← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:11998

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05.174794.25 Datum uitspraak : 3 oktober 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1968 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] , in [woonplaats] . Raadsvrouw: mr. N.F. Hoogervorst, advocaat in Hilversum. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 september

  1. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
  2. hij in of omstreeks de periode tussen 4 juni 2025 tot en met 6 juni 2025 te Zutphen en/of [woonplaats] en/of [plaats] en/of Warnsveld en/of Emmerich, althans in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2016, heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was;
  3. hij op (een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode tussen 4 juni 2025 tot en met 6 juni 2025 te Zutphen en/of [woonplaats] en/of [plaats] en/of Warnsveld en/of Emmerich, althans in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk, een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2016, die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, heeft verborgen en/of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaar oud was. 2De standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 43 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een werkstraf van 60 uren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht en ambulante behandeling worden opgelegd. Tenslotte heeft de officier van justitie verzocht om aan verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht en heeft zij de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel verzocht. De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. 3Vrijspraak De rechtbank is van oordeel dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. In het dossier, noch het verhandelde ter terechtzitting ziet de rechtbank voldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte en zijn ex-vrouw hebben beiden het wettig gezag over hun zoontje [slachtoffer] . [medeverdachte] heeft geen wettig gezag over [slachtoffer] . [slachtoffer] woont sinds eind maart 2025 bij verdachte en diens zoon [medeverdachte] (tevens de halfbroer van [slachtoffer] ). Sindsdien werd [slachtoffer] soms door verdachte en soms door [medeverdachte] van school gehaald. Op 4 juni 2025 is verdachte om 08.45 uur in zijn woning in [woonplaats] aangehouden op verdenking van belaging. Nadat [medeverdachte] met de aanhouding van zijn vader werd geconfronteerd, heeft hij [slachtoffer] rond 09:30 uur van school gehaald. Hij gaf hierbij aan dat [slachtoffer] naar de dokter moest, terwijl dit niet het geval was. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij een smoesje heeft verzonnen en dat hij uit paniek heeft gehandeld omdat hij bang was dat hij zijn broertje [slachtoffer] als gevolg van de aanhouding van zijn vader niet meer zou zien. [medeverdachte] had geen plan gemaakt met zijn vader om na diens aanhouding [slachtoffer] bij zijn moeder weg te houden. Als er een plan was geweest was hij ook niet zo in paniek geweest, zo heeft [medeverdachte] verklaard. Wel was er een plan voor de situatie waarin verdachte of [aangever] iets zou overkomen. In dat geval zou [medeverdachte] [slachtoffer] naar een volle nicht van [medeverdachte] in [plaats] brengen,. Geen medeplegen De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte, naast [medeverdachte] , als medepleger van de tenlastegelegde feiten kan worden aangemerkt. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De bijdrage van een medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. In geval sprake is van een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict kan toch sprake zijn van een bijdrage van voldoende gewicht wanneer die geringe of ontbrekende rol in de uitvoering op andere wijze wordt gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] door [medeverdachte] met een smoesje al in de ochtend van school gehaald is en vervolgens enkele dagen buiten het wettig gezag van zijn moeder heeft verkeerd. [slachtoffer] werd gedurende deze dagen bij derden ondergebracht. Zijn moeder wist niet waar [slachtoffer] zich toen bevond. Vast staat eveneens dat verdachte geen rol in de uitvoering hiervan heeft gehad, aangezien hij toen was aangehouden en vast zat. De vraag die volgt, is of verdachte tevoren een gezamenlijk plan met [medeverdachte] had gemaakt om [slachtoffer] op deze wijze aan het wettig gezag van zijn moeder te onttrekken. Verdachte heeft in dit verband tijdens zijn aanhouding en inverzekeringstelling enkele opvallende uitspraken gedaan. Zo vroeg verdachte bij de inverzekeringstelling of zijn zoontje [slachtoffer] bij [medeverdachte] was. Ook zei hij dat de politie [slachtoffer] nooit zou gaan vinden en dat hij had afgesproken dat, als hij zelf aangehouden zou worden, [medeverdachte] [slachtoffer] zou gaan ophalen en dat [slachtoffer] weer naar hem toe kwam als hijzelf weer vrij kwam. Hoewel de uitspraken van verdachte vragen oproepen, is niet gebleken dat verdachte daadwerkelijk afspraken met [medeverdachte] had gemaakt (of instructies aan [medeverdachte] had gegeven) die meer behelsden dan dat [slachtoffer] door [medeverdachte] - op het gebruikelijke tijdstip - van school opgehaald moest worden wanneer verdachte aangehouden zou worden. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke instructie onvoldoende is om te kunnen spreken van (een nauwe en bewuste samenwerking bij) de onttrekking van [slachtoffer] aan het (met verdachte gedeelde) wettig gezag van moeder. Dit geldt temeer tegen de achtergrond van de sinds maanden bestaande feitelijke (woon)situatie van [slachtoffer] bij verdachte en [medeverdachte] , en niet bij zijn moeder. Daarbij was de dagelijkse gang van zaken dat [slachtoffer] – met medeweten van moeder – steeds door [medeverdachte] werd opgehaald van school en naar zijn vaders huis werd gebracht wanneer verdachte dat niet zelf deed. De in emotionele toestand gedane uitspraken van verdachte bij zijn aanhouding en inverzekeringstelling doen daar niet aan af. Daarnaast is niet gebleken dat verdachte enige wetenschap had van de onttrekking of hier een beslissende invloed op heeft gehad. Verdachte zal daarom integraal van het tenlastegelegde worden vrijgesproken. 4De beoordeling van de civiele vorderingen De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met beide feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Mevrouw [aangever] heeft namens haar zoon, benadeelde partij [slachtoffer] , in verband met beide feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.250,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Overweging van de rechtbank Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. 5De beslissing De rechtbank:  spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;  verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering;  verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;  heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis per direct op. Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Sno (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober
  4. mr. H.C. Leemreize is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.