RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/450024 / HZ ZA 25-92 Vonnis van 22 oktober 2025 in de zaak van LESTA HEKWERK B.V., te Akersloot, eisende partij, hierna te noemen: Lesta, advocaat: mr. W.T.N. Vlasveld, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , advocaat: mr. E.F.E. van Essen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 25 juni 2025 - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 september
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Op 19 juni 2023 heeft [de gedaagde] via het online platform Homedeal een offerte aangevraagd voor het plaatsen van een hekwerk op het adres [adres] in [plaatsnaam] . [de gedaagde] had hiervoor al per e-mail van 8 juni 2023 de informatie verschaft betreffende het gewenste hekwerk. 2.
- Lesta heeft op 26 juni 2023 een offerte aan [de gedaagde] gestuurd. Op 30 juni 2023 heeft Lesta een opdrachtbevestiging aan [de gedaagde] gestuurd. Diezelfde dag is aan Lesta voor deze opdracht een aanbetaling gedaan van € 14.323,08 door HTWV Trading B.V. (hierna: HTWV). Dit betreft een vennootschap waarvan [de gedaagde] (indirect) bestuurder is. HTWV is op 16 januari 2025 failliet verklaard. 2.
- Op 25 september 2023 heeft Lesta aan [de gedaagde] een offerte gestuurd voor het plaatsen van verlichting op voornoemd adres. Op 9 oktober 2023 heeft Lesta hiervoor een aangepaste offerte gestuurd aan [de gedaagde] . [de gedaagde] heeft diezelfde dag per e-mail aangegeven dat deze offerte akkoord is. 2.
- Lesta heeft de geoffreerde werkzaamheden uitgevoerd. Voor de werkzaamheden heeft Lesta – naast voornoemde aanbetalingsfactuur – drie facturen verstuurd voor een totaalbedrag van € 55.925,
- Deze facturen zijn niet betaald. 3Het geschil 3.
- Lesta vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad I. [de gedaagde] te veroordelen om aan Lesta € 65.201,75 te betalen, te vermeerderen met contractuele rente van 12% per jaar over € 55.925,31 vanaf 1 maart 2025 tot de dag van volledige betaling, II. [de gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten van € 131,00, althans € 199,00 (indien betekening plaatsvindt), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na het vonnis. 3.
- [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Lesta, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Lesta, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Lesta in de kosten van deze procedure. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Partijen zijn het erover eens dat Lesta haar werkzaamheden heeft verricht uit hoofde van een overeenkomst van opdracht. Lesta vordert betaling van de nog openstaande facturen. Partijen verschillen van mening over wie gehouden is tot betaling van deze facturen. Tussen partijen is namelijk in geschil met welke partij Lesta een overeenkomst van opdracht heeft gesloten, [de gedaagde] in persoon of HTWV. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521 (Kribbebijter)). Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn (HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615, r.o. 3.2). Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust op Lesta de bewijslast van de stelling dat tussen haar en [de gedaagde] (en niet tussen haar en HTWV) overeenkomsten tot stand zijn gekomen, nu zij daaraan een rechtsgevolg verbindt. 4.
- De rechtbank is van oordeel dat geen overeenkomsten zijn gesloten tussen Lesta en [de gedaagde] , daartoe is het volgende redengevend. Het eerste contact over het te plaatsen hekwerk betreft een e-mail van 8 juni
- In deze e-mail is voor het eerst de informatie over het te plaatsen hekwerk gedeeld met Lesta. De e-mail opent met de tekst “Wij zijn bezig met div projecten kunnen jullie onderstaande leveren.” en wordt – na de informatie over de projecten – als volgt afgesloten: “With kind regards HTWV Trading B.V [adresgegevens] […] [emailadres] […]” De naam van [de gedaagde] komt in deze e-mail niet voor. Vervolgens heeft [de gedaagde] via het platform Homedeal een offerte aangevraagd. Het daarbij vermelde e-mailadres betreft het hierboven genoemde e-mailadres van HTWV. Verdere correspondentie tussen partijen heeft steeds vanaf dit e-mailadres plaatsgevonden, zowel over het hekwerk als over de verlichting. Alle aan Lesta verzonden e-mails zijn bovendien (uitsluitend) ondertekend met bovenstaande handtekening. Nu al het contact over de opdrachten (voor en na het sluiten van de overeenkomsten) vanuit HTWV kwam, kon Lesta er niet van uitgaan dat [de gedaagde] in persoon wenste te contracteren. Het enkele feit dat [de gedaagde] zijn eigen naam heeft ingevuld op Homedeal, maakt dat niet anders. Zoals door [de gedaagde] is gesteld en door Lesta niet is betwist, wist Lesta immers dat [de gedaagde] (indirect) bestuurder was van HTWV. 4.
- Het voorgaande wordt niet anders doordat Lesta de offerte en de facturen heeft opgesteld op naam van [de gedaagde] . Dit is immers het gevolg van de onjuiste aanname van Lesta dat [de gedaagde] in persoon wenste te contracteren. Bovendien is de eerste factuur betaald door HTWV, hetgeen nogmaals onderschrijft dat het de bedoeling van [de gedaagde] was dat HTWV contractspartij was. 4.
- Een tweede relevante omstandigheid is dat de werkzaamheden moesten worden uitgevoerd op het terrein van een autobedrijf waarmee HTWV zaken deed. Lesta heeft erkend dat zij wist dat het terrein niet van [de gedaagde] (of HTWV) was. Ook om die reden mocht Lesta er niet zonder meer van uitgaan dat [de gedaagde] in persoon een overeenkomst wilde sluiten. 4.
- Gelet op het voorgaande mocht Lesta uit de verklaringen en gedragingen van [de gedaagde] niet afleiden dat [de gedaagde] in persoon wenste te contracteren. Nu geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen Lesta en [de gedaagde] , is [de gedaagde] ook niet gebonden aan de algemene voorwaarden van Lesta. Het beroep van Lesta op deze algemene voorwaarden slaagt daarom niet. De vordering van Lesta zal daarom worden afgewezen. 4.
- Lesta is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 120,78 - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten × € 1.214,00) - nakosten € 131,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.674,78
- De beslissing De rechtbank 5.
- wijst de vorderingen van Lesta af, 5.
- veroordeelt Lesta in de proceskosten van € 5.674,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 68,00 plus de kosten van betekening als Lesta niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober
- RG/PB