← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:11840

f RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/405692-24 Datum uitspraak : 24 november 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsman: mr. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 20 december 2024 te Nijkerk openlijk, te weten, aan de Henri Nouwenstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten de ramen en/of muren en/of gevel van het pand van het Israël Centrum Nijkerk en/of stichting Steun Huisvesting Israël Centrum, althans het pand van een ander, door - lijm en/of behangplaksel, althans een witte substantie, op de ramen en/of muren en/of gevel van het pand aan te brengen en/of - teksten op de ramen en/of muren en/of gevel van het pand aan te brengen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 20 december 2024 te Nijkerk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk, de ramen en/of muren en/of gevel van een pand, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Israël Centrum Nijkerk en/of stichting Steun Huisvesting Israël Centrum, in elk geval aan een ander toebehoorde(

  1. n)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, te weten: het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen goederen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit is gepleegd in het kader van een demonstratie, maar dat deze demonstratie niet als vreedzaam kan worden aangemerkt. Gezien de spullen die verdachte bij zich had, had hij de intentie om geweld uit te oefenen op de goederen, waardoor de gedraging niet valt onder de reikwijdte van artikel 10 en 11 EVRM. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Het aanbrengen van lijm/posters op een gebouw valt niet te kwalificeren als geweld in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). Indien vernieling bewezen wordt verklaard, heeft de raadsman bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat strafrechtelijke vervolging in onderhavig geval niet ‘necessary in a democratic society’ is, zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 en artikel 11 lid 2 EVRM. Verdachte heeft zijn mening geuit, de locatie was van symbolische waarde en de gedragingen waren niet laakbaar. Daarbij zijn de redelijke kosten voor de schade vergoed. De arrestatie, detentie op het politiebureau en/of strafrechtelijke vervolging zijn op zichzelf of in onderling samenhang bezien niet proportioneel en er bestond daartoe geen ‘pressing social need’. Beoordeling door de rechtbank Bewijs Op 20 december 2024 is door de heer [aangever] (verder: aangever) aangifte gedaan namens het Israël Centrum Nijkerk. Aangever heeft verklaard dat hij diezelfde dag in de middag op de beveiligingscamera bij de ingang van het pand negen personen aan zag komen lopen. Aangever zag dat een vrouw knielde en posters uit haar tas haalde. Een andere vrouw liep met een ladder, welke zij tegen het pand aanzette. Vervolgens klom zij op de ladder klom en kwam op het afdak bij de ingang. Een andere vrouw, op krukken, had een bak met lijm in haar hand. Zes andere personen waren ondertussen posters aan het opplakken op de voorgevel. Deze personen hebben met lijm posters aangebracht op het pand. De groep schreeuwde en zij riepen onder andere: 'genocideplegers en moordenaars'. Op het Instagram account van 'Christelijk Collectief' is een video geplaatst van dit incident. In een aanvullend contact tussen aangever en de politie heeft aangever verklaard dat kosten zijn gemaakt om het pand te reinigen. Vijf personen zijn bezig geweest om het pand schoon te maken. Op het moment dat verbalisanten ter plaatse kwamen, zagen zij een groep van ongeveer tien personen. Verbalisant [verbalisant 1] zag één van de demonstranten op de luifel van de entree van het Israël Centrum staan. [verbalisant 1] zag onder andere dat tegen de gevel een stuk karton was geplakt met de tekst: “STOP GENOCIDE”. [verbalisant 1] zag tevens dat een dame in een rolstoel bezig was met het aanbrengen van pamfletten op de ramen van het Israël Centrum met lijm. [verbalisant 1] zag een witte substantie waarmee de ramen werden besmeurd. Dit bleek te worden gedaan door medeverdachte [medeverdachte 1] . Verbalisant [verbalisant 2] zag dat medeverdachte [medeverdachte 2] een tekst op de gevel van het Israël Centrum aan het schrijven was. Verbalisant [verbalisant 2] zag dat verdachte met een kwast een goed, wat plakte aan de ruiten, aanbracht op de ruiten en dat vervolgens meerdere flyers op de ruiten werden geplakt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij posters tegen de ruiten van het Israël Centrum heeft geplakt. Het oordeel van de rechtbank: De rechtbank stelt op basis van de voornoemde bewijsmiddelen vast dat de in de ten laste legging genoemde handelingen door verdachte niet worden ontkend. De vraag is echter hoe deze handelingen dienen te worden gekwalificeerd. Een veroordeling ter zake van ‘in vereniging geweld plegen’ in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is aan de orde als sprake is van het openlijk en met verenigde krachten plegen van geweld tegen personen of goederen. Daarbij is enig resultaat vereist. Niet is vereist dat de dader zelf geweld heeft gepleegd. Ten aanzien van de handelingen die door verdachte zijn gepleegd, staat niet ter discussie dat sprake was van openbaarheid en van een groep mensen die een voldoende significante bijdrage leverden aan de handelingen ter plaatse, zodat sprake is van openlijk en in vereniging gepleegde handelingen. De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of sprake is geweest van geweld, zoals bedoeld in artikel 141 Sr. De strafbaarstelling van openlijke geweldpleging strekt ter bescherming van de openbare orde. Om van geweld in de zin van dit artikel te kunnen spreken, moeten de handelingen van zodanige aard en omvang zijn dat hierdoor de openbare orde in gevaar wordt gebracht of verstoord. Daarvoor dient sprake te zijn van het aanwenden van een kracht van niet geringe intensiteit en tevens moet van de aldus geuite agressie een dreiging voor de openbare orde uitgaan. Beoordeeld zal moeten worden of het smeren van lijm op de ramen en de gevel van het Israël Centrum en het vervolgens beplakken van en het aanbrengen van teksten op de gevel, kan worden aangemerkt als geweld, zoals bedoeld in artikel 141 Sr. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Inherent aan demonstreren is dat dit in veel gevallen gepaard gaat met een zekere mate van verstoring van de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval, gelet op de manier waarop en de omstandigheden waaronder teksten op de gevel van het Israël Centrum zijn aangebracht en de ramen zijn onder gesmeerd met lijm en vervolgens zijn beplakt, geen handelingen zijn gepleegd die van zodanige aard is dat daarmee sprake is van het daardoor bovenmatig verstoren van de openbare orde. De rechtbank is wel van oordeel dat de door verdachte gepleegde handelingen, gekwalificeerd kunnen worden als beschadiging dan wel het (tijdelijk) onbruikbaar maken van die ramen en gevel. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er een reinigingsteam moest komen om de gevel schoon te maken, hetgeen gepaard is gegaan met hoge kosten. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het beschadigen en onbruikbaar maken van de gevel, de ramen en de muren van het Israël Centrum in Nijkerk. Medeplegen De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde af, dat verdachte samen met zijn mededemonstranten naar het Israël Centrum Nijkerk is gegaan. Ze hadden een gezamenlijk plan en ze zijn elkaar behulpzaam geweest bij het aanbrengen van teksten op en het beplakken van de gevel van het Israël Centrum. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 20 december 2024 te Nijkerk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk, de ramen en/of muren en/of gevel van een pand, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Israël Centrum Nijkerk en/of stichting Steun Huisvesting Israël Centrum, in elk geval aan een ander toebehoorde(
  2. n)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Subsidiair: medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen en onbruikbaar maken, meermalen gepleegd. 5De strafbaarheid van het feit Recht op vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht en de beperking van die rechten De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde feit heeft plaatsgevonden in het kader van een demonstratie. In de artikelen 10 en 11 EVRM zijn respectievelijk het recht van vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering en vereniging gewaarborgd, oftewel het demonstratierecht. Om onder de bescherming te vallen van artikel 11 EVRM geldt als voorwaarde het vreedzaamheidsvereiste, zoals genoemd in het eerste lid van dat artikel. Een demonstratie kan, ook als daarbij de wet overtreden wordt, voldoen aan het gestelde vreedzaamheidsvereiste. Van vreedzaamheid kan worden gesproken indien geweld tegen personen of geweld tegen goederen uitblijft. Om zoveel mogelijk ruimte te laten voor het demonstratierecht dient de definitie van geweld restrictief te worden geïnterpreteerd. Uit de Richtlijnen voor vrijheid van vreedzame vergadering uit 2010 (tweede editie) en 2020 (derde editie), van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) en de Europese Commissie voor Democratie door Recht (Commissie van Venetië), volgt dat onder geweld wordt verstaan het gebruik van, of openlijk aanzetten tot, fysiek geweld dat verwondingen of serieuze dan wel ernstige schade aan eigendommen tot gevolg heeft (of tot doel heeft), waarbij die verwondingen of gevolgen redelijkerwijs verwacht mogen worden. De rechtbank stelt vast dat de demonstranten, onder wie verdachte, een groot aantal raamdelen van het Israël Centrum Nijkerk en het pand zelf hebben besmeurd met lijm en dit vervolgens hebben beplakt en met verf teksten op de gevel zijn aangebracht. Hierdoor zijn die goederen, andermans eigendommen, tijdelijk onbruikbaar gemaakt. Nu de goederen relatief eenvoudig konden worden hersteld en de schade beperkt is gebleven, kan naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet worden gesproken van serieuze of ernstige schade aan eigendommen en daarmee evenmin van geweld tegen goederen in hiervoor bedoelde zin. De rechtbank stelt dan ook vast dat de onderhavige demonstratie vreedzaam is verlopen, zodat het handelen van verdachte valt onder de bescherming van artikel 11 EVRM. Ook in het geval van een vreedzaam verloop van een demonstratie zijn de vrijheden zoals neergelegd in de artikelen 10 en 11 EVRM echter niet absoluut. Dit wil zeggen dat die vrijheden onder bepaalde omstandigheden kunnen worden beperkt. Op grond van het tweede lid van beide artikelen is een beperking van deze rechten mogelijk wanneer deze beperking: a.
  3. a)is voorzien bij wet,
  4. b)in het belang is van een van de in die artikelleden genoemde doeleinden;
  5. c)noodzakelijk is in een democratische samenleving. De rechtbank concludeert dat in de onderhavige zaak sprake is van een inperking van het demonstratierecht die bij wet is voorzien. Immers vindt de beperking grondslag in de strafbaarstelling van artikel 350 Wetboek van Strafrecht. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de beperking van demonstratierecht onder meer in het belang was ter bescherming van het eigendomsrecht van het Israël Centrum Nijkerk, maar ook ter voorkoming van (verdere) strafbare feiten. De vraag die echter centraal staat, is of de beperking van het demonstratierecht noodzakelijk was in een democratische samenleving. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Inbreuk noodzakelijk in een democratische samenleving Of in een concreet geval sprake is van een noodzakelijke inbreuk op het demonstratierecht, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij in acht moet worden genomen of is gehandeld in reactie op een dringende maatschappelijke behoefte, ook wel ‘pressing social need’, of de inbreuk op het demonstratierecht in verhouding staat tot het daarmee beoogde doel en of de voor inmenging genoemde redenen ‘relevant and sufficient’ zijn. Bij de proportionaliteitstoets zijn mede van belang de wijze van optreden door de politie, de beslissing om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan en de aard en zwaarte van eventueel opgelegde straffen. Van belang is bovendien dat justitieel ingrijpen in een demonstratie niet van dien aard is dat hier een zogenoemd ‘chilling effect’ vanuit gaat. Van belang is om hierbij op te merken dat de nationale autoriteiten een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid (‘margin of appreciation’) toekomt bij het afwegen van de verschillende concrete belangen die in het geding zijn. De rechtbank overweegt in onderhavig geval het volgende. In een democratische rechtsstaat zoals Nederland is het demonstratierecht een groot goed. Daartegenover staat dat het eigendomsrecht, in dit geval van het Israël Centrum Nijkerk ook beschermd moet worden. Hoewel in onderhavig geval geen sprake is geweest van een gewelddadige betoging, heeft verdachte zich in het kader van de demonstratie schuldig gemaakt aan laakbaar gedrag (‘een reprehensible act’). Door het Israël Centrum te besmeuren met lijm en posters, of het aanbrengen met verf van teksten op de gevel, hebben verdachte en zijn medeverdachten immers inbreuk gemaakt op andermans eigendomsrechten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zijn betogingsrecht ook op een andere, niet laakbare wijze, had kunnen effectueren. Mede gelet op de beoordelingsvrijheid die de politie toekomt, stond het de politie in de gegeven omstandigheden vrij het eigendomsrecht van het Israël Centrum, dat door voornoemde handelingen werd geschonden, en het maatschappelijk belang bij het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, zwaarder te laten wegen dan het recht van verdachte om – op deze wijze – verder te demonstreren, zodat de politie mocht optreden. Naar het oordeel van de rechtbank was het strafrechtelijk optreden van de politie tegen, en de beslissing tot vervolging van verdachte niet gericht op het deelnemen aan het protest tegen het Israël Centrum Nijkerk, maar wegens het tijdens de protestactie plegen van een strafbaar feit. Hierin ligt besloten dat verdachte zich schuldig maakte aan laakbaar gedrag. De politie heeft verdachte en zijn mededemonstranten aangeroepen om hun acties te staken, maar dit bleek niet voldoende. Er waren voor de politie geen beletselen om de bevoegdheden (zoals overgaan tot aanhouding) in te zetten, zoals zij normaliter ook zouden hebben gedaan indien een dergelijk feit zou zijn begaan buiten een demonstratie om. De rechtbank overweegt dat – gelet op het voorgaande – het politieoptreden niet disproportioneel is geweest. Voorts merkt de rechtbank op dat de officier van justitie op het moment van het nemen van de vervolgingsbeslissing nog niet op de hoogte was van het feit dat een deel van de schade reeds door verdachte was vergoed. Daarnaast heeft de beslissing om de zaak te verwijzen van de politierechter naar de meervoudige kamer, mede in het belang van verdachte plaatsgevonden, met het oog op een zorgvuldige belangenafweging en zodat de zaken van verdachte en de medeverdachten de tijd en aandacht konden krijgen die deze verdienen. De rechtbank weegt daarin echter wel mee dat dit erin resulteert dat verdachte door een ‘zwaarder’ forum wordt berecht. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het optreden van de autoriteiten in het onderhavige geval en – in het geheel bezien – voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit en dat de beperking van de rechten van verdachte noodzakelijk is geweest in een democratische samenleving. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de beperking van de rechten van verdachte geen strijd oplevert met de artikelen 10 en 11 EVRM. Conclusie Nu ook anderszins geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, acht de rechtbank dit strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 200,--, te vervangen door 4 dagen hechtenis. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat moet worden overgegaan tot een schuldig verklaring zonder oplegging van een straf en/of maatregel. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het Israël Centrum in Nijkerk door tijdens een demonstratie het pand te beplakken met lijm en posters, terwijl zijn medeverdachten onder andere teksten op de gevel aanbrachten. Daarmee heeft hij een strafbaar feit gepleegd. Het Israël Centrum in Nijkerk heeft ten gevolge hiervan niet alleen hinder, maar ook schade geleden. Het is positief te noemen dat vrijwel alle schade door verdachte en/of de medeverdachten is vergoed. De rechtbank constateert dat de verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd tegen de achtergrond van zijn bezorgdheid over de situatie in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat verdachte door aldus te handelen welbewust de keuze heeft gemaakt om de doelen die hij nastreeft te laten prevaleren boven het eigendomsrecht van het Israël Centrum Nijkerk. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 oktober 2025. Hieruit volgt dat verdachte in juni 2023 is veroordeeld wegens het medeplegen van vernieling en daarvoor een geldboete opgelegd heeft gekregen. Anders dan de verdediging is de rechtbank, gelet op de aard, ernst en impact van het feit, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat de strafzaak aanvankelijk was gepland bij de politierechter, waar de zaken ook al inhoudelijk waren behandeld, maar uiteindelijk in het kader van zorgvuldigheid zijn verwezen naar de meervoudige kamer. Dit heeft echter wel tot gevolg gehad dat deze strafzaak langer boven het hoofd van verdachte heeft gehangen. Daarnaast heeft de rechtbank zich rekenschap gegeven van de omstandigheid dat van de op te leggen straf geen ‘chilling effect’ mag uitgaan. Tot slot merkt de rechtbank op dat het recht om te demonstreren is een belangrijk grondrecht is. De vrijheid van verdachte om aandacht te vragen voor maatschappelijke onderwerpen waar hij voor wil opkomen is een groot goed. De rechtbank wil met de op te leggen straf dan ook niets afdoen aan de inhoudelijke boodschap van verdachte en waar hij voor staat. Tegelijkertijd is er ook een grens waar het gaat om het uiten van deze boodschap ten koste van – in dit geval – het eigendomsrecht van een ander. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 100,-- met een proeftijd van één jaar passend en geboden is. De rechtbank wijkt hiermee af van de strafeis van de officier van justitie, die geënt was op een andere – zwaardere – kwalificatie dan de kwalificatie waar de rechtbank vanuit gaat. 8De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij Israël Centrum Nijkerk heeft in verband met het ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 741.49 aan materiële schade en € 350,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij enkel ten aanzien van gemaakte beveiligingskosten kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert ten aanzien van deze kosten oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Overweging van de rechtbank Materieel De rechtbank zal de gevorderde schadeposten die zien op de gemaakte kosten voor de aanschaf van de hogedrukreiniger van 271,49 en de kosten voor het reinigen van het pand van 150,- afwijzen, nu ter zitting is gebleken dat deze kosten al zijn vergoed. Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelde van de materiële vordering, de kosten voor de inzet van beveiliging, een onevenredige belasting van het strafgeding op. Alhoewel het voorstelbaar is dat het Israël Centrum Nijkerk extra veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, is – in zaken zoals onderhavige – de politie bij uitstek de aangewezen autoriteit om op te treden. Het is voor de rechtbank onvoldoende inzichtelijk of en in hoeverre de thans opgevoerde beveiligingskosten zijn aan te merken als rechtstreekse schade ten gevolge van het onderhavige strafbare feit. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij daarom voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen. Immaterieel De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat: verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen, de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier blijkt duidelijk dat er schade is aangericht aan het pand van het Israël Centrum in Nijkerk, echter is het – zonder nadere onderbouwing – niet direct voorstelbaar dat dit heeft geleid tot emotionele schade voor de werknemers, die voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 350 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank:  spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;  verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  legt op een geldboete van € 100,- (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis;  bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van één jaar schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij Israël Centrum Nijkerk (parketnummer 05/405689-24)  wijst de vordering tot materiële schade voor de aanschaf van de hogedrukreiniger van 271,49 en de kosten voor het reinigen van het pand van 150,- af;  verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële /immateriële schadevergoeding. Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. H.M. Stratenus, rechters, in tegenwoordigheid van L. Willems en I.D. Jones, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 november 2025. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024595189, gesloten op 28 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal aangifte, p. 37-40 (inclusief fotobijlage, p. 46-47). Proces-verbaal van bevindingen, p. 42. Proces-verbaal van bevindingen, p. 51. Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 10. Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 15. Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 november 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.