RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/075832-25 Datum uitspraak : 15 september 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsman: mr. B. Tijsterman, advocaat in Tilburg. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 2 juni 2023 te [plaats] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn vingers en/of zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] , waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte - op een dreigende en/of dwingende toon tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij, verdachte, wel ging bepalen wat er zou gebeuren en/of dat zij moest meewerken, althans woorden van soortgelijke aard en strekking en/of- die [slachtoffer] meermaals met kracht in haar gezicht heeft geslagen en/of meermaals met zijn handen in haar keel heeft geknepen en/of- misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht op die [slachtoffer] en/of - voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] .
- Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Zowel aangeefster [slachtoffer] als verdachte hebben verklaard dat zij op 2 juni 2023 seks hebben gehad in de woning van aangeefster in [plaats] . De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of deze seks vrijwillig was, zoals verdachte verklaart, of dat verdachte aangeefster hiertoe gedwongen, zoals aangeefster heeft verklaard. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat er geen bewijs is dat de seks tussen aangeefster en verdachte onvrijwillig was en onder dwang zou hebben plaatsvonden. De verklaring van aangeefster is niet betrouwbaar, omdat zij op onderdelen aantoonbaar onjuist heeft verklaard, en de verklaringen van de getuigen passen ook in het alternatieve scenario, dat verdachte na de vrijwillige seks de affaire met aangeefster heeft verbroken. Beoordeling door de rechtbank De beoordeling van het bewijs Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich in het algemeen kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerdelijke) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dit maakt dat extra zorgvuldig naar de waardering van de afgelegde verklaringen moet worden gekeken, zeker als het, zoals in dit geval, een ontkennende verdachte betreft. Ook in dit geval is er geen getuige die de vermeende seksuele handelingen heeft waargenomen. De verklaring van aangeefster De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is. De rechtbank overweegt dat aangeefster zeer kort na het incident aan twee personen (getuigen [getuige] en [getuige] ) heeft verteld wat haar is overgekomen. Verder heeft zij haar verhaal gedaan bij de politie, eerst in het informatieve gesprek en daarna in haar aangifte. Haar verklaringen zijn op hoofdlijnen consistent. Verder heeft zij zeer gedetailleerd verklaard. Bovendien wordt haar verklaring, in tegenstelling tot die van verdachte, op onderdelen ondersteund door objectieve bewijsmiddelen in het procesdossier. Aangeefster heeft namelijk verklaard dat zij tegen verdachte had gezegd dat hun affaire voorbij was. Uit het procesdossier blijkt dat zij dit ook heeft gezegd in een bericht aan verdachte. Getuigen [getuige] en [getuige] bevestigen dat aangeefster de affaire wilde beëindigen. Verdachte heeft daarentegen verklaard dat híj degene was die de affaire heeft beëindigd, en dat hij dit pas deed nadat zij op 2 juni 2023 seks hadden gehad. Verder heeft aangeefster verklaard dat verdachte jaloers gedrag vertoonde. Uit het procesdossier blijkt dat verdachte in de periode van 31 mei 2023 tot en met 2 juni 2023 in totaal 42 keer heeft gebeld naar aangeefster, zowel met zijn werk- als met zijn privételefoon, maar dat zij telkens niet opnam. Daarnaast bevat het procesdossier een groot aantal berichten van verdachte aan aangeefster die op een boze of anderszins negatieve toon lijken te zijn geschreven. In die berichten rekent verdachte aangeefster van alles aan, van haar contact met andere mannen tot haar (vermeende) leugenachtigheid. Aangeefster geeft in de berichten meerdere malen aan dat de affaire wat haar betreft voorbij is. Naar het oordeel van de rechtbank bevestigt dit de verklaring van aangeefster dat verdachte jaloers was, het niet wilde accepteren dat aangeefster de affaire had beëindigd en haar mede daarom vervelende berichten stuurde. Dit strookt niet met de verklaring van verdachte, dat hij het beste met aangeefster voor had en enkel geïrriteerd was dat ze tegen hem loog. Tot slot heeft aangeefster verklaard dat ze niet wist wie er voor haar deur stond toen de deurbel ging. Dit wordt ondersteund door een WhatsApp-gesprek met [getuige] , waarin aangeefster op de dag van het tenlastegelegde laat weten dat haar voordeurbel ging, maar dat ze niet wist wie het was. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van aangeefster dan ook voldoende betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs. Er is naar het oordeel van de rechtbank bovendien geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat aangeefster, als gevolg van het beëindigen van hun affaire door verdachte, uit rancune of een andere emotie een valse verklaring zou hebben afgelegd. Steunbewijs Van belang voor de beoordeling is vervolgens dat op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan worden gebaseerd op grond van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ertoe de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechtbank verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de feiten en omstandigheden waarover een aangever verklaart op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Volgens de Hoge Raad betekent de bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv in zedenzaken, waarin het in de kern vaak gaat om het woord van aangever tegen dat van de verdachte, niet dat vereist is dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer die verklaring op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. De bewijsmiddelen dienen voldoende steun te geven aan de verklaring van aangever (getuige). Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van die getuige, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. Als het aanvullend bewijsmateriaal alleen is aan te merken als een onderbouwing van de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster, geeft deze daaraan in het licht van artikel 342 lid 2 Sv onvoldoende steun. Dat geldt bijvoorbeeld als het aanvullend bewijs bestaat uit een ‘de auditu’-verklaring, inhoudende een weergave van wat de ‘bron’ aan de betrokken getuige heeft verteld. Indien een verklaring van een getuige daarentegen (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van de aangeefster op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, kan die waarneming voldoende steunbewijs opleveren voor het bewezenverklaarde. De rechtbank zal dus moeten beoordelen of voor de verklaringen van aangeefster voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Aangeefster stuurde op 2 juni 2023 om 13:55:57 uur het bericht ‘Weer de deurbel’ naar [getuige] (de rechtbank begrijpt: [getuige] ). Vervolgens belde aangeefster om 14:07:10 uur ongeveer 10 minuten met [getuige] (de rechtbank begrijpt: [getuige] ). Om 14:18:03 uur belt ze ook naar [getuige] . Hieruit leidt de rechtbank af dat de seks met verdachte tussen 13:55:57 uur en 14:07:10 uur plaats moet hebben gevonden. Aangeefster heeft getuigen [getuige] en [getuige] dus zeer kort na het incident gebeld. Getuige [getuige] heeft hierover verklaard dat aangeefster haar rond kwart over twee belde en met geknepen stem zei: ‘Hij heeft mij verkracht’. Getuige [getuige] heeft verklaard dat ze door aangeefster werd gebeld. Aangeefster was overstuur en huilde. Beide getuigen hebben dus zeer kort na het incident zelf gehoord dat aangeefster emotioneel was. Daarna zijn zij beiden naar de woning van aangeefster gegaan. Daar vertelde aangeefster hen dat verdachte haar had verkracht en daarbij geweld had gebruikt. Ook hier was de emotie van aangeefster hoorbaar en zichtbaar. Volgens [getuige] deed aangeefster helemaal over de zeik open, had ze rode ogen en zag ze er bang en verdrietig uit. [getuige] heeft verklaard dat aangeefster ook in de woning nog overstuur was. Zij zagen allebei een rode plek op de (linker)wang van aangeefster. Sinds het incident merkte [getuige] dat aangeefster in het begin overal van schrok en flauw kon vallen als ze een onverwachts geluid hoorde. [getuige] vindt dat aangeefster sinds het incident onstabieler is geworden, bang is als ze alleen moet zijn en een soort van depressie heeft. Gelet hierop bevat het procesdossier naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. Dat aangeefster slechts emotioneel was doordat verdachte de affaire zojuist had beëindigd, zoals de verdediging heeft aangevoerd, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk, gelet op alles wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen. Bovendien verklaart deze lezing de rode plek op de linkerwang van aangeefster niet, nu verdachte uitdrukkelijk heeft ontkend haar in het gezicht te hebben geslagen. Voorts acht de rechtbank het niet aannemelijk dat deze plek is ontstaan doordat verdachte tijdens de (volgens hem) vrijwillige seks op initiatief van aangeefster een hand op haar mond heeft gelegd. Dat politie of medici, die aangeefster in de avond van 2 juni 2023 hebben onderzocht, niets rapporteren over deze plek doet hier niet aan af, omdat het heel goed denkbaar is dat de roodheid tegen die tijd al was verdwenen. De bewijsmiddelen [slachtoffer] (aangeefster), die in [plaats] woont, heeft verklaard dat verdachte op vrijdag 2 juni 2023 om ongeveer 14:00 uur aanbelde bij haar woning. Aangeefster heeft hem binnengelaten en is op haar bed gaan zitten. Toen ze vroeg wat verdachte kwam doen, begon hij te schreeuwen dat ze zat te liegen. Hij zag er heel boos uit. Verdachte kleedde zich uit, deed de onderbroek van aangeefster uit en zorgde ervoor dat zijn penis stijf werd. Hij zei dat hij voor de laatste keer seks met haar wilde. Aangeefster heeft de hele tijd herhaald dat ze niet wilde, maar verdachte zei steeds: ‘Ik bepaal.’ Aangeefster probeerde zich er uit te vechten door hem weg te duwen of van het bed af te gaan, maar dat lukte niet, omdat verdachte groot en sterk is. Verdachte heeft zijn vingers in haar vagina gedaan en ze hebben seks gehad, waarbij verdachte met zijn penis in de vagina van aangeefster ging. Hij gebruikte hierbij geen condoom. Verdachte sloeg haar heel hard met de vlakke hand op haar linkerwang, omdat ze hem probeerde van zich af te duwen. Aangeefster voelde dat het hierdoor zwart voor haar ogen werd. Verdachte ging door met de seks. Ze probeerde zich er weer uit te vechten, maar verdachte drukte met zijn hand haar keel dicht. Hij zei tegen aangeefster dat ze maar mee moest werken en dat de volgende geen platte hand, maar een vuist zou zijn. Uiteindelijk heeft hij nog een keer haar keel dicht geknepen. Nadat hij stopte, heeft hij uiteindelijk zijn kleding aangetrokken en is hij weggegaan. Aangeefster heeft vervolgens [getuige] (de rechtbank begrijpt: [getuige] ) en [getuige] (de rechtbank begrijpt: [getuige] ) gebeld en hen verteld wat er is gebeurd. Zij zijn naar aangeefster gekomen. [getuige] heeft verklaard dat zij op 2 juni 2023 werd gebeld door aangeefster, die overstuur was. Ze huilde, maar [getuige] kreeg het verhaal niet meteen duidelijk. Uiteindelijk kreeg [getuige] door wat er was gebeurd en is ze naar aangeefster gegaan, omdat die bleef huilen. In haar woning vertelde aangeefster dat verdachte bij haar was geweest. Verdachte had aangeefster op de zijkant van haar hoofd geslagen en haar verkracht. Aangeefster bleef overstuur. [getuige] zag dat aangeefster een rode wang had. [getuige] heeft verklaard dat aangeefster haar op 2 juni 2023 om ongeveer kwart over twee belde. Aangeefster zei met geknepen stem: ‘Hij heeft mij verkracht.’ [getuige] hoorde dat aangeefster het eruit perste. [getuige] is naar de woning van aangeefster gegaan, waar aangeefster helemaal over de zeik de deur opendeed. Aangeefster had rode ogen en zag er bang en verdrietig uit. Aangeefster vertelde dat verdachte voor de deur stond. In de slaapkamer heeft hij haar een douw gegeven en haar een klap op de linkerwang gegeven. [getuige] zag een rode plek op de linkerwang van aangeefster. Verdachte had de keel van aangeefster dicht geknepen. Aangeefster had geprobeerd zich te verzetten, maar dan kneep verdachte steeds haar keel dicht. Aangeefster probeerde zich te verzetten tegen de verkrachting, maar toen ze merkte dat dit geen zin had, omdat verdachte te sterk was, heeft ze het maar laten gebeuren. Verdachte zei ook tegen haar: ‘Denk jij dat jij bepaalt wanneer de laatste keer is, ik bepaal wat de laatste keer is.’ Verdachte is in aangeefster klaar gekomen. Aangeefster zei: ‘Het loopt er gewoon uit.’ De beoordeling door de rechtbank Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte eerst zijn vingers en vervolgens zijn penis in de vagina van aangeefster heeft gebracht. Dit zijn handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. Aangeefster heeft meermaals gezegd dat ze geen seks wilde en heeft zich geprobeerd uit de situatie te vechten door verdachte weg te duwen of verdachte van het bed te duwen, maar verdachte is voorbij gegaan aan haar verbale en non-verbale signalen van verzet en weerstand. Bovendien verklaart aangeefster dat verdachte zo groot en sterk was dat aangeefster zich überhaupt niet uit de situatie kon vechten. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht op aangeefster. Verder was verdachte zowel verbaal als fysiek agressief richting aangeefster. Zo zei hij op dreigende en/of dwingende toon tegen haar dat hij bepaalde en dat aangeefster mee moest werken, anders zou ze niet met platte hand, maar met een vuist worden geslagen. Tot slot heeft verdachte aangeefster met kracht in haar gezicht geslagen en heeft hij meermaals in haar keel geknepen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte aangeefster heeft gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan door middel van geweld, een andere feitelijkheid en door dreiging met geweld. De rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 2 juni 2023 te [plaats] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn vingers en/of zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] , waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte - op een dreigende en/of dwingende toon tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij, verdachte, wel ging bepalen wat er zou gebeuren en/of dat zij moest meewerken, althans woorden van soortgelijke aard en strekking en/of- die [slachtoffer] meermaals met kracht in haar gezicht heeft geslagen en/of meermaals met zijn handen in haar keel heeft geknepen en/of- misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht op die [slachtoffer] en/of - voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] . Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: verkrachting 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat bij veroordeling een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan met het geweld verkrachten van het slachtoffer in haar eigen huis. Dit lijkt te zijn ingegeven doordat verdachte boos en jaloers was dat het slachtoffer hun affaire had beëindigd. Verdachte heeft zich niets aangetrokken van het verzet van het slachtoffer, zowel verbaal als non-verbaal, en had uitsluitend zijn eigen seksuele verlangens voor ogen. Daarna heeft hij zijn kleding aangetrokken en is hij weggegaan, zonder zich verder te bekommeren om het slachtoffer. De rechtbank neemt het verdachte in hoge mate kwalijk dat hij geen condoom droeg en in het slachtoffer is klaargekomen. Met zijn handelen heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Hij heeft zich in het geheel niet bekommerd om de schadelijke gevolgen van zijn gedrag voor het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort delicten hiervan nog zeer lange tijd de nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring die namens aangeefster is voorgelezen, blijkt dat dit feit ontzettend grote en verstrekkende gevolgen heeft gehad voor aangeefster. Aangeefster heeft PTSS opgelopen. Het slachtoffer voelt zich nog steeds onveilig, mede doordat verdachte haar in de dagen voorafgaand aan het feit vele nare berichten heeft gestuurd en haar 42 keer heeft gebeld. Ook het politieonderzoek heeft ze als ingrijpend ervaren. Tegen deze achtergrond vindt de rechtbank het extra pijnlijk voor aangeefster dat verdachte op geen enkel moment heeft erkend wat hij haar heeft aangedaan of hiervoor zijn verantwoordelijkheid heeft genomen, laat staan dat hij berouw, medeleven of empathie richting het slachtoffer heeft getoond. De rechtbank rekent verdachte dit ten zeerste aan. De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte Uit het strafblad van verdachte d.d. 14 juli 2025 blijkt dat hij niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie voor soortgelijke feiten. De rechtbank constateert dat artikel 63 Sr van toepassing is, gelet op de onherroepelijke strafbeschikking die op 17 mei 2024 aan verdachte is opgelegd. De rechtbank ziet hierin echter geen reden om over te gaan tot strafvermindering, gelet op de geringe hoogte van de geldboete die toen is opgelegd. Reclassering Nederland heeft op 18 augustus 2025 een advies over verdachte uitgebracht. De reclassering kan geen delictgerelateerde criminogene factoren vaststellen, omdat verdachte de verdenking ontkent. Er zijn weinig tot geen problemen geconstateerd op de diverse leefgebieden. Uit de risicotaxatie-instrumenten volgt een laag risico op herhaling. Daarom ziet de reclassering geen noodzaak voor reclasseringstoezicht. In plaats daarvan wordt een straf geadviseerd zonder bijzondere voorwaarden. Omdat aangeefster heeft laten weten dat zij een contact- en locatieverbod op prijs stelt, adviseert de reclassering dit op te leggen om haar gevoel van veiligheid te vergroten. Conclusie Gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer is de rechtbank van oordeel dat enkel een gevangenisstraf van lange duur recht doet aan deze zaak. Voor een uitsluitend voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging bepleit, ziet de rechtbank absoluut geen ruimte. De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. Gelet hierop legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf van 28 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Uit het procesdossier lijkt het handelen van verdachte voort te komen uit enerzijds woede en jaloezie omdat aangeefster hun affaire had beëindigd, anderzijds omdat hij meende dat zij hem verantwoording was verschuldigd. Verdachte wilde verhaal halen. Verdachte heeft daarbij een grove inbreuk op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer gemaakt. Daarbij heeft hij het gebruik van geweld niet geschuwd. Twee jaar na het incident is het slachtoffer nog altijd zó bang voor verdachte dat zij niet aanwezig durfde te zijn op de terechtzitting. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de medische informatie die namens het slachtoffer is overgelegd. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, als gevolg van onderhavige veroordeling, opnieuw het slachtoffer opzoekt om verhaal te halen en daarmee wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van aangeefster. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de door de reclassering geadviseerde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 254,98 aan materiële schade en € 10.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, subsidiair dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade bovenmatig is. De beoordeling door de rechtbank Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadeposten niet inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade tot een hoogte van € 254,98 kan worden toegewezen. Smartengeld Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door het bewezenverklaarde feit is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 7.500,- vaststellen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in de vordering. Wettelijke rente Verdachte is vanaf 2 juni 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 8 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat: - verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1989, zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt; - verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in een straal van 500 meter rondom de adressen: o [adres] in [plaats] en o [adres] , zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt, met dien verstande dat verdachte gebruik mag maken van de Amsterdamseweg in Arnhem, ook op dat gedeelte van de weg dat het verboden gebied doorkruist; geeft opdracht aan de politie om toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden; beveelt dat de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn; veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 254,98 aan materiële schade en € 7.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet ontvankelijk in de vordering tot smartengeld; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 254,98 aan materiële schade en € 7.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 73 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter), mr. A. Tegelaar en mr. J.L. Wesstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 september
- mr. Tegelaar is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, team Zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023245554 (onderzoek Appenijn), gesloten op 12 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 37 en verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 1 september
- Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 41-45 en proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p.
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p.
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 62-63.