RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/216636-24 Datum uitspraak : 21 februari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsman: mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 februari
- 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
- hij in of omstreeks de periode van 8 november 2023 tot en met 9 november 2023 te Nijmegen en/of Beuningen, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van cocaïne en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - 8,55 gram cocaïne en/of 7,77 gram MDMA, - een (grote) hoeveelheid contant geld (totaal ongeveer 2786 euro), - een of meerdere telefoons, waarop gesprekken zijn aangetroffen waaruit een indicatie van handel in drugs blijkt, en/of - een (keuken)weegschaal voorhanden te hebben;
- hij op of omstreeks 8 november 2023 te Nijmegen en/of Beuningen, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 8,55 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 7,77 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
- hij op of omstreeks 8 november 2023 te Nijmegen en/of Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, - een hoeveelheid van ongeveer 105 gram hennep en/of - een hoeveelheid van ongeveer 145 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en/of hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
- hij in of omstreeks de periode van 8 november 2023 tot en met 9 november 2023 te Nijmegen en/of Beuningen, althans in Nederland, een wapen(s), van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten - meerdere ploertendoders en/of een wapen van categorie I, onder 6° van de Wet wapens en munitie, te weten - een katapult voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen en/of een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk - een (nagebootst) pistool (gelijkend op een vuurwapen van het merk Beretta model M9) zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.
- Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen kan worden. Beoordeling door de rechtbank Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen ten aanzien van feiten 1, 2, 3 en 4: - de proces-verbaal van bevindingen, p. 22, p. 26, p. 31 en p. 35; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 42-52; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 12-19 en p. 40; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 38; - de rapporten NFI op p. 245, p. 246, p. 247 en p. 248; - het proces-verbaal van verslag binnentreden, p. 253; - het proces-verbaal van aanhouding, p. 257-259; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 februari
- 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
- hij in of omstreeks de periode van 8 november 2023 tot en met 9 november 2023 te Nijmegen en/of Beuningen, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigenvan cocaïne en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - 8,55 gram cocaïne en/of 7,77 gram MDMA, - een (grote) hoeveelheid contant geld (totaal ongeveer 2786 euro), - een of meerdere telefoons, waarop gesprekken zijn aangetroffen waaruit een indicatie van handel in drugs blijkt, en/of - een (keuken)weegschaal voorhanden te hebben;
- hij op of omstreeks 8 november 2023 te Nijmegen en/of Beuningen, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 8,55 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 7,77 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
- hij op of omstreeks 8 november 2023 te Nijmegen en/of Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, - een hoeveelheid van ongeveer 105 gram hennep en/of - een hoeveelheid van ongeveer 145 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en/of hasjiesj telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
- hij in of omstreeks de periode van 8 november 2023 tot en met 9 november 2023 te Nijmegen en/of Beuningen, althans in Nederland, een wapen(s), van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten - meerdere ploertendoders en/of en/of een wapen van categorie I, onder 6° van de Wet wapens en munitie, te weten - een katapult voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen en/of en een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk - een (nagebootst) pistool (gelijkend op een vuurwapen van het merk Beretta model M9) zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: De eendaadse samenloop van: feit 1: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd. feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. en daarnaast feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. feit 4: meermalen opzettelijk handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 150 uren werkstraf subsidiair 75 dagen hechtenis (met aftrek van 2 uren ter zake van de dag die in inverzekeringstelling is doorgebracht) waarvan 75 uren subsidiair 37 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de algemene en de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering, te weten de meldplicht, verplichte dagbesteding en zicht op financiën. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de redelijke termijn. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair gepleit voor een voorwaardelijke straf als stok achter de deur, subsidiair voor het volgen van de strafeis van de officier van justitie, met uitzondering van het reclasseringstoezicht. Anders dan uit het reclasseringsrapport zou kunnen blijken heeft verdachte momenteel alles op de rit. Hij heeft dagbesteding en ook zijn financiën zijn goed op orde. De lange duur van de procedure valt hem zwaar. Hij wacht al vijftien maanden op de zitting, hetgeen moet leiden tot een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De verdediging heeft voorts bepleit dat rekening gehouden moet worden met de jeugdige leeftijd van verdachte en met de samenloop van de diverse ten laste gelegde feiten. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van grote hoeveelheden harddrugs en softdrugs en aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor harddrugsdelicten. Het is algemeen bekend dat drugs zeer schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Het is wetenschappelijk aangetoond dat het frequente gebruik van harddrugs geestelijke aandoeningen kan veroorzaken. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Er wordt daarom krachtig opgetreden tegen drugsdelicten zoals die hier aan de orde zijn. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door eigen financieel gewin en zich kennelijk niet bekommerd om de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor anderen en voor de maatschappij. Naast deze feiten heeft verdachte verschillende wapens voorhanden gehad. De rechtbank rekent hem dit aan. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 7 januari 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet/Wet wapens en munitie. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 24 januari
- Daaruit volgt dat op meerdere leefgebieden risico’s worden gezien en dat deze bij een veroordeling van invloed kunnen zijn op het recidiverisico. Sinds begin 2024 heeft verdachte geen structurele dagbesteding in de vorm van werk en/of scholing gehad. Ook heeft hij geen inkomen, onder meer omdat hij geen betaald werk heeft. Daarnaast zijn er zorgen over de omgang met negatieve sociale contacten. Hij wordt nog regelmatig met mensen gesignaleerd die bij de politie in beeld komen wegens de Opiumwet. Op basis hiervan wordt een plan van aanpak met bijzondere voorwaarden passend geacht. De rechtbank is van oordeel dat in beginsel, gelet op de ernst van de feiten, niet zou moeten worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Alleen al voor feit 1 gaan de oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf voor de duur van 3 tot 6 maanden. Voor de verschillende wapens wordt uitgegaan van een geldboete van in totaal ongeveer € 1.000,-. De rechtbank ziet echter aanleiding om ten voordele van verdachte van dit uitgangspunt af te wijken, zoals gevorderd door de officier van justitie en bepleit door de verdediging. De rechtbank verwijst daarbij naar het lange tijdsverloop sinds de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd, waarbij zij wel opmerkt dat van een schending van de redelijke termijn geen sprake is. De rechtbank houdt verder rekening met de korte periode waarin de bewezenverklaarde feiten plaatsvonden, het feit dat verdachte een first-offender is en dat de vervolging de nodige impact heeft gehad op verdachte. Zij heeft ook acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat artikel 63 Sr van toepassing is. De rechtbank zal, gelet op het advies van de reclassering, wel de geadviseerde voorwaarden opleggen. Dit ondanks de verklaring van verdachte, waaruit volgt dat hij zicht heeft op betaald werk en dat daarmee de leefgebieden dagbesteding en financiën ondervangen zouden worden. De door verdachte geschetste situatie is onzeker en de bijzondere voorwaarden dienen als stok achter de deur. Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 200 uren, waarvan 100 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, verbinden. Naast de taakstraf legt de rechtbank een geldboete op van € 1.500,-- voor het wapenbezit. 8De beoordeling van het beslag De standpunten De officier van justitie heeft gevorderd dat de geldbedragen zullen worden verbeurdverklaard, omdat verdachte het geld heeft gebruikt voor het onder 1 bewezenverklaarde. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte het geld heeft verdiend als kapper en door het sleutelen aan auto’s. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte veel geld heeft verdiend door het verkopen van harddrugs. Het geldbedrag dient te worden teruggegeven. Het oordeel van de rechtbank De inbeslaggenomen bedragen € 2.400,55 en € 385,50 hebben betrekking op het onder 1 bewezenverklaarde feit, namelijk het voorbereiden van de handel in harddrugs. De rechtbank kan op basis van het procesdossier niet vaststellen dat de geldbedragen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1 bewezenverklaarde zijn verkregen of dat het onder 1 bewezenverklaarde met behulp van dat geldbedrag is begaan, omdat niet is tenlastegelegd en bewezen dat verdachte daadwerkelijk heeft gehandeld. De rechtbank zal dan ook de teruggave van de geldbedragen € 2.400,55 en € 385,50 gelasten. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; - 2, 3, 10, 10 a en 11 van de Opiumwet; en - 13 en 55 van de Wet wapens en munitie. 10De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een taakstraf van 200 (twee honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen; bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf, te weten 100 (honderd) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de volgende voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald; stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden: Verdachte meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland ( [adres] te Nijmegen) op het telefoonnummer
- Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Huisbezoeken kunnen onderdeel uitmaken van de meldplicht. Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of een opleiding met een vaste structuur. Ook als dit betekent dat verdachte meewerkt aan een traject met een jobcoach of een gedragsinterventie ("werk aan werk") van de reclassering om aan deze dagbesteding te komen. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Verdachte geeft inzicht in zijn financiën en eventuele schulden. Indien blijkt dat de financiën niet op orde zijn en de reclassering acht het nodig, werkt verdachte mee aan een traject middels budgetbeheer of een soortgelijk traject, te bepalen door de reclassering. stelt als overige voorwaarden dat: verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen; geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan; beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht; legt op een geldboete van € 1.500,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis; Beslissing op beslag gelast de teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen € 2.400,55 en € 385,50 aan verdachte. Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Teger, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 februari
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PLO600-2023519077, gesloten op 5 april 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.