RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/377293-24 Datum uitspraak : 24 november 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsman: mr. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 25 november 2024 te Nijkerk openlijk, te weten aan de Henri Nouwenstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten de ramen en/of muren van het pand van het Israël Centrum Nijkerk en/of stichting Steun Huisvesting Israël Centrum, althans het pand van een ander, door - verf en/of graffiti en/of een substantie op de ramen en/of muren van het pand te spuiten en/of te smeren en/of - een vloeistof en/of een substantie over de ramen en/of muren van het pand te gooien. 2De standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van 200 euro, te vervangen door vier dagen hechtenis. De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. 3Overwegingen ten aanzien van het bewijs Op 25 november 2024 is door de heer [aangever] (verder: aangever) aangifte gedaan namens het Israël Centrum Nijkerk. Aangever heeft verklaard dat hij op 25 november 2024 aan het werk was in het Israël Centrum en rond 09:05 uur werd gebeld dat er demonstranten in aantocht zouden zijn. Hierop heeft aangever de noodknop ingedrukt. Aangever zag vervolgens een groep van ongeveer vijftien personen voor het gebouw staan. Hij zag dat een aantal personen het gebouw aan het bekladden waren met verf. Aangever zag dat met rode verf teksten op het pand werden gespoten, het ging hierbij onder andere om de volgende teksten: - Genocide; - Zionisten; - Baby moordenaars; - Boycot Israel. Vervolgens heeft aangever 112 gebeld, waarna de politie ter plaatse is gekomen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met markeerspray of krijtspray “stop de genocide” op het Israël Centrum heeft gespoten. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de in de tenlastelegging genoemde handelingen door verdachte niet worden ontkend. De vraag is echter hoe deze handelingen dienen te worden gekwalificeerd. Een veroordeling ter zake van ‘in vereniging geweld plegen’ in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is aan de orde als sprake is van het openlijk en met verenigde krachten plegen van geweld tegen personen of goederen. Daarbij is enig resultaat vereist. Niet is vereist dat de dader zelf geweld heeft gepleegd. Ten aanzien van de handelingen die door verdachte zijn gepleegd, staat niet ter discussie dat sprake was van openbaarheid en van een groep mensen die een voldoende significante bijdrage leverden aan de handelingen ter plaatse, zodat sprake is van openlijk en in vereniging gepleegde handelingen. De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of sprake is geweest van geweld, zoals bedoeld in artikel 141 Sr. De strafbaarstelling van openlijke geweldpleging strekt ter bescherming van de openbare orde. Om van geweld in de zin van dit artikel te kunnen spreken, moeten de handelingen van zodanige aard en omvang zijn dat hierdoor de openbare orde in gevaar wordt gebracht of verstoord. Daarvoor dient sprake te zijn van het aanwenden van een kracht van niet geringe intensiteit en van de aldus geuite agressie moet een dreiging voor de openbare orde uitgaan. Beoordeeld zal moeten worden of het aanbrengen van verf/graffiti op de ramen/muren/gevel van het Israël Centrum Nijkerk, aan te merken is als zodanig geweld. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Inherent aan demonstreren is dat dit in veel gevallen gepaard gaat met een zekere mate van verstoring van de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat – de handelingen die door verdachte en zijn mededemonstranten zijn gepleegd – niet van zodanige aard zijn dat sprake is van het bovenmatig verstoren van de openbare orde. Nu volgens de rechtbank niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, zal verdachte worden vrijgesproken van het aan verdachte ten laste gelegde. 4De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij Stichting Christenen voor Israël heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.426,80 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Overweging van de rechtbank Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. 5De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde; verklaart de benadeelde partij Stichting Christenen voor Israël niet-ontvankelijk in de vordering. . Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. H.M. Stratenus, rechters, in tegenwoordigheid van L. Willems en I.D. Jones, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 november 2025.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.