RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/355980-24 Datum uitspraak : 1 augustus 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte], geboren op [geboortedatum 1] 1963 in [geboorteplaats],wonende aan de [adres], [postcode], [woonplaats]. Raadsman: mr. T. Geerdink, advocaat in Borne. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 20 mei 2024 te Brummen, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2013, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van het (beklede) geslachtsdeel van die [slachtoffer].
- Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verschillende verklaringen zijn niet consistent nu getuige [getuige 1] heeft verklaard dat het zou zijn gebeurd bij een pingpongtafel en [slachtoffer] het blijkens het (aanvullende) proces-verbaal bevindingen heeft over een pingpongtafel en over een picknicktafel. Onduidelijk blijft dus waar het verweten gedrag zou hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft het feit steeds ontkend. Beoordeling door de rechtbank Juridisch kader bewijs in zedenzaken (bewijsminimumregel) Kenmerkend voor veel zedenzaken is dat het in de kern gaat om het woord van de aangever tegen het woord van de verdachte. Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige (artikel 342, tweede lid, Sv). Deze bepaling strekt ter waarborging van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen in het geval de verklaring van één getuige over relevante feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Deze bepaling heeft volgens vaste rechtspraak betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. De vraag of aan dit bewijsminimum is voldaan, vergt een beoordeling van het concrete geval. De bewijsmiddelen Op 21 mei 2024 heeft de moeder van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), namens [slachtoffer] aangifte gedaan. Zij verklaarde dat haar vriendin haar op 20 mei 2024 belde om naar de speeltuin aan de Troelstralaan in Brummen te komen. Daar werd zij opgevangen door een politieagent en heeft zij van getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), een vriendinnetje van [slachtoffer], gehoord dat een man aan het geslachtsdeel van [slachtoffer] had gezeten. [getuige 1] vertelde verder aan haar dat de man dronken was en dat hij met hen had gevoetbald. Daarna heeft aangeefster nog even met [slachtoffer] gepraat en vertelde [slachtoffer] dat de man hem over de kleding heen bij zijn piemel had gepakt. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaarde verdachte dat hij op 20 mei 2024 inderdaad in Brummen is gaan voetballen met een groepje kinderen. Verdachte is als keeper op doel gaan staan. Na het voetballen heeft hij samen met twee meisjes een foto genomen en ook is hij op een gegeven moment bij de pingpongtafel geweest en heeft hij de kinderen buitenspel uitgelegd. De rechtbank concludeert hieruit dat het verhaal van [getuige 1] aan de moeder van [slachtoffer], gaat over verdachte. Op 28 mei 2024 heeft [slachtoffer], die op dat moment 10 jaar is, verklaard dat hij op 20 mei 2024 ging voetballen en dat er een gekke man was die mee ging voetballen. Niet in geschil is dat dit verdachte was. Volgens [slachtoffer] kletste verdachte raar. Na het voetballen hebben [getuige 2] en [naam 1] een foto met verdachte gemaakt. [slachtoffer] en [getuige 1] zaten na het voetballen op een pingpongtafel. Verdachte kwam toen bij hem staan. Hij praatte over voetbal en legde uit wat ‘buitenspel’ inhield. [getuige 1] werd geroepen door een meisje en liep weg van de pingpongtafel. Toen [slachtoffer] achterom keek waar [getuige 1] heen liep, voelde hij dat verdachte met de bovenkant van zijn hand over zijn geslachtsdeel wreef. Hij voelde dat het de bovenkant van de hand betrof, omdat hij de knokkels voelde. [slachtoffer] draaide weer terug en zag dat verdachte zich snel terugtrok. Hij zei tegen verdachte dat hij van hem af moest blijven. [slachtoffer] sprong daarna van de tafel af en rende weg in de richting van [getuige 1]. Hij heeft [getuige 1] als eerste verteld wat er gebeurd was. Hij was bang voor verdachte. Een ouder meisje heeft tenslotte de politie gebeld. Getuige [getuige 2] verklaart op 24 mei 2024 bij de politie dat zij op 20 mei 2024 in de speeltuin was met andere kinderen, onder wie ook [slachtoffer] en [getuige 1]. Ze gingen voetballen. Verdachte was hier ook en deed ongevraagd mee met het voetballen. Hij ging als keeper in het doel staan. Zij is daarna met [naam 1] en verdachte op de foto gegaan. Na het voetballen zat [getuige 2] samen met [getuige 1] en [slachtoffer] op de pingpongtafel. Verdachte kwam bij [slachtoffer] staan en op een gegeven moment zag [getuige 2] dat verdachte zijn hand op de piemel van [slachtoffer] legde. Getuige [getuige 1] verklaart op 4 juni 2024 aan de politie dat zij op 20 mei 2024 met [slachtoffer], [getuige 2], [naam 2], [naam 1] en nog veel andere kinderen ging voetballen. Verdachte wilde mee voetballen en dit vond zij vreemd. Hij wilde op de foto met [getuige 2] en [naam 1]. Daarna was [slachtoffer] bij de pingpongtafel en zij bij de zandbak en zag ze dat verdachte de piemel van [slachtoffer] betastte. Verdachte ging met de bovenkant van zijn hand langs het geslachtsdeel van [slachtoffer]. [slachtoffer] kwam daarna gelijk naar haar toe en vertelde haar wat er was gebeurd. Conclusie De rechtbank is van voordeel dat er met bovenstaande bewijsmiddelen ruim is voldaan aan het bewijsminimum. De verklaring van [slachtoffer] wordt op wezenlijke onderdelen ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] die beiden hebben gezien dat verdachte het geslachtsdeel van [slachtoffer] heeft aangeraakt. Zij verklaren hierover gedetailleerd en hun verklaringen bevestigen elkaar en die van [slachtoffer]. De verklaring van verdachte komt bovendien grotendeels overeen met de verklaringen van [slachtoffer], [getuige 1] en [getuige 2], nu hij onder meer heeft bevestigd dat hij met hen heeft gevoetbald, dat hij de keeper was, dat hij op de foto ging met twee kinderen en dat hij hen heeft uitgelegd wat buitenspel inhoudt. Het enige punt waarop de verklaring van verdachte niet met genoemde verklaringen overeenkomt is het tenlastegelegde feit, dat hij ontkent. Hij verklaart hier enkel over dat hij mogelijk per ongeluk iets heeft aangeraakt. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte in het licht van de overige bewijsmiddelen ongeloofwaardig. De rechtbank heeft geen enkele concrete reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] en de bovengenoemde getuigen. Het enkele feit dat er in het proces-verbaal bevindingen van het verhoor van [slachtoffer] een keer wordt gesproken over een picknicktafel in plaats van een pingpongtafel, zoals door de verdediging aangevoerd, is hiervoor onvoldoende. De rechtbank ziet dit als een kennelijk verschrijving van de verbalisanten nu nergens uit het dossier is gebleken van de aanwezigheid van een picknicktafel en uit de context van het verhaal van [slachtoffer] blijkt dat het steeds over dezelfde tafel gaat. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 20 mei 2024 te Brummen, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2013, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van het (beklede) geslachtsdeel van die [slachtoffer]. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft, gelet op de ernst van het feit en de grove inbreuk die verdachte heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer], gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de eis van de officier van justitie aanzienlijk gematigd moet worden tot een (deels) voorwaardelijke taakstraf. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft als 61-jarige een ontuchtige handeling gepleegd bij de destijds 10 jaar oude [slachtoffer]. Hij is gaan voetballen met een groepje kinderen dat hij niet kende. Na afloop, toen het jonge slachtoffer nietsvermoedend op een pingpongtafel zat met zijn vriendjes, is hij dicht bij het jongetje gaan staan en heeft hij met zijn hand over het kruis van het jongetje gewreven. Deze handeling is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de sociaal-ethische norm en dus ontuchtig, alleen al gezien het enorme leeftijdsverschil. Daar komt nog bij dat het in een openbaar toegankelijke speelplaats afspeelde waar kinderen niet beducht zouden moeten zijn op dit soort misdragingen. Dit is een ernstig feit. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is niet aan verdachte om een jong kind op deze manier aan te raken. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank daarnaast de indruk gekregen dat de ernst van het feit niet is doorgedrongen bij verdachte en dit neemt de rechtbank hem kwalijk. De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsrapport van 27 februari 2025 waarin de reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank neemt dit advies over. Uit de justitiële documentatie van verdachte volgt verder dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Hij is een zogenaamde first offender. Dit weegt de rechtbank mee in het voordeel van verdachte. Daarnaast is de rechtbank ter zitting duidelijk geworden dat het opleggen van een gevangenisstraf grote gevolgen zal hebben voor verdachte, zo zal hij zijn uitkering en hierdoor mogelijk zijn woning kwijtraken en kan hij zijn zinvolle vrijwilligerswerk niet meer uitoefenen. De rechtbank zal aan verdachte dan ook geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, nu zij dat in de gegeven omstandigheden niet passend acht. Gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, passend. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden koppelen zoals geadviseerd door de reclassering. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 247 van het Wetboek van Strafrecht. 9De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een taakstraf van 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen; bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf, te weten 40 uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van de volgende voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald; stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: zich meldt binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis bij Reclassering Nederland op het adres Houtwal 16A, 7201 ES te Zutphen. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. zich laat behandelen door een door de reclassering nader te bepalen forensisch zorgverlener. De behandeling start wanneer de reclassering dit nodig vindt en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. op geen enkele wijze contact zoekt met personen die jonger zijn dan 18 jaar. Hij vermijdt deze contacten zoveel als mogelijk is. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt verdachte dat hierbij, in overleg met de reclassering, volwassenen aanwezig zijn. geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voornoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.H. Steenweg (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. A. de Gooijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 augustus
- mrs. De Gooijer en Witteveen zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024230738, onderzoek KAKI / ONRBC24438 , gesloten op 31 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte [aangever], p. 15-
- Verklaring verdachte ter terechtzitting van 18 juli
- Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, verhoor [slachtoffer] , p. 1-
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 10-
- Proces-verbaal verhoor getuige, p. 26-27.