben elkaar na dit gesprek uitvoering op de hoogte gesteld van elkaars standpunt in de brieven van 29 oktober 2024 van [verzoekster] en van 4 november 2024 van [verweerster] . Daarna is de bedrijfsarts betrokken en hebben partijen op advies enige tijd geen contact gehad. [verzoekster] heeft echter begin februari 2025 aanleiding gezien te reageren op de brief van [verweerster] van 4 november
  37. Uit de rapporten van de bedrijfsarts blijkt dat telkens nog sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie en wordt geadviseerd in gesprek te gaan. In de tussentijd sturen partijen elkaar over en weer uitgebreide correspondentie met stevige verwijten. Op geen moment lijkt echt sprake van een positieve wending. Op advies van de bedrijfsarts is tot tweemaal toe mediation opgestart, maar ook hier is geen positief resultaat behaald. Partijen hebben kennelijk geen mogelijkheden gezien om samen tot een oplossing te komen om de arbeidsrelatie voort te zetten en ook hebben zij geen overeenstemming bereikt om in overleg tot een einde van de arbeidsovereenkomst te komen. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie waarbij niet langer kan worden verwacht deze nog voort te zetten. 5.
  38. Herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn ligt gelet op de aard van de verstoring van de arbeidsrelatie niet in de rede. 5.
  39. De conclusie is daarom dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 februari
  40. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. Geen billijke vergoeding 5.
  41. [verweerster] heeft gesteld dat de verstoring van de arbeidsrelatie volledig is te wijten aan [verzoekster] . Daarmee heeft [verzoekster] volgens [verweerster] ernstig verwijtbaar gehandeld en heeft zij recht op toekenning van een billijke vergoeding. 5.
  42. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerster] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. In dit geval is geen sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt gemotiveerd. 5.
  43. [verweerster] heeft gesteld dat sprake is van laakbaar gedrag van de werkgever waardoor de verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan. Het laakbare gedrag volgt volgens [verweerster] uit de bejegening door [naam 1] in het algemeen, de intimiderende wijze waarop het gesprek op 29 oktober 2024 door [naam 1] is gevoerd. Het feit dat [verzoekster] toen direct alles “op slot” heeft gezet, door [verweerster] direct op non-actief te stellen en naar huis te sturen alsmede collega’s en relaties daarvan op de hoogte te stellen. De handelingen tijdens de ziekteperiode van [verweerster] , waaronder het versturen van een brief op 5 februari 2025, met een inhoud “waarvan de honden geen brood lusten” met onder andere diverse beschuldigingen, terwijl de bedrijfsarts had geadviseerd om geen contact te hebben tussen werkgever en werknemer. Het gedrag en handelen van [verzoekster] in de rest van de ziekteperiode, waaronder de vele e-mails met laakbare en opstokende inhoud, ook nog op de meest onmogelijke tijdstippen. De inhoud van de e-mails van [verzoekster] in de periode na afsluiting van de eerste mediation waarmee vooral “olie op het vuur werd gegooid” in plaats van te proberen de verhouding te herstellen. 5.
  44. [verzoekster] heeft betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Zij voert aan dat zij juist heeft geprobeerd om het contact te herstellen en aan alle adviezen van de arbo-arts heeft meegewerkt, waaronder het tot tweemaal toe inzetten op mediation. In meerdere e-mails van haar zijde heeft [verzoekster] geprobeerd de situatie te de-escaleren. [verweerster] daarentegen heeft met haar verwijten aan het adres van [naam 1] , de beschuldigingen van grensoverschrijdend, kwetsend, agressief en opvliegend gedrag, de arbeidsverhouding zelf in toenemende mate verstoord. 5.
  45. Uit hetgeen partijen hebben overgelegd en ter zitting hebben toegelicht valt op te maken dat zij elkaar over en weer stevige verwijten maken. Niet alleen [verzoekster] is soms fel in haar correspondentie maar ook [verweerster] uit stevige verwijten aan [verzoekster] en met name [naam 1] . [verzoekster] heeft [verweerster] na de ziekmelding op 4 november 2024 met rust gelaten tot haar brief van 5 februari 2025, hetgeen een reactie was op de brief die [verweerster] op 4 november 2024 stuurde. Vervolgens heeft [verzoekster] meegewerkt aan de adviezen van de bedrijfsarts en mediation ingezet wanneer dat werd geadviseerd. [verweerster] kon de correspondentie van [verzoekster] lezen op het moment dat zij daar aan toe was. [verweerster] was weliswaar ziek thuis, maar haar ziekte was, voor zover bij de kantonrechter bekend, gerelateerd aan de verstoorde arbeidsrelatie, waaraan in het kader van herstel en re-integratie op advies van de bedrijfsarts gewerkt moest worden. [verweerster] heeft weliswaar gesteld dat zij als gevolg van dit conflict PTSS heeft opgelopen maar dat heeft zij onvoldoende onderbouwd en volgt ook niet uit de brief van de psycholoog die zij heeft overgelegd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, reden waarom de door [verweerster] verzochte billijke vergoeding wordt afgewezen. 5.
  46. [verzoekster] hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden. Verzoeken [verweerster] 5.
  47. [verweerster] heeft bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst diverse tegen-/ nevenverzoeken gedaan. Over de deze verzoeken van [verweerster] wordt het volgende overwogen. Relatie en concurrentiebeding 5.
  48. [verweerster] verzoekt de kantonrechter om het relatie- en concurrentiebeding te vernietigen. [verweerster] stelt dat [verzoekster] haar liever kwijt dan rijk is en de ontbinding haar verzoek plaatsvindt. Als [verzoekster] al een belang heeft bij handhaving van concurrentie- en relatiebeding ten aanzien van een werknemer die zij liever kwijt dan rijk is, geldt dat het belang van [verweerster] bij ontheffing c.q. vernietiging van het concurrentie- en relatiebeding groter is, omdat zij daardoor onbillijk wordt benadeeld, aldus [verweerster] . Zij is jurist en zal ook in die branche een nieuwe werkkring moeten zoeken. Het beding zou voor [verweerster] in feite betekenen dat zij binnen één jaar na einde arbeidsovereenkomst niet bij een ander juridisch adviesbureau zou kunnen werken. 5.
  49. [verzoekster] heeft zich verzet tegen het vernietigen van het relatie- en concurrentiebeding althans het ontheffen van [verweerster] uit dit beding. Zij voert aan dat niet is gebleken dat [verweerster] onbillijk wordt benadeeld door handhaving van de bedingen. Bovendien zijn deze bedingen rechtsgeldig overeengekomen. Echter, [verzoekster] is bereid om in geval van ontbinding, [verweerster] uit het concurrentiebeding te ontslaan. 5.
  50. Omdat [verzoekster] bereid is [verweerster] te ontslaan uit het concurrentiebeding in geval van ontbinding, waarvan in dit geval sprake is, zal zij aan dit beding niet langer worden gehouden. De kantonrechter ziet geen aanleiding tot vernietiging van het relatiebeding, omdat het rechtsgeldig is overeengekomen en [verweerster] op geen enkele manier heeft onderbouwd dat het onbillijk is om haar aan dit beding te houden. Daarbij is [verweerster] werkzaam in een niche en zijn er voldoende andere mogelijkheden om als jurist werkzaam te zijn zonder het relatiebeding te schenden. Bonussen 5.
  51. [verweerster] verzoekt om [verzoekster] te veroordelen tot betaling van de bonussen waar zij recht op heeft, te weten: - De “class action” bonus van 5% van € 48.600:25% ter zake cliënt [naam 8] , op grond van artikel 4 sub D arbeidsovereenkomst, te weten € 607,50 bruto; - De “class action” bonus van 5% van € 223.000:25% ter zake cliënt [naam 9] te weten € 2.787,50 bruto; - de misgelopen bonus van 10% ter zake cliënt [naam 10] (op grond van het Whatsappgesprek op 28 oktober 2024 met [naam 1] waarin hij aangeeft dat sprake is van 10% omzetprovisie. De reële inschatting is: in totaal 400 dossiers, waarvan [verweerster] er dan 200 zou behandelen (ze waren immers met 2 juristen die deze dossiers konden behandelen), 200 dossiers x € 500 = € 100.000 x 10% = € 10.000 bruto. - De kerstbonus 2024: 6% van het bruto jaarloon ad. € 54.376,68 bruto = € 3.262,00 bruto. - De kerstbonus 2025 van 6% (althans het percentage dat aan de overige collega’s wordt betaald) van het (volledige) bruto jaarloon in december 2025; 5.
  52. [verzoekster] heeft betwist dat [verweerster] recht heeft op alle hierboven genoemde bonussen. Wat betreft de verzochte ‘class actionbonus’ voert [verzoekster] aan dat het om rechtszaken moet gaan waarbij voor een groep collectief schade wordt geclaimd en bij succes wordt verzilverd. Deze zaken heeft [verweerster] volgens haar nooit gevoerd, en hiervan was in de twee gevallen die [verweerster] stelt geen sprake. Dit waren zaken voor individuele cliënten. Wat betreft de klant [naam 10] , is deze zaak pas opgestart toen [verweerster] al arbeidsongeschikt was en heeft zij hiervoor geen werkzaamheden verricht. Tot slot is deze zaak nog lopend en is daarom nog helemaal niet zeker of hier enig resultaat wordt gehaald Wat betreft de door [verweerster] verzochte kerstbonussen voert [verzoekster] aan dat dit geen vaste secundaire voorwaarde is, zoals een dertiende maand. Deze bonus wordt enkel uitgekeerd bij goede resultaten van [bedrijf 1] . Of, aan wie en welke bonus wordt uitbetaald is aan [verzoekster] . 5.
  53. Ten aanzien van de ‘class actionbonus’ is een specifieke bepaling opgenomen in de arbeidsovereenkomst. [verweerster] heeft op geen enkele manier onderbouwd dat partijen overeenstemming hadden over het feit dat bij de door haar genoemde klanten sprake was van een dergelijke zaak die onder deze bepaling viel. Te meer nu in de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat: “Werknemer en werkgever leggen de aanspraak op deze vergoeding telkens vast in een separate bonusovereenkomst.” had het op de weg van [verweerster] gelegen dit nader te onderbouwen. Wat betreft de verzochte bonus voor de klant [naam 10] heeft [verweerster] niet onderbouwd dat zij hiervoor enige werkzaamheden verricht, dan wel dat de omzet/winst over deze klant het door haar genoemde bedrag bedraagt. [verzoekster] heeft bovendien weersproken dat er al enige omzet op deze klant is behaald en aangevoerd dat het veel minder dossier betreft dan het door [verweerster] genoemde aantal van 400 dossiers. [verweerster] heeft haar verzoek op dit punt onvoldoende onderbouwd en daarom wordt het afgewezen.Tot slot de verzochte Kerstbonussen over de jaren 2024 en
  54. Over de aanspraak op een dergelijke bonus staat niets opgenomen in de arbeidsovereenkomst, evenmin heeft [verweerster] onderbouwd op welke (andere) grond zij recht heeft op deze bonus. Het overgelegde whatsapp gesprek van 21 november 2024 onderbouwt onvoldoende dat alle werknemers een Kerstbonus uitgekeerd hebben gekregen. Er volgt ook niet uit om welk bedrag of percentage het zou gaan. [verweerster] heeft, gelet op het voorgaande, haar verzoek op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat het wordt afgewezen. 100% loonbetaling over ziekteperiode 5.
  55. [verweerster] stelt loonschade te hebben geleden. Deze bestaat uit het loon over de twee wachtdagen die [verzoekster] heeft toegepast en het verschil tussen 100% van het loon en de betaalde 70%. [verweerster] stelt dat zij door het handelen [verweerster] ziek is geworden en heeft zij zich ziek heeft moeten melden vanaf 4 november
  56. [verzoekster] heeft vervolgens twee wachtdagen toegepast (dus twee dagen geen loon betaald) en vervolgens 70% van het loon betaald. De twee wachtdagen heeft [verzoekster] nooit eerder bij [verweerster] toegepast en ook niet bij andere werknemers. Als [verzoekster] als goed werkgever had gehandeld, had [verweerster] zich niet ziek hoeven melden en had zij gewoon 100% van haar loon ontvangen. 5.
  57. [verzoekster] heeft betwist dat zij nog loon aan [verweerster] is verschuldigd. De toegepaste wachtdagen, alsmede de betaling van 70% van het loon bij ziekte volgen uit de arbeidsovereenkomst, er is aldus geen grondslag voor de betaling van de door [verweerster] verzochte bedragen. Dat zij bij eerdere gevallen van (kortdurende) ziekte wel 100% van het salaris heeft betaald kan niet leiden tot de verplichting om dat in dit geval ook te doen. 5.
  58. De kantonrechter is met [verzoekster] van oordeel dat [verweerster] geen aanspraak kan maken op nabetaling van loon over de twee wachtdagen of een aanvulling tot 100% van haar loon, omdat uit de arbeidsovereenkomst, waarin wordt verwezen naar de wet, volgt dat [verzoekster] bij ziekte twee wachtdagen mag toepassen en er bij arbeidsongeschiktheid 70% van het loon wordt uitbetaald. Bovendien is niet gebleken dat de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] aan [verzoekster] kan worden verweten, alleen al omdat hiervoor reeds is vastgesteld dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Dit verzoek wordt daarom afgewezen. Reiskosten bedrijfsarts 5.
  59. [verweerster] verzoekt betaling van een bedrag van € 168,36 aan reiskosten voor de bezoeken aan de bedrijfsarts. Zij legt aan dit verzoek ten grondslag dat [verzoekster] op grond van artikel 7:611 BW is gehouden deze kosten te voldoen. 5.
  60. [verzoekster] betwist dat zij deze kosten moet vergoeden. Niet alleen heeft [verweerster] ook voor een telefonisch consult reiskosten berekend, waardoor haar berekening onjuist is, maar zij heeft ook nooit eerder om een dergelijke vergoeding gevraagd. 5.
  61. De kantonrechter ziet geen aanleiding om in dit geval op grond van artikel 7:611 BW de reiskosten voor de bezoeken aan de bedrijfsarts toe te wijzen, te meer nu [verweerster] niet eerder om vergoeding van deze kosten heeft gevraagd of in een eerder geval deze kosten vergoed heeft gekregen. Eindafrekening 5.
  62. [verweerster] verzoekt om bij het einde van de arbeidsovereenkomst een correcte eindafrekening op te stellen en uit te betalen. [verweerster] stelt dat er in de eindafrekening de volgende punten moeten worden meegenomen: - Uitbetaling van opgebouwde vakantiebijslag (8%), over 100% van het loon (niet over 70%); - Uitbetaling van het correcte saldo aan opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen, te weten 40 uur resterend uit 2024 en 153,60 uur uit 2025, alsmede de nog op te bouwen vakantiedagen over de periode dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt in
  63. - Uitbetaling van de kerstbonus 2025 van 6% van het (volledige) bruto jaarloon, voor zover dat op het moment van de eindafrekening nog niet is gebeurd. 5.
  64. Ter zitting is besproken dat er over december 2024 een saldo van 36 uren ten onrechte is geboekt als vakantie. Deze uren zullen bij het saldo aan vakantie-uren over 2024 worden opgeteld en uitbetaald. Zoals hiervoor is overwogen heeft [verweerster] geen recht op betaling van de kerstbonus over
  65. Ook is er geen grondslag voor betaling van het vakantiegeld over 100% van het salaris, omdat hiervoor is overwogen dat [verweerster] geen recht heeft op betaling van 100% van het salaris. [verzoekster] zal met in achtneming van het voorgaande bij het einde van de arbeidsovereenkomst een correcte eindafrekening moeten opstellen, zoals gebruikelijk. Transitievergoeding 5.
  66. Nu er wordt ontbonden op grond van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding heeft [verweerster] recht op een transitievergoeding. [verweerster] heeft de transitievergoeding berekend op een bedrag van € 7.377,68 bruto. Dit bedrag heeft zij gebaseerd op een totaal bruto maandloon van € 5.783,
  67. In dit bedrag zitten de door haar verzochte bedragen aan bonussen voor een bedrag van € 602,49 bruto. Hiervoor is geoordeeld dat [verweerster] geen recht heeft op deze bonussen, reden waarom de transitievergoeding moet worden berekend met een bruto maandloon van € 5.180,97, waarmee de transitievergoeding uitkomt op een bedrag van € 6.609,02 bruto. [verzoekster] heeft dit bedrag niet betwist. [verzoekster] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan transitievergoeding. Wettelijke rente 5.
  68. [verweerster] heeft verzocht de wettelijke rente toe te wijzen over de door [verzoekster] te betalen bedragen vanaf het moment van opeisbaarheid tot het moment van volledige betaling. De kantonrechter zal de verzochte wettelijke rente toewijzen. Proceskosten 5.
  69. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat het verzoek tot ontbinding van [verzoekster] wordt toegewezen. Er is geen aanleiding om [verzoekster] in de werkelijke proceskosten te veroordelen. Niet alleen is er geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van [verzoekster] , ook al zou dat zo zijn geweest heeft [verweerster] geen bijzondere omstandigheden gesteld als gevolg waarvan haar verzoek op dit punt moet worden toegewezen, slechts in heel uitzonderlijke gevallen kan hiervan sprake zijn. Dat is hier niet aan de orde. 6De beslissing De kantonrechter op het verzoek 6.
  70. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2026, 6.
  71. veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerster] een transitievergoeding te betalen van € 6.609,02 bruto, 6.
  72. veroordeelt [verzoekster] tot het opstellen van een correcte eindafrekening, een en ander met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.27 en 5.28, 6.
  73. veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de wettelijke rente over de aan [verweerster] verschuldigde bedragen vanaf het moment van opeisbaarheid tot het moment van volledige betaling, 6.
  74. verklaart voor recht dat [verzoekster] [verweerster] niet zal houden aan het concurrentiebeding, zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst, 6.
  75. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, 6.
  76. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, 6.
  77. wijst het meer of anders verzochte af, Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 17 december
  78. 32548 / 560 Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 7:669 lid 1 BW. Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW. Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse). Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.