RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/438812 / HA ZA 24-373 Vonnis van 23 juli 2025 in de zaak van [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie] , te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser in conventie] , advocaat: mr. A.M. Smetsers, tegen [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie] , handelend onder de naam [bedrijf gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde in conventie] , advocaat: mr. S. Madjidi. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 18 december 2024 en de daarin genoemde stukken - het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 juni
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [eiser in conventie] is eigenaar van het pand aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: het pand). Hij heeft het pand in 2020 gekocht met als doel het te renoveren en te verhuren. 2.
- [gedaagde in conventie] exploiteert een eenmanszaak, gericht op projectbegeleiding in de bouw. 2.
- Voor de renovatie van het pand, dat uit een voorhuis en een achterhuis bestaat, heeft [eiser in conventie] allereerst de heer [adviseur] van [adviesbedrijf] (hierna: [adviseur] ) opdracht gegeven om een plan te maken en de benodigde vergunningen aan te vragen. [adviseur] heeft vervolgens opdracht gegeven aan een architect, de heer [architect] , om tekeningen te maken en aan een constructeur, de heer [constructeur] , om constructieberekeningen te maken. Verder heeft [eiser in conventie] een aannemer, de heer [aannemer] , benaderd. [aannemer] heeft te kennen gegeven dat hij alleen de werkzaamheden in het voorhuis kon uitvoeren. De verbouwing van het achterhuis was te omvangrijk. [eiser in conventie] heeft vervolgens contact opgenomen met [gedaagde in conventie] . 2.
- Op 3 maart 2023 heeft [gedaagde in conventie] een offerte aan [eiser in conventie] verzonden voor de verbouwingswerkzaamheden aan het achterhuis. In de begeleidende tekst staat het volgende: “(...) Aannemer / STP voert de werkzaamheden zo goed als mogelijk uit volgens de aangeleverde tekeningen. (...)” 2.
- Partijen hebben overeenstemming bereikt over het totale bedrag van € 165.120,63 voor de geoffreerde werkzaamheden, waarvan een bedrag van € 30.000,00 door [eiser in conventie] contant diende te worden betaald. 2.
- Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [gedaagde in conventie] van toepassing verklaard. Daarin is, voor zover van belang, het volgende bepaald: “Artikel 4: AANSPRAKELIJKHEID VAN DE OPDRACHTGEVER
- De opdrachtgever draagt de verantwoordelijkheid voor de door of namens hem voorgeschreven constructies en werkwijzen (...). Artikel 11: SCHORSING, BEËINDIGING VAN HET WERK IN ONVOLTOOIDE STAAT EN OPZEGGING
- De opdrachtgever is bevoegd de uitvoering van het werk geheel of gedeeltelijk te schorsen. Voorzieningen, die de aannemer ten gevolge van de schorsing moet treffen, worden als meerwerk verrekend. Schade die de aannemer ten gevolge van de schorsing lijdt, dient hem te worden vergoed. (...)
- Indien de schorsing van het werk langer dan een maand duurt, is de aannemer bevoegd het werk in onvoltooide staat te beëindigen. In dat geval dient overeenkomstig het volgende lid te worden afgerekend.
- De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. De aannemer heeft in dat geval recht op de volledige aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. De aannemer zendt de opdrachtgever een gespecificeerde eindafrekening van hetgeen de opdrachtgever ingevolge de opzegging verschuldigd is.” In de aanvullende en specifieke betalings- en leveringscondities is het volgende bepaald: “Artikel 2 De opdrachtgever is er aan gehouden om [bedrijf gedaagde] vóór de beoordeling door de technisch uitvoerder van [bedrijf gedaagde] , over alle aan de opdrachtgever bekende afwijkingen in de technische staat en/of de algemene toestand van het te bewerken object waar de overeenkomst op gebaseerd is, te informeren. De financiële en praktische gevolgen van het niet nakomen van dit uitgangspunt komen volledig voor rekening van de opdrachtgever.” 2.
- Op 29 augustus 2023 zijn onderaannemers van [gedaagde in conventie] met de (sloop)werkzaamheden begonnen. 2.
- Op 4 oktober 2023 heeft [adviseur] aan [eiser in conventie] verslag gedaan van de tot dan toe uitgevoerde werkzaamheden. In dit verslag staat, met begeleidende foto’s, het volgende: “luchtspouw bij spouwmuren vervuild met specie resten en dunner PS isolatie ! sommige plaatsen los van binnenblad stalen spantpoten ca. 75 cm te hoog (...) overgang bestaande muur naar nieuwe muur geen of weinig koppeling ankers 2 stenen onder balk balklaag gepurd i.p.v. gemetseld niet dragende muur bgg gemetseld met combinatie van cellenbeton en kalkzandsteen (...) overlap stenen zeer weinig (...) bestaande kilkeper verrot ! wanden badkamers voorzien van gewone gipsplaten i.p.v. hydro (vochtwerend) (...) hoek onderstroomde kelder nog open !” 2.
- Op 12 oktober 2023 heeft [adviseur] opnieuw een verslag aan [eiser in conventie] verzonden, waarin het volgende staat: “Muurplaatankers ! omgebogen draad alleen verankerd 4 lagen in buitenspouwblad, Moet in binnen en buitenblad ca. 80 cm lang Luchtspouw bij spouwmuren nog steeds vervuild met specie resten e.d. ! (...) geen metselwerk binnenspouw muurplaatankers niet in het midden (...) geen moer op anker t.p.v. spantbeen (...) geen 2 lagen dpc boven kozijnen zie detail (...) gording binnen dakkapellen ( werkers wisten dat dee weer weg moet !) (...) Binnenblad achtergevel te laag gordingen komen er bovenuit, blokken en isolatie we al schuin gemetseld” 2.
- Op 12 oktober 2023 zijn partijen samen bij het pand wezen kijken. Die avond heeft [gedaagde in conventie] aan [eiser in conventie] een e-mail verzonden met de volgende inhoud: “Hierbij zoals afgesproken een conclusie van wat wij hebben besproken en wat wij zijn overeengekomen. De tekeningen van de architect ( [architect] ( en constructeur [constructeur] wijken sterk af van elkaar. 1) In het begin van de bouw bij de kolom opbouw heeft [architect] de aantal stalen pilaren anders ingetekend dan [constructeur] bepaald in zijn constructie tekening. ik heb [architect] destijds erover gebeld, echter hij wist niet meer welke tekening met werkwijze aangehouden diende te worden. Hij gaf toen telefonisch een andere werkwijze door( van [constructeur] weer) dan hij had bepaald. Ik wist toen niet meer welke tekening ik nou moest volgen. Daarop heb ik mijn eigen plan getrokken met dito aanpassingen. (...) 2) Er is ook een discrepantie ontstaan doordat [architect] - zonder dat hij ook maar live van te voren op het project is geweest - het nieuwe dak op 45 graden is blijven doorvoeren in zijn tekeningen ofschoon werkelijk het oude dak 42 graden is. (...) Vandaar dat wij de spanten met 70 cm hebben teruggebracht. Ik kan andere tekeningen eisen om niet weer technisch in de problemen te kunnen komen, maar dat kost ook geld en vertraging. Afgesproken is met elkaar dat wij de nieuwe aanpassingen op het gebied van aanpassen balken constructie hoogte dakkapel in verhouding met de reeds gelaste bevestiging punten zelf aanpassen. [eiser in conventie] verklaart ook dat de meerwerk kosten voor het metselwerk, realisatie poeren, aanpassing stellen constructie, sloopwerk al reeds opgebouwde metsel laag, extra container ruimte, laswerk, aanpassingen aan de gordingen en goede vertanding van het al opgebouwde metselwerk aan de achterkant zal vergoeden. Ik had de metselaar al opdracht gegeven alvast door te gaan om geen vertraging te kunnen doen oplopen. Dit zal zoals ik inschat rond de 3000/ 4000 ex btw euro komen te liggen. [eiser in conventie] verklaart ook dat mogelijke problemen met de gemeente, constructeur en architect niet voor rekening zijn voor [bedrijf gedaagde] maar voor eigen rekening is. Voor rest zie ik vanaf nu geen problemen meer in de uitvoering. 2.
- [eiser in conventie] heeft in reactie daarop het in 2.
- genoemde verslag van [adviseur] aan [gedaagde in conventie] gezonden en daarbij het volgende geschreven: “We hebben het over onderstaande zaken gehad en ik zal daarvoor de eindverantwoording dragen zoals je aangeeft. (...) Ook hebben we vastgesteld dat de basis voor het dak nu goed is en dat hierop nu het dak kan worden gemaakt met daarop tussen de stalen constructie de dakkapellen. (...) Hierbij geef ik ook nogmaals aan dat als je vragen hebt constructief af anderzijds vraag het als hij er is of bel de architect, je hebt zijn nummer. Bijgaand doe ik je nog wat bevindingen van hem welke ik vandaag kreeg. Ik besef mij uiteraard dat er in het werk misschien zaken die hier vermeld staan als niet voldoende of niet gedaan nog in de planning zitten om te doen. (...)” 2.
- [gedaagde in conventie] heeft tussen 29 augustus en 5 november 2023 verschillende facturen voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden aan [eiser in conventie] gestuurd, voor een totaalbedrag van € 110.927,
- [eiser in conventie] heeft deze facturen betaald. Daarnaast heeft [eiser in conventie] bedragen van € 30.000,00 en € 22.000,00 contant aan [gedaagde in conventie] voldaan. [gedaagde in conventie] heeft een bedrag van € 12.000,00 terugbetaald aan [eiser in conventie] . 2.
- Bij e-mailbericht van 13 november 2023 heeft [eiser in conventie] [gedaagde in conventie] als volgt bericht: “Naar aanleiding van de visuele keuring afgelopen vrijdag waarbij nogal wat opmerkingen zijn gemaakt wil ik je hierbij vragen verder geen werkzaamheden meer uit te voeren. Eerst wil ik een uitsluitsel van de constructeur zien waaruit blijkt dat de constructie goed is.” 2.
- Bij e-mailbericht van 14 november 2023 heeft [eiser in conventie] [gedaagde in conventie] als volgt bericht: “Ik heb je mails gezien en begrepen dat er bij de constructeur naar gekeken wordt maar dat dat even tijd gaat kosten. We zullen dat even moeten afwachten en dus even niet verder gaan!. Is niet anders.” 2.
- In opdracht van [eiser in conventie] heeft de heer [inspecteur] van [inspectiebedrijf] (hierna: [inspecteur] ) een inspectie van de werkzaamheden uitgevoerd en daarvan verslag gedaan. In dit verslag, dat hij op 16 november 2023 heeft verzonden aan [eiser in conventie] , staat het volgende: De heir onder genoemde gebreke zijn geconstateerd: • Prefab dakplaat aan bovenzijde te lang waardoor de dakplaat niet aansluit op het spant en de nok (bouwfout) • Aan de gootzijde de dakplaat te kort (bouwfout) • Muurplaat ankers te kort en dient te zijn bevestigd in het binnen spouwblad. (bouwfout) • Op tekening staat een gording kap getekend. De aansluiting op het bestaande dak is uitgevoerd als een sporen kap. De gordingen ontbreken !! ?? ( niet overlegd met de constructeur /constructieve bouwfout) • Op tekening staan stalen spanten getekend die op stalen kolommen komen te staan in de binnenmuur. De stalen kolommen zijn niet uitgevoerd. De spanten staan op het metselwerk.(niet overlegd met de constructeur) Hoe het is uitgevoerd is niet bekend. • De kunststof buitenkozijnen zijn rondom voorzien van purschuim ?? Niet nodig bij een deugdelijke afdichting. (bouwfout) • Door de houten balklaag op de verdieping zijn gaten geboord waardoor de elektrabuizen zijn getrokken ?? dit verzwakt de balklaag (bouwfout) • De stootvoegen (verticale voegen) in het binnenblad zijn niet voorzien van specie (niet luchtdicht) (bouwfout) Ik heb de heer [gedaagde in conventie] gevraagd of hij bekend was met de wijzigingen in de kap. Hij kon mij daar geen antwoord op geven. Mijn advies is dan ook om alle constructieve wijzigingen te laten controleren door de betrokken constructeur alvorens verder te gaan. (...) Ik heb de heer [gedaagde in conventie] gevraagd of hij een bouwkundige opleiding heeft gevolgd. Hij heeft geen enkele bouwkundige opleiding genoten.” 2.
- Op 17 november 2023 heeft [eiser in conventie] het rapport van [inspecteur] aan [gedaagde in conventie] verzonden. Daarbij heeft hij het volgende geschreven: “Hieruit blijkt dat er meerdere bouwfouten zijn gemaakt. Ik leg de bouw dan ook voor 100% stil vanaf heden.” 2.
- Bij e-mailbericht van 1 december 2023 heeft de advocaat van [eiser in conventie] [gedaagde in conventie] , samengevat, bericht dat de kwaliteit van het geleverde werk niet voldoet en dat het voortzetten van de werkzaamheden de problemen enkel zal vergroten. [eiser in conventie] wil graag onderling tot een oplossing komen, waarbij de werkzaamheden worden opgeleverd en de niet uitgevoerde werkzaamheden worden verrekend als minderwerk, of waarbij partijen tot een beëindiging met wederzijds goedvinden komen en het werk laten opnemen om tot een eindafrekening te komen. [gedaagde in conventie] wordt verzocht binnen een week te reageren en indien gewenst een alternatief voor te stellen. In de brief staat de volgende zinsnede: “Ik benadruk dat ik met het vorenstaande een (eerste) gedachte opwerp om op korte termijn een einde te trachten te maken aan de huidige situatie, waarin u niet in staat lijkt het werk naar de eisen van goed en deugdelijk werk op te gaan leveren.” 2.
- Bij e-mailbericht van 4 december 2023 heeft [gedaagde in conventie] hierop uitvoerig gereageerd. In zijn bericht staat, kort samengevat, dat er discrepanties bestonden tussen de tekeningen van [constructeur] en [architect] . Daardoor zijn er problemen ontstaan bij het plaatsen van de stalen spanten, de muurplaatankers en het binnenblad. Volgens [gedaagde in conventie] heeft hij op de bouw reeds [eiser in conventie] gevraagd [architect] en [adviesbedrijf] ( [adviseur] , rb.) op de hoogte te stellen van zijn bevindingen, waarna op 11 oktober 2023 de spanten naar beneden zijn gezet om met een nieuw knikpunt de gewenste hoogte te bereiken. Op 12 oktober, toen de herstelwerkzaamheden in volle gang waren, is tweede de rapportage door [adviseur] opgemaakt. Verder wijst [gedaagde in conventie] erop dat [eiser in conventie] heeft aangegeven alle verantwoordelijkheden die voorkomen uit de conflicterende tekeningen op zich te nemen. Ten slotte bevat het bericht van [gedaagde in conventie] een uitvoerige (inhoudelijke) reactie op de door [inspectiebedrijf] geconstateerde gebreken. [gedaagde in conventie] merkt op dat hij graag de werkzaamheden tot een goed einde had willen brengen, maar dat dit helaas tot dan toe niet is gelukt. 2.
- Op 8 december 2023 heeft [gedaagde in conventie] gereedschap en (bouw)materiaal opgehaald van de bouwplaats. 2.
- Bij brief van 13 december 2023 heeft de advocaat van [eiser in conventie] de advocaat van [gedaagde in conventie] , kort samengevat, bericht dat [gedaagde in conventie] door het weghalen van zijn materiaal de keuze heeft gemaakt eenzijdig de werkzaamheden te beëindigen. Dat levert een tekortkoming op en aangezien af te leiden is dat [gedaagde in conventie] het werk niet zal hervatten, treedt direct verzuim in. De advocaat stelt [gedaagde in conventie] voor zover nodig in gebreke en stelt hem aansprakelijk voor de door [eiser in conventie] geleden en nog te lijden schade. Verder staat in de brief dat de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (hierna: ODRN) heeft aangekondigd een opname te komen doen van het werk. 2.
- Bij brief van 17 januari 2024 heeft de ODRN [eiser in conventie] bericht dat op 15 december 2023 een mondelinge bouwstop is opgelegd door de toezichthouder omdat de constructieve veiligheid niet geborgd is. Deze bouwstop wordt schriftelijk bevestigd. Tevens wordt een last onder dwangsom opgelegd voor het geval er wel bouwwerkzaamheden plaatsvinden. In de brief staat verder het volgende: “De inspectie heeft plaats gevonden in aanwezigheid van de heer [adviseur] . De heer [adviseur] heeft zijn twijfels uitgesproken over de constructieve veiligheid. Tijdens de inspectie (...) heeft de toezichthouder geconcludeerd dat er niet is gebouwd conform de verleende omgevingsvergunning (...), de situatie is beoordeeld als zijnde niet veilig. De toezichthouder heeft gezien dat de muurplaten aan beide zijden verschillende hoogtes hebben, terwijl deze conform tekening gelijk dienen te zijn. Ten tijden van de inspectie was het niet te controleren of de juiste balken aan de gordingen en vloeren zijn toegepast, dit geldt ook voor de bevestigingen van de kapconstructie.” 2.
- Op 8 februari 2024 heeft [inspecteur] het pand geïnspecteerd. Bij deze inspectie waren [eiser in conventie] , [gedaagde in conventie] en [constructeur] aanwezig. Op 10 april 2024 heeft [inspecteur] een rapport opgemaakt, waarin hij – samengevat – heeft geconcludeerd dat de uitbouw op onderdelen niet aan goed en deugdelijk werk voldoet, dat er constructief grote fouten zijn gemaakt en dat men zich op onderdelen niet heeft gehouden aan de bouwtekeningen. 2.
- Bij brief van 26 april 2024 heeft de advocaat van [eiser in conventie] de advocaat van [gedaagde in conventie] bericht over de door de ODRN opgelegde bouwstop en meegedeeld dat [eiser in conventie] een procedure zal opstarten waarin de (anticipatieve) ontbinding van de overeenkomst tussen partijen zal worden gevorderd. 2.
- Bij e-mailbericht van 1 mei 2024 heeft de advocaat van [gedaagde in conventie] hierop gereageerd door mee te delen dat [gedaagde in conventie] een contra-expertise wil laten uitvoeren. De advocaat van [eiser in conventie] heeft vervolgens laten weten dat [eiser in conventie] niet instemt met een contra-expertise en daarvoor ook geen toegang zal verlenen tot het pand. 3Het geschil in conventie 3.
- [eiser in conventie] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: primair: voor recht verklaart dat [gedaagde in conventie] contractueel en/of wettelijk aansprakelijk is voor de door [eiser in conventie] geleden en nog te lijden schade, ontstaan als gevolg van de gebreken die tijdens de uitvoering van de werkzaamheden door [gedaagde in conventie] zijn ontstaan, althans een in goede justitie te formuleren verklaring voor recht die beantwoordt aan de belangen van [eiser in conventie] ; de aanneemovereenkomst anticipatief ontbindt, in die zin dat de door [eiser in conventie] reeds gedane betalingen ter hoogte van € 150.927,63 op grond van de ongedaanmakingsverbintenis worden gerestitueerd door [gedaagde in conventie] , vermeerderd met wettelijke rente; [gedaagde in conventie] veroordeelt tot vergoeding van de schade die [eiser in conventie] lijdt, begroot op € 81.409,02, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente; subsidiair: - [gedaagde in conventie] veroordeelt tot het voldoen van een schadevergoeding aan [eiser in conventie] , inclusief de herstelkosten ter hoogte van € 114.558,69, althans € 92.187,32 en de schade ter hoogte van € 81.409,02, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente; zowel primair als subsidiair: - [gedaagde in conventie] veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.
- [eiser in conventie] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat tussen partijen een overeenkomst tot aanneming van werk tot stand is gekomen. Gelet op de door (onder meer) de ODRN geconstateerde gebreken aan de kap, verdiepingsvloer, spouw- en binnenmuren, metselwerk en kozijnen staat vast dat [gedaagde in conventie] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat het werk niet tijdig en niet behoorlijk zal worden opgeleverd. [eiser in conventie] vordert dan ook primair dat de rechtbank op de voet van artikel 7:756 BW de overeenkomst anticipatief zal ontbinden en [gedaagde in conventie] zal veroordelen het reeds betaalde bedrag van € 150.927,63 aan [eiser in conventie] terug te betalen. Subsidiair stelt [eiser in conventie] dat [gedaagde in conventie] op de voet van artikel 7:750 lid 1 BW toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis en dat op grond van artikel 6:80 lid 1 onder a BW vast staat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn. Volgens [eiser in conventie] is gebleken dat [gedaagde in conventie] te weinig bouwkundige kennis heeft om het project naar de eisen van goed en deugdelijk werk op te leveren. Voor zover verzuim vereist is, stelt [eiser in conventie] dat hij uit het ophalen van het gereedschap en materiaal door [gedaagde in conventie] op 8 december 2023 mocht afleiden dat [gedaagde in conventie] de werkzaamheden niet meer verder zou uitvoeren. [gedaagde in conventie] dient de herstelkosten van € 114.558,69 te vergoeden, aldus [eiser in conventie] . 3.
- [gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in conventie] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.
- [gedaagde in conventie] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, primair [eiser in conventie] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde in conventie] van € 15.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, en subsidiair voor recht verklaart dat de tussen partijen gesloten overeenkomst is geëindigd en [eiser in conventie] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde in conventie] van € 15.000,00, vermeerderd met wettelijke rente. 3.
- [gedaagde in conventie] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat [eiser in conventie] de aannemingsovereenkomst heeft opgezegd c.q. beëindigd en uit hoofde van artikel 11.5 van de algemene voorwaarden van [gedaagde in conventie] juncto artikel 7:674 lid 2 BW gehouden is de aanneemsom aan [gedaagde in conventie] te voldoen, minus de besparingen die [gedaagde in conventie] heeft gehad. Volgens [gedaagde in conventie] heeft hij ruim € 15.000,00 exclusief btw aan kosten gemaakt, die [eiser in conventie] dient te vergoeden. Subsidiair stelt [gedaagde in conventie] dat de werkzaamheden door de bouwstop langer dan een maand zijn geschorst. Op grond van artikel 11.4 van zijn algemene voorwaarden vordert hij een verklaring voor recht dat de overeenkomst is beëindigd. Het gevolg van die beëindiging is dat [eiser in conventie] gehouden is de volledige aanneemsom minus besparingen, een bedrag van € 15.000,00, aan [gedaagde in conventie] te voldoen, aldus [gedaagde in conventie] . 3.
- [eiser in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen, dan wel dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard of dat daaraan de voorwaarde wordt verbonden dat [gedaagde in conventie] zekerheid zal stellen, met veroordeling van [gedaagde in conventie] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. Verder verzoekt [eiser in conventie] de rechtbank om aan de schending van de waarheidsplicht door [gedaagde in conventie] de gevolgen te verbinden die de rechtbank geraden acht. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.
- In deze procedure staat vast dat partijen een aannemingsovereenkomst hebben gesloten, uit hoofde waarvan [gedaagde in conventie] verbouwingswerkzaamheden aan het pand van [eiser in conventie] zou verrichten. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde in conventie] vanaf 29 augustus 2023 werkzaamheden heeft verricht en dat [eiser in conventie] de tot 5 november 2023 daarvoor verzonden facturen heeft voldaan. Verder is niet in geschil dat [eiser in conventie] op 13 november 2023 [gedaagde in conventie] heeft verzocht te stoppen met de werkzaamheden (zie r.ov. 2.14). Ten slotte is niet in geschil dat de overeengekomen verbouwing van het achterhuis door [gedaagde in conventie] niet is afgerond en dat oplevering van het werk niet heeft plaatsgevonden. 4.
- [eiser in conventie] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde in conventie] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de aanneemovereenkomst. Zowel [adviseur] en [inspecteur] als de ODRN hebben ernstige gebreken geconstateerd aan de kap, verdiepingsvloer, spouw- en binnenmuren, metselwerk en kozijnen. Deze gebreken samen zorgen voor een constructief gebrekkige en daarmee onveilige situatie, aldus [eiser in conventie] . De rechtbank stelt voorop dat, nu oplevering van het werk niet heeft plaatsgevonden, in beginsel nog geen sprake kan zijn van een tekortkoming. Bij aanneming van werk kan immers doorgaans pas bij de oplevering worden beoordeeld of de aannemer is tekortgeschoten in zijn verplichtingen. De vraag in deze procedure is of [eiser in conventie] , bij die stand van zaken, toch aanspraak kan maken op schadevergoeding en terugbetaling van het reeds aan [gedaagde in conventie] betaalde bedrag van € 150.927,
- Primaire beroep op anticipatieve ontbinding 4.
- [eiser in conventie] beroept zich primair op de anticipatieve ontbinding van artikel 7:756 BW. Hij stelt dat de werkzaamheden die [gedaagde in conventie] heeft verricht zo veel gebreken bevatten dat waarschijnlijk is dat het werk niet tijdig of niet behoorlijk zal worden opgeleverd. In artikel 7:756 BW is bepaald dat de rechter de aannemingsovereenkomst op vordering van de opdrachtgever geheel of gedeeltelijk kan ontbinden indien reeds vóór de vastgestelde tijd van oplevering waarschijnlijk wordt dat het werk niet op tijd of niet behoorlijk zal worden opgeleverd. Artikel 7:756 BW betekent een verruiming van de bevoegdheid tot ontbinding op grond van artikel 6:265 BW in samenhang met artikel 80 lid 1 sub a, b en c BW. De enkele waarschijnlijkheid dat de opdrachtgever niet op tijd of niet behoorlijk zal presteren is al voldoende voor een vordering tot ontbinding van de aannemingsovereenkomst (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 februari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:472). 4.
- Voor toepassing van artikel 7:756 BW is vereist dat partijen een vastgestelde tijd van oplevering hebben afgesproken. Dat is hier echter niet het geval. [eiser in conventie] heeft niet gesteld dat partijen een termijn zijn overeengekomen voor het voltooien van de verbouwing. Daarmee vervalt in beginsel reeds de mogelijkheid tot een beroep op de anticipatieve ontbinding van artikel 7:756 BW (vgl. ook Gerechtshof Amsterdam 23 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1066). Ter zitting heeft [eiser in conventie] echter aangevoerd dat, hoewel een exacte termijn niet is overeengekomen, artikel 7:756 BW in dit geval naar redelijkheid moet worden toegepast, in die zin dat er ook zonder vastgestelde opleveringstermijn sprake was van de waarschijnlijkheid van niet tijdige oplevering. [eiser in conventie] stelt dat als gevolg van het handelen van [gedaagde in conventie] , en de omvang van de gebreken, zo veel vertraging zou ontstaan dat hij er niet meer op kon vertrouwen dat [gedaagde in conventie] het werk binnen een redelijke termijn op deugdelijke wijze kon afronden. 4.
- De rechtbank volgt die stelling niet. Toen [eiser in conventie] op 13 november 2023 [gedaagde in conventie] verzocht het werk stil te leggen, was [gedaagde in conventie] twee en halve maand bezig. [eiser in conventie] heeft niet onderbouwd gesteld wat een redelijke termijn voor afronding van het werk zou zijn, maar de rechtbank acht, gelet op de omvang van de verbouwing (waarbij eerst moest worden gesloopt en daarna onder meer wijzigingen zouden plaatsvinden aan de indeling en constructie van het pand) redelijk dat de verbouwing minstens meerdere maanden zou kosten. Dan was er in november nog geen sprake van een bovenmatige tijdsbesteding. [eiser in conventie] heeft evenmin voldoende onderbouwd gesteld hoeveel tijd ermee gemoeid zou zijn geweest als [gedaagde in conventie] na 13 november 2023 de gestelde gebreken was gaan herstellen en de werkzaamheden verder had afgerond. Dat [inspecteur] schat dat dit 490 uur zou kosten, is niet voldoende. Uitgaande van de noodzaak van herstel van alle door [inspecteur] genoemde punten, geldt dat dit herstel met de inzet van meerdere onderaannemers van [gedaagde in conventie] enkele weken had geduurd. Dat zou betekenen dat het werk aan het einde van het jaar afgerond zou zijn. Dat dit een onaanvaardbare vertraging zou opleveren is niet gebleken. 4.
- Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor ontbinding van de overeenkomst op grond van artikel 7:756 BW. Voor zover deze bepaling al zo ruim moet worden uitgelegd dat waarschijnlijk is dat een redelijke termijn zou zijn overschreden, geldt dat niet duidelijk is geworden van welke termijn moet worden uitgegaan, nog daargelaten of die termijn zou zijn overschreden. Dit betekent dat de primair gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is en dat ook de primaire vorderingen tot schadevergoeding en terugbetaling van de aanneemsom zullen worden afgewezen. Subsidiaire beroep op wanprestatie 4.
- [eiser in conventie] beroept zich voor zijn subsidiaire vordering op wanprestatie ex artikel 6:265 BW. Hij stelt dat [gedaagde in conventie] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. De rechtbank stelt voorop, zoals ook in r.ov. 4.2 is overwogen, dat er in beginsel nog geen tekortkoming kan zijn nu de werkzaamheden nog niet zijn opgeleverd. Tot aan de oplevering heeft een aannemer namelijk nog de gelegenheid eventueel geconstateerde gebreken te herstellen. Pas daarna kan verzuim intreden. Van een opeisbare verbintenis is dus nog geen sprake. [eiser in conventie] beroept zich echter op artikel 6:80 lid 1 sub a BW, waarin is bepaald dat de gevolgen van niet-nakoming intreden vóór opeisbaarheid van de prestatie indien vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk is. Volgens [eiser in conventie] blijkt uit de hoeveelheid en ernst van de in r.ov. 4.2 genoemde gebreken en uit mededelingen van [gedaagde in conventie] zelf dat laatstgenoemde over te weinig bouwkundige kennis en kunde beschikt om het project naar de eisen van goed en deugdelijk werk op te leveren. Dit valt [gedaagde in conventie] , aldus [eiser in conventie] , toe te rekenen omdat hij welbewust het werk heeft aangenomen en de reeds uitgevoerde werkzaamheden gebrekkig heeft uitgevoerd. 4.
- De rechtbank overweegt dat de maatstaf voor een geslaagd beroep op artikel 6:80 lid 1 sub a BW strenger is dan het (primaire) beroep van [eiser in conventie] op artikel 7:756 BW. Voor toewijsbaarheid van de subsidiaire vordering is niet vereist dat waarschijnlijk is dat het werk niet deugdelijk zal worden opgeleverd, maar dat vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk is. Aan die maatstaf is in deze zaak niet voldaan. Allereerst weegt de rechtbank mee dat [eiser in conventie] de werkzaamheden na twee en halve maand heeft laten stilleggen. De verbouwing was toen nog in volle gang. Ook [eiser in conventie] heeft immers erkend dat [gedaagde in conventie] de werkzaamheden nog niet had afgerond. [gedaagde in conventie] is na 13 november 2023 niet meer op de bouw geweest. Voor een geslaagd beroep op artikel 6:80 lid 1 sub a BW zou bij die staat van de verbouwing al sprake moeten zijn geweest van zo veel of zo ernstige gebreken dat het werk onmogelijk nog deugdelijk kon worden opgeleverd. 4.
- Volgens [eiser in conventie] is dat het geval, omdat bleek dat [gedaagde in conventie] constructief onveilig heeft gebouwd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dit echter onvoldoende uit de verslagen van [adviseur] , [inspecteur] en de ODRN, waarnaar [eiser in conventie] verwijst. De verslagen van [adviseur] zijn zeer summier en missen een toelichting op de genoemde punten. Bovendien heeft [eiser in conventie] nadien per e-mail aan [gedaagde in conventie] gemeld (zie r.ov. 2.12) dat hij zich realiseert dat er punten in staan die nog in de planning zitten om uit te voeren. Ook de rapporten van [inspecteur] van 17 november 2023 en 10 april 2024 acht de rechtbank onvoldoende om de stelling van [eiser in conventie] te onderbouwen. Deze rapporten zijn in opdracht van [eiser in conventie] opgesteld en zijn daarmee geen onafhankelijke en onpartijdige rapporten. Bovendien geldt dat in het rapport van 17 november 2023 slechts in bullet points gebreken zijn opgesomd en dat [inspecteur] adviseert om de constructeur naar de veiligheid van de constructie te laten kijken. Dat [constructeur] ook een inspectie heeft uitgevoerd en daarvan schriftelijk heeft gerapporteerd, is echter niet gebleken. Van het tweede rapport heeft [gedaagde in conventie] bovendien onweersproken aangevoerd dat dit pas is opgemaakt na een inspectie in februari. Het werk lag toen al maanden stil in de winterperiode, wat voor de staat ervan niet bevorderlijk is geweest. Daarbij heeft [gedaagde in conventie] alle door [inspecteur] geconstateerde punten in zijn conclusie van antwoord uitvoerig weerlegd. De brief van de ODRN vormt evenmin voldoende onderbouwing voor de gestelde gebreken. Daaruit blijkt dat de inspecteur zich heeft laten rondleiden en voorlichten door [adviseur] , die in opdracht van [eiser in conventie] werkte. De grootste reden om de bouwstop op te leggen, lijkt te zijn dat [adviseur] twijfelt aan de veiligheid van de constructie. Het enige concrete punt dat in het verslag van de inspectie wordt genoemd is dat is afgeweken van de vergunning en dat de “muurplaten” verschillende hoogtes hebben. Andere punten konden, zo staat in de brief, niet worden gecontroleerd. 4.
- De rechtbank acht ook van belang dat [gedaagde in conventie] zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat hij moest werken op basis van de tekeningen van constructeur [constructeur] en architect [architect] , terwijl die op onderdelen van elkaar afweken. Dat is ook de reden voor de verschillende hoogtes van de muurplaten en het afwijken van de vergunning ter zake van de aansluiting op het dak, aldus [gedaagde in conventie] . Volgens [gedaagde in conventie] heeft hij direct tijdens de bouw aandacht gevraagd voor de geconstateerde afwijkingen en heeft hij, na overleg met [eiser in conventie] , besloten op welke wijze de balkenconstructie moest worden aangepast en dit op 11 oktober 2023 in gang gezet. Dit blijkt ook onder meer uit de in r.ov. 2.11 en 2.12 weergegeven e-mailberichten tussen partijen. [gedaagde in conventie] voert aan dat hij steeds heeft geprobeerd duidelijkheid te krijgen over welke tekening hij moest aanhouden. Hij heeft een e-mailbericht aan [constructeur] in het geding gebracht van de ochtend van 13 november 2023 (vóór het bericht van [eiser in conventie] over het stilleggen van het werk) waarin hij uiteenzet dat hij in afwijking van de tekening van [architect] volgens de tekeningen van [constructeur] de vier stalen spanten op de binnenmuur heeft geplaatst. Hij heeft toegelicht hoe de muurplaatankers zijn geplaatst en [constructeur] gevraagd of het totale portaal op deze wijze constructief genoeg is, en zo niet, op welke wijze [constructeur] meer muurplaatankers wil laten plaatsen. [constructeur] heeft daarop verzocht om vragen over de constructie via de opdrachtgever te laten verlopen, waarop [gedaagde in conventie] heeft gereageerd dat [eiser in conventie] hem juist heeft gevraagd contact met [constructeur] op te nemen. [gedaagde in conventie] heeft verder nog een voorstel gedaan over het plaatsen van extra muurankers en de wijze waarop deze kunnen worden aangebracht. 4.
- Gelet op deze omstandigheden is niet voldoende gebleken dat op 13 november 2023, toen [gedaagde in conventie] na twee en halve maand op verzoek van [eiser in conventie] stopte met de werkzaamheden, sprake was van een tekortkoming. In geen geval staat vast dat de tekortkoming zo ernstig was dat daaruit volgt dat deugdelijke nakoming onmogelijk was. [eiser in conventie] heeft immers niet onderzocht of [gedaagde in conventie] het werk zonder de gestelde gebreken had kunnen opleveren, bijvoorbeeld na ontvangst van een reactie van [constructeur] . [gedaagde in conventie] is na 13 november 2023 niet meer in de gelegenheid gesteld om nog werkzaamheden te verrichten. Op 17 november 2023 heeft [eiser in conventie] de definitieve bouwstop opgelegd en op 1 december 2023 heeft zijn advocaat laten weten de overeenkomst te willen beëindigen. Dat [gedaagde in conventie] niet meer in staat was verder te werken, of dit weigerde, was dus niet aan de orde. Als al wordt aangenomen dat [gedaagde in conventie] gebrekkig heeft gebouwd en dit had moeten herstellen, blijkt niet dat hij dat niet had gekund. De enkele opmerking dat hij heeft erkend dat hij geen bouwkundige opleiding had, is niet voldoende. [gedaagde in conventie] is niet als bouwkundige of constructeur met [eiser in conventie] in zee gegaan, maar als aannemer. Dat hij geen bouwkundige opleiding heeft genoten, betekent zonder nadere toelichting niet dat hij het werk niet zonder gebreken had kunnen opleveren. 4.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet vast staat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk was. Dat betekent dat het beroep op artikel 6:80 lid 1 sub a BW niet kan slagen. Verzuim 4.
- [eiser in conventie] heeft ten slotte aangevoerd dat [gedaagde in conventie] in verzuim is op de voet van artikel 6:83 onder c juncto 6:82 lid 2 BW. Volgens [eiser in conventie] mocht hij uit het ophalen door [gedaagde in conventie] van diens gereedschap en materiaal op 8 december 2023 afleiden dat [gedaagde in conventie] in de nakoming van de verbintenis tekort zou schieten. [gedaagde in conventie] heeft dat betwist. Hij heeft verklaard dat hij na de bouwstop op 13 november 2023 zijn onderaannemers heeft gevraagd beschikbaar te blijven, omdat hij verwachtte dat er weer verder gebouwd kon worden. Volgens [gedaagde in conventie] wilde hij na reactie van [constructeur] het werk hervatten. Toen de tijd verstreek, heeft hij in het kader van schadebeperking zijn materialen en gereedschap opgehaald zodat hij elders werkzaamheden zou kunnen (laten) verrichten, zo heeft hij toegelicht. 4.
- [gedaagde in conventie] heeft ter onderbouwing van zijn verweer WhatsApp-berichten overgelegd van 23 november 2023, waarin hij [eiser in conventie] vraagt of er al meer bekend is van [constructeur] en of hij er zicht op heeft hoelang dat kan duren. [eiser in conventie] heeft daarop gereageerd: “Nee niks van gehoord nog. Zal eens informeren.” Daarop heeft [gedaagde in conventie] geschreven: “Graag, [dakdekkersbedrijf] wilt nl nu duidelijkheid hebben. En anders is het een idee dat ik de steigers weghaal. Kost me zeker 175 euro per week. Mocht er weer progressie in komen dan zijn die weer zo besteld.” [eiser in conventie] heeft niet betwist dat deze berichten door partijen zijn uitgewisseld. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit bericht dat [gedaagde in conventie] al op 23 november 2023 heeft aangekondigd dat hij zijn spullen tijdelijk wilde ophalen in afwachting van het opheffen van de bouwstop. De rechtbank kent ook in dit verband gewicht toe aan de brief van de advocaat van [eiser in conventie] van 1 december 2023 (zie r.ov. 2.18). Nog daargelaten of het ophalen van spullen al zou kwalificeren als een gedraging waaruit blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn (artikel 6:82 lid 2 BW) of een mededeling waaruit de schuldeiser moet afleiden dat de schuldenaar zal tekortschieten in de nakoming (artikel 6:83 sub c BW), geldt dat [gedaagde in conventie] uit de genoemde brief mocht afleiden dat verdere werkzaamheden niet meer gewenst waren. In het licht van die omstandigheden ziet de rechtbank het ophalen van de spullen door [gedaagde in conventie] een week later dan ook niet als een gedraging waaruit [eiser in conventie] mocht afleiden dat [gedaagde in conventie] in de nakoming van de verbintenis tekort zou schieten. 4.
- De conclusie is dat er (nog) geen sprake was van een aantoonbare tekortkoming in de nakoming door [gedaagde in conventie] op het moment van de door [eiser in conventie] opgelegde bouwstop op 13 november
- Nu [gedaagde in conventie] niet meer in de gelegenheid is gesteld om gebreken te herstellen en het werk te hervatten, en ook niet in verzuim verkeert, bestaat er geen grond voor de gevorderde schadevergoeding. Het voorgaande betekent dat ook de subsidiaire vordering van [eiser in conventie] zal worden afgewezen. De overige stellingen van partijen in conventie kunnen daarmee onbesproken blijven. 4.
- [eiser in conventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde in conventie] worden begroot op: - griffierecht € 2.626,00 - salaris advocaat € 5.428,00 (2 punten × € 2.714,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 8.232,00 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in reconventie 4.
- [gedaagde in conventie] vordert in reconventie betaling door [eiser in conventie] van € 15.000,
- [gedaagde in conventie] stelt dat de door [eiser in conventie] op 13 november 2023 opgelegde bouwstop moet worden aangemerkt als een opzegging van de aannemingsovereenkomst. Op grond van artikel 11.5 van de algemene voorwaarden van [gedaagde in conventie] , juncto artikel 7:674 lid 2 BW, dient [eiser in conventie] de volledige aanneemsom aan [gedaagde in conventie] te voldoen, minus de besparingen die [gedaagde in conventie] door de opzegging c.q. de beëindiging van de overeenkomst heeft gehad. 4.
- De rechtbank is van oordeel dat deze vordering bij gebreke van een onderbouwing niet toewijsbaar is. [gedaagde in conventie] heeft in geen enkel opzicht inzichtelijk gemaakt hoe het door hem (zowel primair als subsidiair) gevorderde bedrag van € 15.000,00 is opgebouwd. Ter zitting heeft zijn advocaat toegelicht dat dit kosten zijn die [gedaagde in conventie] heeft gemaakt doordat hij zijn onderaannemers moest betalen gedurende de bouwstop en dat hij hiervan zo nodig bewijs aanbiedt. Het had echter op de weg van [gedaagde in conventie] gelegen om zijn vordering te onderbouwen met een berekening, facturen of andere stukken. Nu hij dit heeft nagelaten, is de drempel om te worden toegelaten tot bewijslevering niet gehaald. De rechtbank gaat aan dat bewijsaanbod dan ook verder voorbij, evenals aan de verdere stellingen die partijen in reconventie hebben aangevoerd. De vordering zal worden afgewezen. 4.
- [gedaagde in conventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser in conventie] worden begroot op: - salaris advocaat € 1.357,00 (1 punt × factor 0,5 × € 2.714,00) Totaal € 1.357,00 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De rechtbank in conventie 5.
- wijst de vorderingen van [eiser in conventie] af, 5.
- veroordeelt [eiser in conventie] in de proceskosten van € 8.232,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- veroordeelt [eiser in conventie] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 5.
- wijst de vorderingen van [gedaagde in conventie] af, 5.
- veroordeelt [gedaagde in conventie] in de proceskosten van € 1.357,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- veroordeelt [gedaagde in conventie] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald. Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 23 juli
- 1782/1327