← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:11997

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05.174795.25 Datum uitspraak : 3 oktober 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] , in [woonplaats] . Raadsvrouw: mr. N.F. Hoogervorst, advocaat in Hilversum. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

  1. hij in of omstreeks de periode tussen 4 juni 2025 tot en met 6 juni 2025 te Zutphen en/of [woonplaats] en/of [plaats] en/of Warnsveld en/of Emmerich, althans in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2016, heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was;
  2. hij op (een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode tussen 4 juni 2025 tot en met 6 juni 2025 te Zutphen en/of [woonplaats] en/of [plaats] en/of Warnsveld en/of Emmerich, althans in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2016, die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, heeft verborgen en/of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaar oud was.
  3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Vader en tevens medeverdachte [medeverdachte] en aangeefster [aangever] hebben beiden het gezag over hun achtjarige zoontje [slachtoffer] . [slachtoffer] woont sinds eind maart 2025 bij [medeverdachte] en verdachte. Verdachte is de halfbroer van [slachtoffer] . Op 4 juni 2025 is de vader van verdachte aangehouden. Toen verdachte werd geconfronteerd met deze aanhouding heeft hij rond 09:30 uur [slachtoffer] van school gehaald. Hij gaf hierbij aan dat [slachtoffer] naar de dokter moest, maar dit was niet het geval. Verdachte heeft geen wettig gezag over [slachtoffer] . Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde feit omdat daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Volgens de raadsvrouw kan niet worden gesproken van een onttrekking, nu [slachtoffer] feitelijk al bij [medeverdachte] en verdachte woonde en geen contact had met aangeefster. Daarnaast was geen sprake van het verbergen van [slachtoffer] aansluitend aan de onttrekking. Ook heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de opzet ontbrak. Beoordeling door de rechtbank Aangeefster [aangever] heeft op 4 juni 2025 aangifte gedaan van onttrekking aan het ouderlijk gezag van [slachtoffer] . Zij is die dag gebeld door een medewerker van Veilig Thuis met de mededeling dat de vader van [slachtoffer] was aangehouden. Vervolgens hoorde zij dat [slachtoffer] door verdachte plotseling was opgehaald van school en aangeefster wist vanaf dat moment niet meer waar [slachtoffer] was. Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij die dag samen met [verdachte] naar de school van [slachtoffer] is gereden om [slachtoffer] op te halen. Met z’n drieën zijn ze eerst naar de Albert Heijn in Warnsveld gereden en daarna naar de woning in [woonplaats] . Vervolgens zijn zij naar een woonwagenkamp in [plaats] gereden waar zij enige tijd verbleven bij de neef en nicht van verdachte. [getuige] is tijdens haar verblijf in deze woonwagen gebeld door de politie. De neef van verdachte gebaarde dat zij de telefoon op luidspreker moest zetten en ontkennend moest antwoorden op de vraag van de politie of zij wist waar [slachtoffer] en [verdachte] waren. Getuige [getuige] voelde zich onder druk gezet en heeft dit gedaan. Vervolgens heeft [getuige] in opdracht van diezelfde neef het gesprek beëindigd en haar telefoon uitgezet. Daarna zijn [verdachte] en [getuige] naar Emmerich in Duitsland gereden om kleding te kopen voor [slachtoffer] . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn halfbroertje [slachtoffer] op 4 juni 2025, nadat hun vader [medeverdachte] was aangehouden, vroegtijdig (rond half tien in de ochtend) van school heeft gehaald met als smoesje dat [slachtoffer] naar de dokter moest. Hij was bang dat hij [slachtoffer] als gevolg van de aanhouding van zijn vader niet meer zou zien. Zijn andere halfbroertje en halfzusje (de tweeling), tevens kinderen van [medeverdachte] en [aangever] , zag hij ook al een hele tijd niet meer. Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting voorts verklaard dat zij eerst naar de winkel zijn geweest en daarna naar zijn neef en nicht in [plaats] om vervolgens kleding te gaan kopen voor [slachtoffer] in Duitsland. Uit de verklaringen van [slachtoffer] wordt vervolgens duidelijk dat [verdachte] en [slachtoffer] niet gewoon thuis hebben geslapen zoals de raadsvrouw heeft betoogd. [slachtoffer] verklaart in de auto bij de verbalisanten dat ze iedere nacht ergens anders hebben geslapen, dat hij niet naar buiten mocht en dat ze weg moesten omdat iemand had verteld waar ze waren. Daarnaast vertelt [slachtoffer] dat ze zijn gestopt in Bronsbergen en dat hij in een bos is geweest waarvan hij de naam is vergeten. Tot 6 juni 2025 was het onduidelijk waar [slachtoffer] verbleef en aan deze situatie is pas een einde gekomen door ingrijpen van de politie. Rond 18:00 uur werd verdachte samen met [slachtoffer] door verbalisanten aangetroffen aan [adres] in Zutphen. Vanaf het moment dat de vader van [slachtoffer] was aangehouden, was aangeefster de enige die het wettig gezag kon uitoefenen. Door de handelingen van verdachte, heeft hij haar de mogelijkheid die taak uit te oefenen ontnomen en daarmee [slachtoffer] onttrokken aan het wettig gezag van zijn moeder. Dat de sinds maanden bestaande feitelijke (woon)situatie van [slachtoffer] dusdanig was, dat [slachtoffer] bij verdachte en vader [medeverdachte] en niet bij zijn moeder woonde, maakt dat niet anders. De rechtbank acht het verder aannemelijk dat verdachte heeft gehandeld uit angst om zijn broertje kwijt te raken zoals is aangevoerd door de raadsvrouw. Dit maakt echter niet dat de opzet ontbreekt. De opzet om [slachtoffer] bij zijn moeder weg te houden, blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij bang was om [slachtoffer] kwijt te raken als hij [slachtoffer] naar zijn moeder zou brengen, het kopen van kleding voor [slachtoffer] in Duitsland en het voortdurend verplaatsen naar diverse plekken in de periode van 4 juni 2025 tot en met 6 juni
  4. Verdachte heeft daarnaast geen contact gehad met aangeefster en ook is niet gebleken dat hij hiertoe serieuze pogingen heeft ondernomen. Gelet op de beschreven gedragingen van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer] heeft onttrokken aan het wettig gezag en hem meerdere dagen verborgen heeft gehouden. De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van beide feiten. De rechtbank komt niet tot een bewezenverklaring van medeplegen, nu uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking, bijvoorbeeld in de vorm van een gecoördineerd plan of onderlinge afstemming, met vader [medeverdachte] ten aanzien van de tenlastegelegde feiten. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
  5. hij in of omstreeks de periode tussen 4 juni 2025 tot en met 6 juni 2025 te Zutphen en/of [woonplaats] en/of [plaats] en/of Warnsveld en/of Emmerich, althans in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2016, heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was;
  6. hij op (een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode tussen 4 juni 2025 tot en met 6 juni 2025 te Zutphen en/of [woonplaats] en/of [plaats] en/of Warnsveld en/of Emmerich, althans in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2016, die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, heeft verborgen en/of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaar oud was. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag feit 2: opzettelijk een minderjarige die onttrokken is aan het wettelijk over hem gesteld gezag, verbergen 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, waarvan 24 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een werkstraf van 60 uur wordt opgelegd. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte alleen een taakstraf zal worden opgelegd. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onttrekking van zijn halfbroertje aan het gezag van aangeefster. Hij heeft daarmee onrust en angst veroorzaakt bij aangeefster, de moeder van zijn halfbroertje. Uit het dossier is af te leiden dat aangeefster niet wist waar haar zoon was vanaf het moment dat haar door de politie was medegedeeld dat de vader was aangehouden. Hierdoor was zij dagenlang bang en bezorgd om het welzijn van haar jonge zoon. Dit is een ernstig feit. Verdachte is niet eerder in aanraking geweest met justitie. De reclassering adviseert in haar rapport van 5 september 2025 om aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, nu interventies of toezicht niet nodig zijn. De rechtbank volgt dit advies. Verder blijkt uit zowel het reclasseringsadvies en het dossier als het onderzoek ter terechtzitting dat bij verdachte sprake is van een belaste geschiedenis en familiesituatie. Verdachte is een jonge man die al veel heeft meegemaakt. Verdachte leed al enige tijd onder de breuk tussen zijn vader en aangeefster, die al geruime tijd in zijn leven was en die hij inmiddels als moeder zag. Daarnaast heeft verdachte sinds de breuk al langere tijd geen contact met zijn andere halfbroertje en zusje kunnen hebben en dat zou hij wel graag willen. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat verdachte hier veel verdriet om heeft. Het is aannemelijk dat verdachte bang is geweest om nog een broertje te verliezen en dat deze angst heeft bijgedragen aan de keuze om de tenlastegelegde feiten te begaan. De rechtbank houdt hier bij de strafoplegging rekening mee. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen opleggen, waarvan 9 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur om herhaling te voorkomen nu de moeilijke situatie tussen aangeefster en vader nog niet is opgelost. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 40 uur opleggen. De straf is lager dan de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank niet tot bewezenverklaring komt van medeplegen. Daarnaast is verdachte een zogenaamde first offender en houdt de rechtbank in belangrijke mate rekening met de belaste familiesituatie van verdachte en alles wat aan de tenlastegelegde feiten vooraf is gegaan. 8De beoordeling van de civiele vorderingen De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met beide feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Mevrouw [aangever] heeft namens haar zoon benadeelde partij [slachtoffer] in verband met beide feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.250,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, toepassing van de hoofdelijkheidsclausule, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat er sprake is van een belangenconflict en er geen bijzonder curator is benoemd om de belangen van [slachtoffer] te behartigen. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [aangever] dient te worden afgewezen. Subsidiair dient deze aanzienlijk gematigd te worden. Overweging van de rechtbank Benadeelde partij [aangever] , smartengeld De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat: verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen, de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat laatste hier het geval, nu het een onttrekking van een achtjarig kind aan het wettig gezag van de moeder betreft, wat een grote impact op de moeder heeft gehad zoals ook blijkt uit haar slachtofferverklaring. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 450,00 vaststellen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Verdachte is vanaf 4 juni 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. In het vonnis van de medeverdachte heeft de rechtbank deze medeverdachte vrijgesproken. Om die reden zal de rechtbank de hoofdelijkheidsclausule niet toepassen. Benadeelde partij [slachtoffer] Er is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade het rechtstreekse gevolg is van de tenlastegelegde feiten. De rechtbank merkt op dat uit het dossier naar voren komt dat [slachtoffer] kort na de gebeurtenis in elk geval relatief weinig last leek te hebben Volgens aangeefster leek het er vooral op dat hij het wel “een mooi uitje” had gevonden. Het voorgaande, in combinatie met het feit dat reeds sprake was van een belaste familiegeschiedenis en een kwetsbare psychische gesteldheid van [slachtoffer] , maakt dat het causale verband tussen de gestelde schade en de tenlastegelegde feiten niet zonder nadere bewijsvoering kan worden bepaald. Dit zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 56, 279, 280 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen;  bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 9 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;  beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;  legt op een taakstraf van 40 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen; veroordeelt verdachte in verband met de feiten tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 450,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;  verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 450,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 9 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;  verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;  heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis per direct op. Dit vonnis is gewezen door mr. AP. Sno (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober
  7. mr. H.C. Leemreize is buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL
  8. DOS, gesloten op 17 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte, p. 99-
  9. Proces-verbaal verhoor getuige, p. 117, proces-verbaal van bevindingen, p.
  10. Verklaring verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 19 september
  11. Proces-verbaal van bevindingen, p.
  12. Proces-verbaal van bevindingen, p. 136.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.