RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05.000005.25 Datum uitspraak : 30 september 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Gemachtigd raadsvrouw: mr. J.L. Vermeer, advocaat in Rhenen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 30 december 2024 te Arnhemeen pizzabroodje (vega) en/of een broodje ([bedrijf]) en/of twee stuks Red Bull suikervrij, in elk geval enig(
- e)(winkel)goed(eren) (ter waarde ad € 10,60), dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [bedrijf] ( [adres] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever] (medewerker bij [bedrijf] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [aangever] een of meermalen in/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of de nek te stompenen/of te slaan; 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank [aangever] heeft aangifte gedaan bij de politie. Hij werkt bij de [bedrijf] op [plaats] en doet aangifte namens de winkel en namens zichzelf. Hij heeft gezien dat verdachte op 30 december 2024 twee suikervrije Redbulls pakte en in zijn zak stopte. Verdachte had ook een vega pizzabroodje en een [bedrijf]-broodje. Hij is de kassa gepasseerd en heeft de winkel verlaten zonder deze goederen te betalen. Aangever is achter verdachte aan gerend en heeft tegen hem gezegd dat hij moest betalen. Verdachte zei dat hij het broodje in zijn gezicht zou drukken. Aangever zag dat verdachte zijn rechterarm richting zijn (aangevers) gezicht bewoog en hij voelde de verpakking en de vuist van verdachte tegen zijn gezicht aan komen. Hij voelde dat er kracht achter de slag zat. Na de slag van verdachte voelde hij pijn aan zijn oog en een beurs gevoel op zijn nek. De politie heeft camerabeelden van het incident bekeken en beschreven. Op beelden van de camera gericht op de in- en uitgang van de winkel is te zien dat een man komt aanlopen, die wordt herkend als verdachte. Verdachte gaat de winkel binnen, waarna hij uit zicht van deze camera gaat. Na 50 seconden komt hij weer in beeld. Te zien is dat hij bukt, iets uit het schap pakt en direct de winkel uitloopt zonder het voorwerp bij de kassa aan te bieden. Op beelden van een andere camera is te zien dat verdachte naast een winkelmedewerker loopt. De medewerker houdt heel rustig de arm van verdachte vast. Verdachte heeft het voorwerp nog steeds in zijn rechterhand vast. Verdachte zwaait met zijn rechterhand naar achteren en vervolgens met kracht weer naar voren richting het gezicht van de winkelmedewerker. De winkelmedewerker wordt op zijn wang geraakt en zijn hoofd zwaait door de klap naar achteren. Daarna slaat verdachte nog twee keer met gebalde vuist richting het gezicht van de winkelmedewerker, maar raakt het gezicht niet. Er volgt dan een worsteling. Verdachte verklaart ter terechtzitting van 8 april 2025 dat hij honger had en een broodje had gepakt uit de [bedrijf] . Op basis van de aangifte, de beschrijving van de camerabeelden en de verklaring van verdachte concludeert de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte goederen uit de winkel heeft gestolen en dat deze diefstal gevolgd werd door geweld door [aangever] in het gezicht te stompen. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 30 december 2024 te Arnhemeen pizzabroodje (vega) en/of een broodje ([bedrijf]) en/of twee stuks Red Bull suikervrij, in elk geval enig(
- e)(winkel)goed(eren) (ter waarde ad € 10,60), dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [bedrijf] ( [adres] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever] (medewerker bij [bedrijf] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [aangever] een of meermalen in/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of de nek te stompenen/of te slaan; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 134 dagen gevangenisstraf, met aftrek van (en gelijk aan) de tijd reeds in voorarrest doorgebracht. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft eveneens bepleit dat verdachte zal worden veroordeeld tot 134 dagen gevangenisstraf, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht. De raadsvrouw voegt hier aan toe dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft goederen gestolen uit een winkel en vervolgens een medewerker van die winkel in zijn gezicht gestompt. Het slachtoffer heeft hiervan pijn en letsel ondervonden. Dat dit het slachtoffer moest overkomen, terwijl hij alleen zijn werk probeerde te doen, is zeer kwalijk. Verdachte heeft een strafblad van zes pagina’s met daarop verschillende winkeldiefstallen en tevens mishandelingen. Verdachte heeft daarmee relevante recidive. Artikel 63 Sr is van toepassing wegens een opgelegde gevangenisstraf op 18 april 2025. Verdachte weigerde medewerking met de reclassering. De reclassering heeft gelet op het strafblad van verdachte vermoedens van verward gedrag en/of mogelijke psychiatrische problematiek. Zonder de medewerking van verdachte kan dit echter niet met zekerheid worden gediagnosticeerd en kan tevens geen recidiverisico vastgesteld worden. Uit het sociale verhoor van verdachte blijkt dat hij op straat woont en geen inkomsten heeft. De oriëntatiepunten gaan bij een diefstal met geweld in geval van veelvuldige recidive uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Mede gelet op het feit dat verdachte het slachtoffer meerdere keren heeft gestompt, acht de rechtbank een gevangenisstraf overeenkomstig het voorarrest van 134 dagen passend en geboden. Dit is gelijk aan de eis van de officier van justitie. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 134 dagen, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. 9De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 134 dagen; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Lucassen (voorzitter), mr. W.H.S. Duinkerke en mr. Y. Rikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 september 2025. De jongste rechter en griffier zijn buiten staat mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024610078, gesloten op 1 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte, p. 7-8. Proces-verbaal van bevindingen, p. 25-26. proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer van 8 april 2025, parketnummer 05.000005.25.