RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/450026 / HZ ZA 25-94 Vonnis van 12 november 2025 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , advocaat: mr. B.J. van den Berg, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , advocaat: mr. C.P. Bean. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 18 juni 2025 - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 oktober
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Partijen hebben op 23 januari 2023 een koopovereenkomst gesloten waarbij [de eiser] haar appartement aan de [adres] te [plaatsnaam] verkocht aan [de gedaagde] voor een koopprijs van € 719.000,
- Partijen spraken af dat het appartement op 1 maart 2023 zou worden geleverd. Uiterlijk op die dag moest [de gedaagde] ook een waarborgsom van 10% van de koopprijs storten. 2.
- [de gedaagde] zou de aankoop mede financieren middels een schenking van haar vader, de heer [vader gedaagde] . Deze schenking zou de [vader gedaagde] doen met geld dat hij zou ontvangen uit een zakelijke deal. Op het moment dat de koopovereenkomst werd gesloten, was nog onduidelijk wanneer deze deal voltrokken zou worden. In de koopovereenkomst is daarom de volgende ontbindende voorwaarde opgenomen: “18.1 Deze koopovereenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk: a. niet op 3 februari 2023 koper voor de financiering van de onroerende zaak voor een bedrag van minimaal de koopsom + kosten koper + schenkbelasting, als schenking van de vader van koopster beschikbaar is gekomen op de derdengeldenrekening van de notaris […]”. 2.
- In overleg tussen partijen is de leveringsdatum en de datum waarop [de gedaagde] uiterlijk een beroep op voornoemd financieringsvoorbehoud kon doen 49 keer uitgesteld. Uiteindelijk kon [de gedaagde] uiterlijk op 6 september 2024 een beroep doen op de ontbindende voorwaarde. Partijen zijn vervolgens als leveringsdatum 25 september 2024 overeengekomen. 2.
- [de gedaagde] heeft niet uiterlijk op 25 september 2025 de waarborgsom gestort. Het appartement is ook niet op voornoemde datum geleverd. [de eiser] heeft daarom – na ingebrekestelling van [de gedaagde] – de koopovereenkomst ontbonden per brief van 24 januari
- Daarbij heeft zij aanspraak gemaakt op de contractueel overeengekomen boete van 10% van de koopsom. 3Het geschil 3.
- [de eiser] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 71.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2025, althans 10 februari 2025, althans 3 april 2025, althans vanaf de datum van dagvaarden, tot de dag van volledige betaling; II. [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling; III. [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.796,85, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling; IV. [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling. 3.
- [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- De (hoofd)vordering van [de eiser] heeft betrekking op betaling van de contractuele boete van 10% van de koopsom. Tussen partijen is niet in geschil dat [de gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst door niet binnen de overeengekomen termijn de waarborgsom te storten, de koopsom te betalen en medewerking te verlenen aan de levering van het appartement. Tussen partijen is evenmin in geschil dat [de gedaagde] daardoor in beginsel de contractuele boete verschuldigd is aan [de eiser] . [de gedaagde] heeft echter een beroep gedaan op matiging van deze contractuele boete. 4.
- Op grond van artikel 6:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verlangen van de schuldenaar, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, een bedongen boete matigen. De rechter dient die matigingsbevoegdheid terughoudend te hanteren. Matiging is alleen aan de orde als onverkorte toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daardoor onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (Hoge Raad 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638, r.o. 5.3). Het enkele uiteenlopen van schade en boete is onvoldoende grond voor matiging (MvA II, Parl. Gesch. 6, p. 325). 4.
- [de gedaagde] voert als eerste matigingsgrond aan dat [de eiser] en de [vader gedaagde] een afspraak hebben gemaakt inhoudende dat de [vader gedaagde] de kosten van [de eiser] als gevolg van het uitstel zou vergoeden. Hoewel [de eiser] deze afspraak niet betwist, heeft zij hierover (onbetwist) aangevoerd dat de [vader gedaagde] haar kosten (nog) niet heeft vergoed en dat hij niet reageert op correspondentie en sommaties. Verder heeft [de eiser] opgemerkt dat het onduidelijk is of de [vader gedaagde] haar kosten kan en zal betalen. De rechtbank is het met [de eiser] eens dat de tussen haar en de [vader gedaagde] gemaakte afspraak daarom geen grond voor matiging van de contractuele boete oplevert. 4.
- Anders dan [de gedaagde] stelt, is niet gebleken van een buitensporige wanverhouding tussen de gevorderde boete en de daadwerkelijk geleden schade. [de eiser] heeft voldoende onderbouwd dat haar schade meer omvat dan slechts de lagere verkoopopbrengst, bijvoorbeeld dubbele maandlasten in verband met haar overbruggingshypotheek. Derhalve levert ook dit geen grond op voor matiging van de boete. Hetzelfde geldt voor de stelling van [de gedaagde] dat onverkorte toepassing van de boete onaanvaardbare financiële gevolgen heeft voor haar leven. [de gedaagde] heeft dit namelijk op geen enkele wijze onderbouwd en [de eiser] heeft dit betwist. 4.
- Dat [de gedaagde] de woning alleen kon financieren met een schenking van haar vader, en dat [de eiser] daarvan op de hoogte was, is evenmin een omstandigheid die matiging van de boete rechtvaardigt. Met die reden waren partijen immers een ontbindende voorwaarde overeengekomen. [de gedaagde] heeft de (uitgestelde) termijn waarbinnen zij een beroep op deze voorwaarde kon doen laten verstrijken. Daarbij is niet van belang dat [de eiser] veelvuldig heeft ingestemd met het uitstellen van deze termijn. Zoals [de eiser] terecht heeft aangevoerd, heeft zij veelvuldig berichten gehad van de [vader gedaagde] en de aankoopmakelaar van [de gedaagde] inhoudende dat de koop zou doorgaan, maar dat het voltrekken van de zakelijke deal(s) langer zou duren. 4.
- Gelet op het voorgaande en met inachtneming van de maatstaf genoemd in rechtsoverweging 4.2, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overeengekomen boete te matigen. Het onderhavige boetebeding is een gebruikelijk beding bij koopovereenkomsten van woningen tussen particulieren. Het is opgenomen in veel gebruikte standaardovereenkomsten, zoals de onderhavige, waarbij de overeenkomst is opgesteld met gebruikmaking van het model koopovereenkomst van de NVM. Ook de hoogte van de boete – 10% van de koopsom – is gebruikelijk. Het boetebeding bevat een prikkel tot nakoming van wezenlijke verplichtingen van beide partijen. In het onderhavige geschil gaat het om drie van de kernverplichtingen van [de gedaagde] als koper, namelijk die tot het storten van de waarborgsom, het betalen van de koopsom en het afnemen van de woning. Wettelijke rente 4.
- De wettelijke rente over de contractuele boete zal worden toegewezen vanaf 30 januari
- Zoals door [de eiser] gesteld en door [de gedaagde] niet betwist, heeft [de eiser] [de gedaagde] immers bij brief van 24 januari 2025 gesommeerd om uiterlijk binnen vijf dagen de contractuele boete te betalen. [de gedaagde] is daarom vanaf 30 januari 2025 in verzuim. Buitengerechtelijke incassokosten 4.
- [de eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [de gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [de eiser] heeft aan [de gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. [de eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [de eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 1.796,85 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Beslagkosten 4.
- [de eiser] vordert [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 304,77 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € 1.214,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) x € 1.214,00), totaal € 1.849,
- Proceskosten 4.
- [de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 1.043,00 (€ 1.374,00 - € 331,00) - salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten × € 1.214,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.794,45 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De rechtbank 5.
- veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 71.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 januari 2025, tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [de gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.849,77, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 1.796,85 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 3.794,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.
- verklaart dit vonnis wat betreft de onder tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 12 november
- RG/PB