RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/459591 / HZ ZA 25-332 Vonnis van 24 december 2025 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. W.J. van der Kroon, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. J.J.M. Melissen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Op 3 september 2021 is overleden de heer [naam erflater] (hierna: erflater). Erflater heeft bij uiterste wilsbeschikking van 21 november 2001 over zijn nalatenschap beschikt. Daarbij heeft hij zijn (acht) kinderen tot erfgenamen benoemd. [eiser] is een dochter van erflater. 2.
- Erflater heeft in zijn testament [gedaagde] benoemd tot executeur. [gedaagde] heeft deze benoeming aanvaard. 3Het geschil in de hoofdzaak 3.
- [eiser] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad I. de aanvullende legitieme vordering van [eiser] te bepalen en [gedaagde] te veroordelen om deze aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling; II. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten. 3.
- [gedaagde] heeft nog niet geantwoord in de hoofdzaak. 4Het geschil en de beoordeling in het incident 4.
- [eiser] vordert in het incident – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] alle bankafschriften van erflater te verstrekken over de periode van vijf tot zeven jaar vóór het overlijden van erflater (3 september 2014 – 3 september 2016), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag, voor iedere dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft vanaf tien dagen na de betekening van dit vonnis. II. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten. 4.
- [gedaagde] heeft niet geantwoord in het incident. 4.
- Op verzoek van de partij die daar ingevolge artikel 194 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering recht op heeft, kan de rechter de wederpartij bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt (artikel 195 lid 1 Rv). Voor toewijzing van een vordering tot recht op inzage op grond van artikel 195 Rv moet aan de vereisten uit artikel 194 Rv worden voldaan. De partij die informatie van een ander wil moet partij zijn bij een rechtsbetrekking
(1)en de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn
(2). Verder moet een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek
(3)en moet degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken
(4). 4.
- De incidentele vordering van [eiser] zal worden toegewezen, nu aan voornoemde voorwaarden is voldaan. Aangezien [eiser] aanvullend een beroep wenst te doen op haar legitieme portie, is immers sprake van een rechtsbetrekking. De verlangde bankafschriften zijn voldoende bepaald, omdat zij worden opgevraagd over een specifieke periode. [eiser] heeft bovendien voldoende belang bij haar informatieverzoek. Uit de gevraagde bankafschriften kunnen immers door erflater gedane schenkingen blijken. Deze kunnen relevant zijn voor het bepalen van de omvang van de legitimaire aanspraak van [eiser] . Ten slotte kan [gedaagde] als executeur de gevraagde bankafschriften opvragen bij de bank. 4.
- De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen en gemaximeerd als volgt. 4.
- [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - salaris advocaat € 614,00 (1 punt × € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 792,00 5De beoordeling in de hoofdzaak 5.
- De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde] . 5.
- Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 6De beslissing De rechtbank in het incident 6.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] uiterlijk tien dagen na betekening van dit vonnis alle bankafschriften van erflater te verstrekken over de periode van vijf tot zeven jaar vóór het overlijden van erflater (3 september 2014 – 3 september 2016), 6.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt, 6.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.
- verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1, 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak 6.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 februari 2026 voor conclusie van antwoord, 6.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 24 december
- RG/Ma