← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:11909

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/068719-25 Datum uitspraak : 18 september 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] (Suriname), ingeschreven aan [adres] . Raadsman: mr. R.S.F. ten Kortenaar, advocaat in Apeldoorn. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

  1. hij op of omstreeks 26 september 2024 te [woonplaats], althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of (in elk geval) aanwezig heeft gehad: - een hoeveelheid van ongeveer 698,49 gram hennep en - een hoeveelheid van ongeveer 282,83 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en hasjiesj middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
  2. hij op of omstreeks 26 september 2024 te [woonplaats], althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 172,85 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine en/of ongeveer 176,94 gram GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
  3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van feit 1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft bepleit dat verdachte (partieel) moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit voor zover er meer handelingen ten laste zijn gelegd dan het aanwezig hebben van hennep en hasjiesj. Beoordeling door de rechtbank Partiële vrijspraak Op basis van het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde ‘telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren’ van een hoeveelheid hennep en hasjiesj. De rechtbank zal verdachte daarom van dit gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken. Voor het overige is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aanvraag machtiging tot doorzoeking ter inbeslagneming in pand [adres] , p. 13; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 21-22; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 september
  4. Ten aanzien van feit 2 De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte heeft op 26 september 2024 te [woonplaats] 172,85 gram cocaïne aanwezig gehad. Op 26 september 2024 is in de woning van verdachte, te [woonplaats], voorts 176,94 gram GHB aangetroffen in een bovenkastje in de keuken. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van 176,94 gram GHB om vrijspraak verzocht, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist van de aangetroffen GHB in het keukenkastje. Beoordeling door de rechtbank Om tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben (te weten: in de zin van artikel 2 van de Opiumwet) te kunnen komen, dient uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen te blijken dat de ten laste gelegde hoeveelheid GHB zich in de machtssfeer van de verdachte heeft bevonden en dat bij de verdachte -een zekere mate van- wetenschap bestond ten aanzien van de aanwezigheid van die GHB in zijn woning. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het “aanwezig hebben” hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren (vgl. HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; ECLI:NL:HR:2023:498 met ECLI:NL:PHR:2023:396). De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte wetenschap had van de aangetroffen GHB. De woning waar de GHB is aangetroffen was de woning van verdachte en zijn enige verblijfadres en hij was de enige die daar verbleef. Als uitgangspunt geldt dat een bewoner van een woning weet wat zich daarin afspeelt en beschikkingsmacht te heeft over alles wat zich in de woning bevindt (vgl: ECLI:NL:HR:2023:498 met ECLI:NL:PHR:2023:396). Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. Dit is hier niet het geval. In de keuken van verdachte zijn verschillende soorten drugs aangetroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist van de aanwezigheid van alle andere drugs.Het flesje met GHB is aangetroffen in een bovenkastje van de keuken. Bij het voorhouden van het aantreffen van GHB, de blokken hasj, en hennep heeft verdachte ten aanzien van de GHB onder meer verklaard: ‘geen commentaar. […] Even serieus. Het was geen 200 mililiter.’ De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte wist van de aanwezigheid van de GHB. Door zijn wetenschap kon de verdachte ook de feitelijke macht over de verdovende middelen uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. Dat verdachte naar eigen zeggen niet de eigenaar of gebruiker was van de GHB doet daaraan niet af. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook de GHB aanwezig heeft gehad. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
  5. hij op of omstreeks 26 september 2024 te [woonplaats], althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of (in elk geval) aanwezig heeft gehad: - een hoeveelheid van ongeveer 698,49 gram hennep en - een hoeveelheid van ongeveer 282,83 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en hasjiesj middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II,
  6. hij op of omstreeks 26 september 2024 te [woonplaats], althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 172,85 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine en/of ongeveer 176,94 gram GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Tot slot moeten de inbeslaggenomen drugs worden onttrokken aan het verkeer. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit de eis van de officier van justitie te volgen. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van hard- en softdrugs. Het aanwezig hebben van dergelijke middelen levert – zeker in grotere hoeveelheden – een ernstig gevaar op voor de volksgezondheid en draagt bij aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Ook het uitsluitend voor eigen gebruik aanwezig hebben van deze middelen is strafbaar en ongewenst. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 5 september
  7. Hieruit volgt dat verdachte geen recente recidive heeft, maar in het verleden wel reeds is veroordeeld voor druggerelateerde feiten, tot jarenlange gevangenisstraffen. De rechtbank merkt op dat deze eerdere veroordelingen en straffen er kennelijk niet toe hebben geleid dat verdachte zich heeft onthouden van deze nieuwe drugsfeiten. Verder is verdachte in een andere strafzaak op 5 november 2024 onherroepelijk veroordeeld. Dit maakt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 22 augustus 2025, waarin vanwege verdachtes ontkennende houding en lopende toezicht een straf zonder bijzondere voorwaarden wordt geadviseerd. Volgens de reclassering zijn beschermende factoren moeilijk aan te wijzen. Zij probeert deze factoren in het huidige toezicht te vergroten. Verdachte komt daarin zijn afspraken redelijk na, hetzij met de nodige aansporing. Tot slot is verdachte recent een behandeling gestart bij Kairos. Gelet op de aard, ernst en combinatie van de strafbare feiten is een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend. De rechtbank ziet echter aanleiding om daar in deze zaak van af te wijken. Verdachte lijkt een aantal positieve ontwikkelingen te hebben doorgemaakt en geeft deels openheid van zaken. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit doorkruisen. De rechtbank wil verdachte daarom een (laatste) kans bieden. Gelet op de ernst van de feiten alsmede de moeite die verdachte kennelijk heeft om zich in het geheel te onthouden van drugsfeiten is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde duur van de voorwaardelijke gevangenisstraf alsmede van de proeftijd onvoldoende is en zal zij in die zin boven de eis uitgaan. Alles afwegende zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaren, om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan (soortgelijke) strafbare feiten schuldig te maken. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen van 240 uren, bij niet uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis. 8De beoordeling van het beslag De rechtbank zal de onder verdachte in beslaggenomen 176,94 gram GHB onttrekken aan het verkeer nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; - 2, 3, 10, 11 en 13a van de Opiumwet. 10De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;  bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;  legt op een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;  onttrekt 176,94 gram GHB aan het verkeer. Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Rikken (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. M.W.R. Koch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.F.A. Vrede, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 september
  8. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024453638, gesloten op 13 november 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 4 september 2025; aanvullend procesdossier, rapport NFIDENT d.d. 24 november 2024, p.
  9. Proces-verbaal van aanvraag machtiging tot doorzoeking ter inbeslagneming in pand [adres] , p. 13; Rapport NFiDent van van 20 november 2024, p. 4 van 11 (aanvullend proces-verbaal). Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 33; Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 4 september 2025; Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 35;

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.