← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:11815

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/012746-24 Datum uitspraak : 24 maart 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] (Togo), wonende aan [adres] . Raadsvrouw: mr. S. Mabrouk, advocaat in Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 november 2022 t/m 1 maart 2023 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 1 maart 2023 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(

  1. en)of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten- een hoeveelheid cocaïne en/of- een (of meerdere) (deal)telefoon(
  2. s)en/of- een auto en/of- (meerdere bundels) contant briefgeld in verschillende coupures voorhanden heeft gehad; 2.hij op of omstreeks 1 maart 2023 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd,in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van diewet. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feiten 1 primair en 2 zoals deze ten laste zijn gelegd. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat feit 1 primair bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van de tenlastegelegde periode, die zou moeten worden ingekort tot een periode van drie weken voorafgaand aan de aanhouding van verdachte. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 primair Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen, p. 52-53 en 56-57; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 69; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 139 en 141; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 144-147; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 154-157; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2025. De pleegperiode Op de privételefoon van verdachte is een notitie aangetroffen van 7 februari 2023, waarop een zogeheten ‘poflijst’ is bijgehouden, te weten een lijst van afnemers die op de pof drugs hadden gekocht en hiervoor nog moesten betalen. Ook is in deze notitie bijgehouden hoeveel er is verkocht en aan wie. Verdachte heeft verklaard dat hij ongeveer twee weken betrokken was bij de handel in cocaïne. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat verdachte in ieder geval in de periode van 1 februari 2023 tot en met 1 maart 2023 meermaals heeft gehandeld in cocaïne. Van het overige zal verdachte worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van het bericht van 20 november 2022 dat zich in het dossier bevindt, onvoldoende specifiek is om te kunnen dienen als wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich toen ook al bezighield met de handel in cocaïne. De uitspraken van verdachte in dat bericht zijn op meerdere manieren te interpreteren. Medeplegen Op de bijrijdersstoel van de auto waarin verdachte werd aangehouden, lag een telefoon. Op die telefoon is een Signal-gesprek aangetroffen tussen ‘ [verdachte] ’ en ‘ [medeverdachte 1] ’. Verdachte heeft verklaard dat hij [verdachte] is en de politie heeft vastgesteld dat [medeverdachte 1] de account is van de privételefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] . Ze spreken middels versluierd taalgebruik over cocaïne en spreken op 1 maart 2023 af bij [adres] in Nijkerkerveen. Dat is in de buurt van de locatie waar verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] uiteindelijk zijn aangehouden. Bovendien hadden verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] diezelfde dag tussen 8:14 uur en 9:18 uur meer dan tien keer telefonisch contact met elkaar. Daarnaast heeft de politie waargenomen dat verdachte die ochtend in persoon contact had met medeverdachte [medeverdachte 1] , toen ze naast elkaar op de locatie bij [adres] stonden geparkeerd en medeverdachte [medeverdachte 1] bij verdachte in de auto stapte. Vervolgens zag de politie handelingen die erop leken dat er zaken werden overgegeven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en in ieder geval medeverdachte [medeverdachte 1] . De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen. Feit 2 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen, p. 52-53 en 56; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 69; - het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 179-181; - het NFI-rapport, p. 201; - het NFI-rapport, p. 202; - het NFI-rapport, p. 203; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2025. Medeplegen De rechtbank constateert dat aan medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het vervoeren, dan wel het bezit, van een andere hoeveelheid cocaïne ten laste is gelegd dan aan verdachte. Daarom spreekt de rechtbank hem vrij van het tenlastegelegde medeplegen. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. primair hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2023 t/m 1 maart 2023 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.hij op of omstreeks 1 maart 2023 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd,in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van diewet. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat met betrekking tot feit 1 primair en feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet uiteenloopt. Het bewezenverklaarde levert op: eendaadse samenloop van feit 1 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft oplegging van een geheel voorwaardelijke straf bepleit, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, het feit dat artikel 63 Sr van toepassing is en het feit dat de hulpverlening rondom verdachte niet moet worden doorkruist. Deze hulpverlening is in het kader van een BBA-traject opgestart en sinds de recente invrijheidstelling na een relatief langere gevangenisstraf in een andere zaak, gecontinueerd. Verdachte laat zien dat hij baat heeft bij deze hulpverlening. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het verkopen, verstrekken en afleveren van cocaïne in een periode van een aantal weken. Daarnaast heeft hij op de dag van zijn aanhouding cocaïne vervoerd. Dit zijn ernstige strafbare feiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen ontzettend slecht zijn voor de volksgezondheid. De handel hierin houdt een netwerk van criminaliteit in stand en gaat vaak gepaard met ander strafbaar gedrag, zoals geweld. Daarom wordt er door politie en justitie hard tegen drugscriminaliteit opgetreden. Het wordt verdachte aangerekend dat hij zich hiermee heeft ingelaten. De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte Uit het strafblad van verdachte d.d. 19 februari 2025 blijkt hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank constateert dat artikel 63 Sr van toepassing is, nu verdachte op 3 april 2023 is veroordeeld door de kantonrechter in Amsterdam en op 8 maart 2024 door de meervoudige kamer in Gelderland. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte bij stichting [verblijfsplaats] in [plaats] begeleid woont en zes dagen per week werkt. In het kader van een andere straf zijn bijzondere voorwaarden opgelegd en dit toezicht duurt tot 2027. Conclusie Alles afwegende, en gelet op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat in principe een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd is. De rechtbank acht het echter niet wenselijk dat het hulpverleningstraject van verdachte wordt onderbroken en houdt eveneens rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank vindt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval dan ook niet passend. . In plaats daarvan veroordeelt de rechtbank verdachte tot een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Dit is een lagere straf dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank heeft namelijk een kortere periode bewezen verklaard dan de periode waarvan de officier van justitie uitging bij haar eis. 8De beoordeling van het beslag Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de auto en de telefoon, die onder verdachte in beslag zijn genomen, verbeurd worden verklaard, omdat deze zijn gebruikt bij het plegen van de strafbare feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om teruggave van de goederen aan verdachte, omdat het gaat om zijn privételefoon en verbeurdverklaring van zijn auto een te grote financiële belasting voor verdachte is. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank zal de personenauto (een grijze Peugeot met kenteken [kenteken] ) en het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2023093002-G2930440), met behulp waarvan feiten 1 primair en 2 zijn begaan of voorbereid, verbeurd verklaren. Dat is een risico dat verdachten in dergelijke strafzaken lopen en de aangevoerde omstandigheden maken niet dat de rechtbank aanleiding ziet om dit risico in dit geval anders te beoordelen. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; - 2 en 10 van de Opiumwet. 10De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  legt op een taakstraf van 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;  beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;  veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;  bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;  verklaart verbeurd de volgende aan verdachte toebehorende voorwerpen: o een personenauto (een grijze Peugeot met kenteken [kenteken] ) en o een telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2023093002-G2930440). Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Stratenus (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. S.P.H. Brinkman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2025. Mr. Brinkman en mr. Aalbers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023094279, gesloten op 25 augustus 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.