RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05-388535-24 Datum uitspraak : 27 maart 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] (Algerije), wonende aan [adres] , op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] . Raadsman: mr. J. Vlug, advocaat in Deventer. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Feit 1 hij op of omstreeks 6 december 2024 te Putten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in/uit een auto en/of in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(
- en)en/of in een personenauto (welke zich op voornoemd erf bevond) een geldbedrag van in totaal (ongeveer) € 635,- en/of een portemonnee (met daarin meerdere pasjes), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; Feit 2 hij op of omstreeks 6 december 2024 te Putten tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een auto een Actiontas (met daarin goederen) en/of een werkjas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; Feit 3 hij op of omstreeks 6 december 2024 te Putten tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk de kofferbak van de auto en/of de jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; Feit 4 hij op of omstreeks 6 december 2024 te Putten een fiets (van het merk/type Gazelle Ultralight), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Feit 5 hij op of omstreeks 6 december 2024 te Putten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een koeltas met daarin enkele flessen drank, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(
- s)ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 4. Verdachte heeft ter zitting verklaard de koeltas te hebben gestolen, waardoor hij niet kan worden veroordeeld voor de ten laste gelegde heling onder feit 5. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken van feit 5, omdat hij de koeltas heeft gestolen waardoor van heling geen sprake kan zijn. De raadsman refereert zich ten aanzien van feiten 1 tot en met 4 aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft ten aanzien van feit 1 verklaard dat hij het geld en de portemonnee in de woning niet heeft weggenomen. Ten aanzien van feiten 2 en 3 heeft verdachte verklaard dat hij de kofferbak niet heeft geopend en dat hij en medeverdachte ook niets uit de kofferbak hebben meegenomen. De beoordeling door de rechtbank Feit 1 Aangever [aangever 1] , wonende aan [adres] , heeft verklaard dat hij op 6 december 2024 omstreeks 03.22 uur op de camerabeelden zag dat er twee mannen bij zijn auto waren die op zijn oprit stond. De mannen zijn in de auto geweest en hebben daar een vijfeurobiljet, een tieneurobiljet en een twintigeurobiljet weggenomen. Vervolgens zijn de twee mannen via de achterdeur, die niet op slot zat, zijn woning binnengegaan. Toen aangever hen zag en naar hen schreeuwde, gingen de mannen ervandoor. Zij hebben de portemonnee van de vriendin van aangever, [aangever 1] , weggenomen, waarin meerdere pasjes zaten. Ook hebben zij zeshonderd euro meegenomen, bestaande uit briefjes van vijftig euro. Op de camerabeelden van [aangever 1] is te zien dat er twee mannen het erf op kwamen. Man 2 ging in de auto zitten en keek daarin rond. Man 1 kwam bij man 2 staan. Vervolgens betraden beide mannen de woning. Man 2 opende een deurtje van de kast en man 1 keek met hem mee in de geopende kast. Daarna renden de mannen de woning uit met de bewoner achter hen aan. Verdachte heeft verklaard dat hij de nacht van 6 december 2024 met medeverdachte [medeverdachte] in de auto en in de woning van aangever is geweest. Verdachte heeft geld uit de auto van aangever weggenomen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] werden op 6 december 2024 om 05.58 uur aangehouden aan de Rimpelerweg in Putten. Medeverdachte [medeverdachte] had 877,25 euro op zak, waaronder zeventien vijftigeurobiljetten die in zijn onderbroek zaten. Ook had hij nog 65 euro bij zich, bestaande uit briefjes van twintig, tien en vijf euro. De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] het geld en de portemonnee heeft weggenomen door middel van inklimming in de auto en in de woning. Feiten 2 en 3 Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat hij op 5 december 2024 zijn auto parkeerde in Putten en dat de auto niet was afgesloten. De volgende ochtend zag hij dat het in de auto een grote rommel was. Aangever zag dat de fles motorolie die hij in de kofferbak had liggen helemaal was leeggegoten over de kleding die in de kofferbak lag. De vloer van de kofferbak van de auto en de zomerjas waren compleet bevuild door de olie. Zijn werkjas, die in de auto lag, was verdwenen. Aangever zag op de camerabeelden dat er twee mannen in zijn auto zaten en dat zij vervolgens wegliepen met een Action-tas. Op de camerabeelden is te zien dat man 1, die door de verbalisant werd herkend als zijnde medeverdachte [medeverdachte] , in de auto ging zitten en door de auto aan het zoeken was. Daarna kwam man 2 aanlopen, die door de verbalisant werd herkend als zijnde verdachte. Man 2 tikte op het raam van de auto om contact te maken met man 1. Vervolgens ging ook man 2 in de auto zitten. Op dat moment ging man 1 de auto uit en opende de kofferbak. Hij legde een tas naast de auto en zocht verder in de kofferbak. Vervolgens deed hij de kofferbakklep dicht en liep weg met de tas die hij eerder naast de auto had gezet. Kort hierna verliet ook man 2 de auto. Verdachte heeft verklaard dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] in de auto is geweest. De rechtbank constateert op basis van de bewijsmiddelen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] middenin de nacht de auto van aangever grondig hebben doorzocht met als kennelijke doel toe-eigening van een of meerdere goederen. Er zijn ook daadwerkelijk spullen van aangever weggenomen. Er was dan ook sprake van een bewuste en nauwe samenwerking. Daarbij had ieder van hen een vergelijkbare, en in die zin onderling inwisselbare, rol. De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] de werkjas en de tas uit de auto heeft gestolen. De rechtbank overweegt dat het begrip ‘inklimming’ niet zover strekt dat daaronder mede wordt verstaan een situatie als de onderhavige waarbij na het openen van een kofferbak daaruit een goed is weggenomen. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit strafverzwarende onderdeel in het onder feit 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van de ten laste gelegde vernieling overweegt de rechtbank als volgt. Doordat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zo grondig de auto doorzochten, ontstond er een aanmerkelijke kans dat er goederen in de auto lagen die daardoor konden gaan lekken. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben door zo door de auto en de kofferbak te gaan deze aanmerkelijke kans bewust aanvaard. Dat het medeverdachte [medeverdachte] is geweest die de fles motorolie heeft doen laten lekken doet daar, gelet op het medeplegen, niet aan af. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] de vernieling heeft gepleegd. Feit 4 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , p. 123 en 124; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2024. De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen de diefstal van de fiets bewezen. Feit 5 Onder feit 5 is heling van een koeltas ten laste gelegd. Aangever [aangever 5] verklaart dat een groene koeltas en flessen alcohol zijn gestolen in Putten in de nacht van 5 op 6 december 2024. Verdachte heeft bij zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij de koeltas van een vriend had gekregen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij de koeltas en flessen alcohol heeft gestolen. De rechtbank acht de laatste verklaring gelet op de inhoud van het dossier aannemelijk. De ten laste gelegde gedraging kan worden bewezen, aangezien er aangifte van de koeltas is gedaan en verdachte de koeltas die hij had gestolen voorhanden had. Niet kan worden bewezen dat er sprake was van medeplegen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het medeplegen. Ondanks het voorgaande kan verdachte, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652, r.o. 2.3.1., niet worden aangemerkt als heler van de door hem zelf gestolen koeltas. Iemand die iets steelt, kan vervolgens namelijk niet de heler van dat goed zijn. Het bewezenverklaarde feit kan daarom niet worden gekwalificeerd als heling. De rechtbank zal verdachte daarom ten aanzien van de ten laste gelegde heling ontslaan van alle rechtsvervolging. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: Feit 1 hij op of omstreeks 6 december 2024 te Putten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in/uit een auto en/of in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(
- en)en/of in een personenauto (welke zich op voornoemd erf bevond) een geldbedrag van in totaal (ongeveer) € 635,- en/of een portemonnee (met daarin meerdere pasjes), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; Feit 2 hij op of omstreeks 6 december 2024 te Putten tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een auto een Actiontas (met daarin goederen) en/of een werkjas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; Feit 3 hij op of omstreeks 6 december 2024 te Putten tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk de kofferbak van de auto en/of de jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; Feit 4 hij op of omstreeks 6 december 2024 te Putten een fiets (van het merk/type Gazelle Ultralight), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Feit 5 hij op of omstreeks 6 december 2024 te Putten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een koeltas met daarin enkele flessen drank, althans een goed heeft verworven en voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(
- s)ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen in een woning en op een besloten erf waarop een woning staat door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming; feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen; feit 3: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen; feit 4: diefstal. 5De strafbaarheid van de feiten Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de niet kwalificeerbaarheid van de opzetheling, levert het onder feit 5 bewezenverklaarde feit geen strafbaar feit op. De verdachte wordt daarom voor wat betreft dat feit ontslagen van alle rechtsvervolging. De overige feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van de straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. De raadsman heeft hierbij gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, waarbij hij uitkomt op een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek die de toepassing artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht met zich meebrengt. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich in de nacht van 6 december 2024 samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan een woninginbraak, een diefstal uit een auto en een vernieling. Zij hebben onder andere 635 euro en een jas weggenomen. Ook heeft verdachte die nacht nog een fiets gestolen. Verdachte heeft hiermee geen enkel respect getoond voor het eigendom van een ander. Daarbij veroorzaken woninginbraken en inbraken in de auto op het erf van de woning niet alleen materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy en de veiligheidsgevoelens van de bewoners. Het is voor de slachtoffers erg onaangenaam om te leven met de wetenschap dat er een vreemde in hun woning of auto is geweest en hun spullen heeft doorzocht. De rechtbank vindt dit bijzonder kwalijk. De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte mee dat uit het strafblad van verdachte van 14 februari 2025 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een diefstal en hij onderhavige feiten heeft gepleegd terwijl hij nog in de proeftijd van die veroordeling zat. Uit het reclasseringsadvies van 5 februari 2025 blijkt dat verdachte in een asielzoekerscentrum verbleef, geen zinvolle dagbesteding en geen legaal inkomen heeft, dat hij verkeert in criminele kringen en zowel drugs als alcohol gebruikt om psychosociale problemen te onderdrukken. Het lijkt erop dat verdachte onvoldoende besef heeft van zijn probleem en niet in staat is tot zelfreflectie. Hoewel verdachte aangeeft te willen werken aan het verbeteren van zijn werk- en inkomenssituatie, is hij juridisch gezien niet in staat om dit in Nederland te realiseren vanwege het terugkeerbesluit. De reclassering adviseert dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat bij feiten 1 tot en met 3 sprake was van medeplegen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere straf op te leggen dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 13.333062.24) De politierechter heeft verdachte op 23 oktober 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 dagen, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen. Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 63, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verklaart het onder feit 5 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging; verstaat dat het onder feit 1 tot en met 4 bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte voor de onder feit 1 tot en met feit 4 bewezenverklaarde feiten strafbaar; veroordeelt verdachte vanwege de onder feit 1 tot en met feit 4 bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; beveelt de tenuitvoerlegging van de op 23 oktober 2024 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van 10 dagen (parketnummer 13-333062-24). Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.E. ter Hart (voorzitter), mr. A.T.G. van Wandelen en mr. J.M. Hollebrandse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J. Schoen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2025. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024572222,gesloten op 8 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 44 en 45. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 70 en 71. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2025. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 156 en 157. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 25. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 27. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , p. 98 en 99. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 101. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2025. Proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , p. 142 en 143. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2025.