← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:11830

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Tegenspraak Parketnummer: 05.083919.23 (ontneming) Datum uitspraak : 16 september 2025 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsman: mr. C.W.J. de Bont, advocaat in Doetinchem. 1De inhoud van de vordering De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 71.630,

  1. 2De procedure De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet negentien maar zes oogsten bewezen kunnen worden. Twee oogsten zijn aangetroffen op locatie. Het wederrechtelijk verkregen voordeel zou daarom aan de hand van vier verkochte oogsten berekend moeten worden. Concluderend zou slechts een bedrag van € 50.562,80 toegewezen kunnen worden, waarvan nog de verbeurdverklaarde € 1.800,- af getrokken moet worden. 3De beoordeling van de vordering Bij vonnis van heden is de heer [veroordeelde] onder meer veroordeeld wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” in de periode van 25 januari 2023 tot en met 27 maart
  2. Aan veroordeelde is opgelegd een taakstraf voor de duur 100 uren en 1 maand gevangenisstraf geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat verdachte ook eerder betrokken is geweest bij het exploiteren van een hennepkwekerij en daaruit wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De rechtbank verwijst voor de bewijsmiddelen naar het vonnis. Aantal oogsten Het is onbetwist dat er meerdere oogsten zijn geweest. Het resultaat van maximaal twee van deze oogsten is aangetroffen in de kweekruimte en in beslag genomen. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag hoeveel oogsten er totaal geweest zijn. Veroordeelde heeft tegenover de politie verklaard dat de kwekerij sinds 2020 actief is en dat hij drie oogsten per jaar heeft gehad. Volgens veroordeelde heeft hij minimaal zeven keer geoogst. Per oogst zou de opbrengst drie tot vier kilogram zijn geweest. Zoals in het vonnis reeds uiteen is gezet, gaat de rechtbank ervan uit dat er in de chats gesproken werd over de hennepproductie onder de verhullende term ‘dossiers’, maar kan de rechtbank niet vaststellen op welke momenten over werkelijke (juridische) dossiers werd gesproken en op welke momenten het woord ‘dossiers’ werd gebruikt om verhullend over hennep te spreken. Daarom zal de rechtbank aansluiten bij de verklaring van veroordeelde over het aantal oogsten, te weten zeven. Opbrengst per oogst 102 planten maal 32,7 gram opbrengst per plant = 3.335,4 gram (is 3,3354 kilo) De verkoopprijs bedraagt minimaal per kilo hennep € 4.070,-. De bruto opbrengst per oogst is dus minimaal 3,3354 kilo hennep maal € 4.070,- = € 13.575,
  3. Kostenberekening per oogst Afschrijvingskosten € 150,- Hennepstekken € 388,62 (€ 3,81 per stek) Variabele kosten € 395,76 (€ 3,88 per stek) Elektriciteitskosten - Kosten knippers - Huisvestingskosten - Totaal € 934,38 -/- De netto opbrengst per oogst € 12.640,70 Nu de rechtbank er vanuit gaat dat er zeven oogsten zijn geweest, en de opbrengst van twee oogsten in beslag is genomen, zal de rechtbank uitgaan van vijf oogsten en aldus de netto opbrengsten per oogst vervijfvoudigen. Samenvattend is de rechtbank op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen van oordeel, dat veroordeelde en zijn medeverdachten wederrechtelijk voordeel hebben verkregen tot een bedrag van (€ 12.640,70 maal 5) € 63.203,
  4. 4De betalingsverplichting De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet blijkt hoe de verdeling van de opbrengst is geweest tussen veroordeelde en medeverdachten. Veroordeelde heeft tegenover de politie verklaard dat hij en zijn partner de opbrengst samen 50/50 deelden. De rechtbank gaat er echter op basis van de chats vanuit dat er nog minimaal een andere derde bij de kwekerij betrokken was. Het is onduidelijk of deze derde ook deelde in de opbrengst, een vast honorarium uitbetaald kreeg of op een andere manier deelde in de winst. Dat honorarium zou dan nog tot de kosten moeten behoren. De rechtbank zal daarom een naar redelijkheid te bepalen gedeelte van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde toerekenen. Aangezien er in ieder geval drie personen betrokken zijn geweest, zal de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel evenredig door drieën delen. Aan veroordeelde zou dan een bedrag zijn toegekomen van € 21.067,
  5. Hiervan haalt de rechtbank nog een bedrag van € 1.800,- af, omdat dat bedrag bij veroordeelde in beslag is genomen en bij vonnis van heden verbeurd is verklaard. Hoewel verdachte in hetzelfde vonnis ook is veroordeeld tot betaling van de vordering benadeelde partij van [bedrijf] ter grootte van € 69.731,94, kan dit bedrag op dit moment niet in mindering worden gebracht in deze ontnemingsprocedure, omdat dit bedrag nog niet is betaald. Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde komt daarmee uit op € 19.267,
  6. 5De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 6De beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 19.267,83; - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag; - bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 50 dagen. Aldus gegeven door mr. J.S.W. Lucassen (voorzitter), mr. W.H.S. Duinkerke en mr. C.L.A. van der Veeken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 september
  7. Mr. C.L.A. van der Veeken is buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023455824, gesloten op 10 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p.
  8. Proces-verbaal van verhoor verdachte, p.
  9. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 377.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.