RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/435410 / HA ZA 24-227 Vonnis van 9 juli 2025 in de zaak van [naam eiser in conventie / verweerster in reconventie] , wonende te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , eisende partij in conventie, verweerster in reconventie, hierna te noemen: [de eiser in conventie] , advocaat: mr. R. Teerink, tegen 1 [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 1] , 2. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 2] , 3. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 3] , 4. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 4] , 5. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 5] , 6. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 6] , 7. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 7] , 8. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 8] , 9. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 9] , 10. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 10] , allen wonende te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna ieder voor zich te noemen: [gedaagde in conventie 1] , [gedaagde in conventie 2] , [gedaagde in conventie 3] , [gedaagde in conventie 4] , [gedaagde in conventie 5] , [gedaagde in conventie 6] , [gedaagde in conventie 7] , [gedaagde in conventie 8] , [gedaagde in conventie 9] respectievelijk [gedaagde in conventie 10] hierna samen te noemen: [de gedaagden in conventie] , advocaat: mr. M.J. Wagemans. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 9 oktober 2024 - het proces-verbaal van descente en van mondelinge behandeling van 5 februari 2025. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [de eiser in conventie] heeft een perceel grond in eigendom dat ligt aan de [straatnaam] , kadastraal bekend [plaatsnaam] [perceelnummer eiser] (welk perceel is ontstaan uit perceel [vroeger perceelnummer] ). De kadastrale omschrijving luidt: “Terrein (grasland)”. In het kadaster staat dat de grensvaststelling van het perceel is opgeschort omdat partijen het daarover oneens zijn. 2.2. [de gedaagden in conventie] zijn buren van elkaar. Zij zijn eigenaar van, en wonen op, percelen aan de [straatnaam] , als volgt: i. [gedaagde in conventie 1] en [gedaagde in conventie 2] wonen aan het adres [adres] en zijn eigenaar van het perceel, kadastraal bekend [plaatsnaam] [perceelnummer 1] ; [gedaagde in conventie 3] en [gedaagde in conventie 4] wonen aan het adres [adres] en zijn eigenaar van het perceel, kadastraal bekend [plaatsnaam] [perceelnummer 2] ; [gedaagde in conventie 5] en [gedaagde in conventie 6] wonen aan het adres [adres] en zijn eigenaar van het perceel, kadastraal bekend [plaatsnaam] [perceelnummer 3] ; [gedaagde in conventie 7] en [gedaagde in conventie 8] wonen aan het adres [adres] en zijn eigenaar van het perceel, kadastraal bekend [plaatsnaam] [perceelnummer 4] ; [gedaagde in conventie 9] en [gedaagde in conventie 10] wonen aan het adres [adres] en zijn eigenaar van het perceel, kadastraal bekend [plaatsnaam] [perceelnummer 5] . 2.3. [de gedaagden in conventie] zijn gezamenlijk eigenaar van de [straatnaam] . Dit is een mandelige weg, die uit drie kadastrale percelen bestaat: [plaatsnaam] [perceelnummer 6] , [plaatsnaam] [perceelnummer 7] en [plaatsnaam] [perceelnummer 8] . 2.4. De kadastrale kaart van de situatie ter plaatse ziet er als volgt uit: [ Kaart verwijderd ter anonimisatie.] 2.5. De [straatnaam] is, ter ontsluiting van de woonpercelen van (thans) [de gedaagden in conventie] , aangelegd op grond die voorheen eigendom was van [de eiser in conventie] en behoorde tot haar (thans) met nummer [perceelnummer 7] aangeduide perceel (destijds perceel [vroeger perceelnummer] ). Daartoe heeft [de eiser in conventie] bij akte van ruiling van 16 oktober 2000 een deel van haar perceel overgedragen aan de ontwikkelaar van het project waartoe de woningen van [de gedaagden in conventie] behoren, de heer [de ontwikkelaar] (hierna: [de ontwikkelaar] ). 2.6. [de eiser in conventie] heeft op 9 oktober 2023 een brief gestuurd naar [de gedaagden in conventie] In die brief voert [de eiser in conventie] aan dat zij haar perceel niet op een normale manier kan bereiken omdat zij daarvoor gebruik moet maken van het weiland van haar broer. [de eiser in conventie] vraagt [de gedaagden in conventie] om een oplossing, bijvoorbeeld een recht van overpad over het voorste deel van de [straatnaam] (de kavels [perceelnummer 6] en [perceelnummer 7] ). Ook vraagt [de eiser in conventie] aan [de gedaagden in conventie] om mee te werken aan het aanwijzen van een definitieve erfgrens. 2.7. [de gedaagden in conventie] heeft niet aan deze verzoeken van [de eiser in conventie] voldaan. Latere correspondentie tussen de advocaten van partijen heeft hierin geen verandering gebracht. 3Het geschil in conventie 3.1. [de eiser in conventie] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:1. ten dienste van zijn erf met nummer [perceelnummer eiser] als noodweg aanwijst de [straatnaam] , kadastraal bekend met de nummers [perceelnummer 6] en [perceelnummer 7] , althans een andere noodweg; 2. voor recht verklaart dat de grens tussen de erven van partijen met de nummers [perceelnummer 7] en [perceelnummer eiser] gelijk is aan de voorlopige kadastrale grens, althans de grens tussen die percelen vaststelt; 3. [de gedaagden in conventie] veroordeelt om binnen vier weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis medewerking te verlenen aan definitieve vastlegging van de grens door het kadaster, onder bepaling dat de kosten van het kadaster voor rekening van [de gedaagden in conventie] komen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom;4. [de gedaagden in conventie] veroordeelt in de kosten van deze procedure, vermeerderd met nakosten en de wettelijke rente over de proces-en nakosten. 3.2. Ter onderbouwing van haar vordering stelt [de eiser in conventie] -tegen de achtergrond van de vaststaande feiten- het volgende. Haar erf heeft geen toegang tot de openbare weg, maar ligt wel aan de weg van [de gedaagden in conventie] , de [straatnaam] . Deze weg geeft toegang tot de openbare weg, de [naam hoofdweg] . De situatie ter plaatse wijst overduidelijk uit dat het voor de hand ligt om de [straatnaam] als noodweg aan te wijzen. De kadastrale grens tussen haar perceel ( [perceelnummer eiser] ) en het perceel van [de gedaagden in conventie] ( [perceelnummer 7] ) is na verloop van vele jaren nog steeds niet definitief. Zij heeft op 16 oktober 2000 een perceel grond ter grootte van ongeveer twee are van het kadastrale perceel, gemeente [plaatsnaam] , sectie C nummer [vroeger perceelnummer] geleverd aan [de ontwikkelaar] . Het perceel [vroeger perceelnummer] is daarop gesplitst in de percelen [perceelnummer 7] en [perceelnummer eiser] , waarbij door het kadaster een voorlopige grens is bepaald. De voorlopige grens leidt ertoe dat het door haar aan [de ontwikkelaar] geleverde perceel een oppervlakte heeft van 222 m², derhalve 22 m² meer dan de bedoeling was. De voorlopige grens is ondanks dit laatste juist. De grens ligt kort op de weg en komt overeen met de gemaakte afspraken met en de plannen van [de ontwikkelaar] . Dit volgt ook uit de akte van 20 oktober 2000, waarbij [de ontwikkelaar] een perceel bouwgrond en een onverdeeld 1/5e aandeel van de weg levert aan [gedaagde in conventie 1] . Aan deze akte is een tekening gehecht. Uit deze tekening volgt dat de grens tussen de weg en de diverse percelen/kavels in een rechte lijn loopt, wat ook het geval is bij de voorlopige kadastrale grens. 3.3. [de gedaagden in conventie] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank [de eiser in conventie] niet-ontvankelijk moet verklaren in haar vorderingen, dan wel de vorderingen van [de eiser in conventie] moet afwijzen.Subsidiair verzoekt [de gedaagden in conventie] , voor zover de rechtbank de vorderingen van [de eiser in conventie] toewijst, om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.Tot slot vordert [de gedaagden in conventie] veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente over de proces-en nakosten indien betaling daarvan niet plaatsvindt binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis. 3.4. [de gedaagden in conventie] voert aan dat [de eiser in conventie] nog geen concrete bouwplannen heeft en daarom geen belang heeft bij het aanwijzen van een noodweg. [de eiser in conventie] moet in dit onderdeel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.[de eiser in conventie] kan gebruik maken van het perceel van haar broer (nummer [perceelnummer 9] ) om vanaf haar perceel de openbare weg te bereiken. Daarom geldt subsidiair dat de vordering tot het aanwijzen van een noodweg moet worden afgewezen.[de eiser in conventie] heeft geen gegevens verstrekt waaruit blijkt hoe de erfgrens loopt. Het terrein is nog niet ingemeten. De erfgrens ligt niet kort op de weg, maar ligt ten minste 90 centimeter van de weg af. 3.5. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4Het geschil in voorwaardelijke reconventie 4.1. [de gedaagden in conventie] vordert -voor het geval dat de rechtbank komt tot het aanwijzen van een noodweg zoals door [de eiser in conventie] wordt gevorderd- dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, [de eiser in conventie] veroordeelt tot het betalen van een bedrag van € 1.000,-- aan schadevergoeding, te betalen voorafgaand aan het gebruik van de noodweg. Ter zitting heeft [de gedaagden in conventie] verklaard dat daarmee wordt bedoeld de betaling van een bedrag van € 1.000,-- aan alle deelgenoten tezamen. Tevens vordert [de gedaagden in conventie] veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten. 4.2. [de eiser in conventie] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de vorderingen van [de gedaagden in conventie] moet afwijzen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagden in conventie] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente over de proces-en nakosten indien betaling niet plaatsvindt binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan. 5De beoordeling in conventie Wanneer is er grond voor aanwijzing van een noodweg? 5.1. De wet bepaalt dat de eigenaar van een erf, dat geen behoorlijke toegang heeft tot een openbare weg, te allen tijde van de eigenaars van de naburige erven aanwijzing van een noodweg ten dienste van zijn erf kan vorderen (artikel 5:57 lid 1 Burgerlijk Wetboek, hierna BW). Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling (Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 217) blijkt dat voor de vraag wat een behoorlijke toegang is dient te worden gelet op wat met een normale exploitatie van het erf in overeenstemming is. Met de woorden “te allen tijde” heeft de wetgever bedoeld dat een dergelijke vordering niet kan verjaren. 5.2. De aanwijzing van een noodweg betekent een inbreuk op het eigendomsrecht van een ander, hetgeen het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. De vraag of op grond van de hiervoor genoemde rechtsregel een noodweg moet worden aangewezen moet, gelet op het systeem van de wet, worden beantwoord in het licht van de omstandigheden ten tijde van de vordering tot aanwijzing van een noodweg. Met name uit het bepaalde in artikel 5:57 leden 4 en 5 BW kan worden afgeleid dat de noodzaak voor een noodweg afhankelijk is van hetgeen zich ter plaatse feitelijk voordoet en dat die noodzaak kan veranderen indien en zodra die omstandigheden feitelijk wijzigen. (Gerechtshof Amsterdam 11 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2726). Dit arrest van het hof is in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 1990 ECLI:NL:HR:1990:AC0958. Uit dat arrest volgt immers dat voor de aanwijzing van een noodweg beslissend is dat bij het ontbreken daarvan een behoorlijke exploitatie van het ingesloten erf bij een normale bestemming, van de aard als dit erf in het gegeven geval heeft, niet mogelijk is. Bij de aanwijzing van de noodweg dient krachtens het artikel 5:57 lid 3 BW een belangenafweging plaats te vinden. Het gaat daarbij om het belang van het ingesloten erf om de openbare weg of het openbare vaarwater zo snel mogelijk te bereiken en het belang van de bezwaarde erven om van de noodweg zo weinig mogelijk overlast te ondervinden. Moet er ten dienste van [de eiser in conventie] een noodweg worden aangewezen? 5.3. De huidige bestemming van het perceel van [de eiser in conventie] is grasland. Dat is op dit moment ook de feitelijke situatie: het is een perceel grasland, dat volgens [de eiser in conventie] begraasd wordt door schapen en onderhouden door degene die de schapen daar laat grazen. Gesteld noch gebleken is dat het erf van [de eiser in conventie] op dit moment niet in overeenstemming met de huidige bestemming en functie kan worden geëxploiteerd. Zij kan haar perceel te voet bereiken via het perceel ( [perceelnummer 9] ) van haar broer, waarmee het visueel en qua begroeiing een eenheid vormt, zoals tijdens de plaatsopneming door de rechtbank is geconstateerd. [de gedaagden in conventie] hebben erop gewezen dat zich tussen het perceel van [de eiser in conventie] en dat van haar broer geen hekwerken bevinden. 5.4. [de eiser in conventie] stelt dat zij overweegt om op haar perceel een woning te laten bouwen en dat daarom noodzakelijk is dat een noodweg wordt aangewezen, omdat haar broer er niet mee akkoord gaat dat het perceel als woonperceel wordt ontsloten via zijn land. [de gedaagden in conventie] heeft echter met recht aangevoerd dat [de eiser in conventie] onvoldoende heeft onderbouwd dat de door [de eiser in conventie] gewenste toekomstige situatie, een woonperceel, (
- al)moet worden beschouwd als “wat zich ter plaatse feitelijk voordoet”, zodat die bestemming bij de beoordeling van de vordering tot het aanwijzen van een noodweg tot uitgangspunt te worden genomen. [de eiser in conventie] heeft bijvoorbeeld geen bouwtekening overgelegd (die wil zij naar eigen zeggen pas laten maken wanneer er een ontsluiting is, waarmee zij kennelijk bedoelt: pas als een noodweg is aangewezen). [de eiser in conventie] heeft ook nog geen aanvraag ingediend voor het wijzigen van de bestemming om woningbouw op haar perceel mogelijk te maken. Zij heeft evenmin een bouwvergunning aangevraagd. [de eiser in conventie] heeft in dit verband aangevoerd dat zij geen aanvraag voor een bouwvergunning kan doen zo lang haar erf geen ontsluiting heeft naar de openbare weg, maar die stelling heeft zij onvoldoende onderbouwd. Zo heeft zij kennelijk niet geprobeerd om aan de gemeente (al dan niet in de vorm van een verkennend gesprek of vooraanvraag/conceptverzoek) de vraag voor te leggen of überhaupt een bouwvergunning kan worden verleend, uitgaande van ontsluiting van haar perceel via de [straatnaam] dan wel via het perceel van haar broer. Ter zitting is bovendien gebleken dat [de eiser in conventie] nog niet serieus heeft nagedacht over de financiering van haar bouwplannen, terwijl [de gedaagden in conventie] daar de nodige vraagtekens bij heeft gezet. 5.5. Onder deze omstandigheden kan op dit moment niet worden aangenomen dat de bestemming van het perceel binnen afzienbare tijd zal worden gewijzigd van grasland in wonen. [de eiser in conventie] heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat de gemeente in 2004 in een verdichtingsplan het erf van [de eiser in conventie] al heeft opgenomen als bouwlocatie voor een vrijstaande woning, maar zij heeft die stelling -na betwisting door [de gedaagden in conventie] - niet nader met stukken onderbouwd, zodat aan deze stelling van [de eiser in conventie] voorbij wordt gegaan. Dit alles nog daargelaten dat op grond van hetgeen hiervoor onder 5.2. is overwogen een zuiver toekomstige of beoogde bestemming van het erf niet behoeft te worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of [de eiser in conventie] thans aanspraak kan maken op aanwijzing van een noodweg. 5.6. De vordering tot aanwijzing van een noodweg zal te zijner tijd dus worden afgewezen. 5.7. De rechtbank merkt nog op dat indien aanwijzing van een noodweg wel aan de orde zou zijn geweest -gelet op het verweer van [de gedaagden in conventie] - ook het perceel van de broer van [de eiser in conventie] moet worden betrokken bij de vraag over welk tracé de noodweg moet lopen en dus ook het belang van de broer in de belangenafweging zou moeten worden betrokken. [de eiser in conventie] heeft haar broer niet opgeroepen om in de onderhavige procedure te verschijnen. Aangezien aanwijzing van een noodweg thans niet aan de orde is, is er geen aanleiding om [de eiser in conventie] in de gelegenheid te stellen om haar broer in deze procedure te betrekken overeenkomstig het bepaalde in artikel 118 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. De vordering tot vaststelling van de erfgrens 5.8. [de eiser in conventie] vordert dat [de gedaagden in conventie] zal worden veroordeeld om mee te werken aan de vastlegging van de erfgrens door het kadaster. Partijen verschillen echter van mening over de vraag waar (ter plaatse) de (juridische) erfgrens tussen hun percelen ligt en waar volgens [de eiser in conventie] (dus) de erfgrens door het kadaster moet worden vastgelegd. Daarom vordert [de eiser in conventie] ook (primair) een verklaring voor recht dat de juridische grens ligt op de voorlopige kadastrale grens, althans (subsidiair) de vaststelling van de erfgrens door de rechtbank. 5.9. Op grond van artikel 5:47 lid 1 BW kan, indien de loop van de grens tussen twee erven onzeker is, elk van de eigenaren van die percelen vorderen dat de rechter de grens bepaalt. Voor vaststelling van een grens door de rechter is, zoals uit de tekst van die wetsbepaling al blijkt, alleen plaats wanneer de grens onzeker is, dus wanneer de locatie van de grens niet vaststaat en ook niet – eventueel na bewijslevering – kan komen vast te staan. Dat partijen het over de loop van de grens oneens zijn is dus niet voldoende. Dat één van de partijen zich voor haar standpunt baseert op inlichtingen van het kadaster, is voor de beantwoording van de vraag of de loop van de grens onzeker is, bovendien niet zonder meer beslissend. 5.10. [de eiser in conventie] stelt dat de voorlopige grens zoals vastgesteld door het kadaster juist is. Aangezien [de gedaagden in conventie] dit gemotiveerd betwist, dient de rechtbank eerst te onderzoeken of kan worden vastgesteld of de stelling van [de eiser in conventie] juist is, voordat de rechtbank eventueel een grensbepaling als bedoeld in artikel 5:47 BW kan geven. 5.11. [de eiser in conventie] verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de akte van ruiling van 16 oktober 2000. 5.12. Bij de beantwoording van de vraag wat de omvang is van een overgedragen perceel komt het naar vaste rechtspraak aan op de in de akte van notariële levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele akte uit te leggen, omschrijving van de over te dragen onroerende zaak (Hoge Raad 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901). 5.13. In de akte van ruiling levert [de eiser in conventie] aan [de ontwikkelaar] “een perceel grond, gelegen te [plaatsnaam] , nabij de [straatnaam] , uitmakende een ter plaatse kennelijk aangeduid gedeelte ter grootte van ongeveer twee are van het kadastrale perceel gemeente [plaatsnaam] sectie C nummer [vroeger perceelnummer] .” Aan deze akte is geen tekening gehecht, waaruit de grenzen met aangrenzende percelen kunnen worden afgeleid, en gesteld noch gebleken is dat er ter plaatse (nog) enige fysieke aanduiding van het overgedragen perceel aanwezig is. Uit deze akte als zodanig is dus niet met enige mate van nauwkeurigheid op te maken waar de grens loopt tussen het nog aan [de eiser in conventie] toebehorende perceel (thans [perceelnummer eiser] ) en het aan [de gedaagden in conventie] toebehorende perceel waarop de [straatnaam] is aangelegd. 5.14. [de eiser in conventie] heeft verder nog verwezen naar de akte van 20 oktober 2000, waarbij [de ontwikkelaar] aan [gedaagde in conventie 1] en [gedaagde in conventie 2] levert:“een perceel bouwgrond gelegen te [plaatsnaam] nabij de [straatnaam] , uitmakende: (…) c. het onverdeeld een/vijfde aandeel in het op voormelde situatietekening schetsmatig met kruis-, stiparcering aangegeven gedeelten van de kadastrale percelen gemeente [plaatsnaam] sectie C nummer [perceelnummer 10] en [vroeger perceelnummer].”Uit de aan deze akte gehechte tekening, waarop geen afmetingen van de diverse percelen of afstanden tot vaste herkenningspunten lijken te zijn vermeld, kan de rechtbank evenmin zonder meer afleiden hoe de grens loopt tussen het overgedragen gedeelte van perceel [vroeger perceelnummer] en het niet overgedragen gedeelte, nog daargelaten dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet evident is dat uit de akte van levering tussen [de ontwikkelaar] en [gedaagde in conventie 1] en [gedaagde in conventie 2] kan worden afgeleid welk gedeelte van het oude perceel [vroeger perceelnummer] in de transactie tussen [de eiser in conventie] en [de ontwikkelaar] is overgedragen. Nu de percelen [perceelnummer 7] en [perceelnummer eiser] nadien zijn ontstaan uit perceel [vroeger perceelnummer] , kan uit deze tekening verder niets ten voordele van de stelling van [de eiser in conventie] worden afgeleid. 5.15. De rechtbank sluit niet uit dat een deskundige (al dan niet werkzaam bij het kadaster) aan de hand van de twee hiervoor genoemde aktes door middel van metingen zal kunnen bepalen waar de grens ligt tussen het erf van [de eiser in conventie] en het mandelige erf van [de gedaagden in conventie] Mogelijk heeft het kadaster daartoe al metingen verricht; er is immers (zo is door [de eiser in conventie] gesteld en door [de gedaagden in conventie] niet betwist) een voorlopige kadastrale grens vastgesteld. Om voor de rechtbank onduidelijk gebleven redenen heeft [de eiser in conventie] echter niet uiteengezet hoe deze door haar gestelde voorlopige kadastrale grens precies tot stand is gekomen en heeft zij evenmin stukken in het geding gebracht waaruit dit blijkt. Daarbij komt dat zij ook geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt waar de voorlopige kadastrale grens zich bevindt, terwijl partijen het daarover niet eens zijn. 5.16. Volgens [de eiser in conventie] ligt de voorlopige kadastrale grens “kort op de weg” en blijkt dit uit een door haar overgelegde luchtfoto (productie 12 bij dagvaarding) waarop de voorlopige kadastrale grens met een gekleurde lijn zou zijn aangegeven, en ook uit het feit dat de percelen van [de gedaagden in conventie] ook direct aan de [straatnaam] beginnen. [de gedaagden in conventie] hebben enerzijds betwist dat de voorlopige kadastrale grens “kort op de weg” loopt en daartoe verwezen naar een uitvergrote versie van de door [de eiser in conventie] overgelegde luchtfoto (productie 8 bij conclusie van antwoord), waarop te zien is dat de gekleurde lijn niet tegen de band van de weg loopt maar ergens verderop in het groene vlak (de berm). Anderzijds betwisten zij ook dat de juridische erfgrens overeenstemt met de voorlopige kadastrale grens en wijzen erop dat het geen ingemeten terrein betreft. Volgens [de gedaagden in conventie] ligt de juridische erfgrens op ten minste 90 cm vanaf de wegband van de [straatnaam] , overeenkomstig de vastgestelde metrage in een door hen overgelegde tekening aangeduid als “profiel A.” Dit blijkt volgens hen ook uit het feit dat in de strook van ten minste 90 cm vanaf de wegband nog een deel van de fundering van de [straatnaam] ligt en dat er diverse kabels liggen ten behoeve van de woningen van [de gedaagden in conventie] , en dat [de eiser in conventie] daarvan op de hoogte is. 5.17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de eiser in conventie] enerzijds (
- a)vooralsnog onvoldoende duidelijk gemaakt waar de voorlopige kadastrale grens ligt, (
- b)vooralsnog onvoldoende onderbouwd dat dit een door het kadaster vastgestelde voorlopige grens is, en (
- c)vooralsnog onvoldoende onderbouwd dat de juridische erfgrens ligt op de door haar gestelde voorlopige kadastrale grens. Ten aanzien van punt (
- a)(waar ligt de voorlopige grens) geldt dat “kort op de weg” een onvoldoende precieze aanduiding is van de locatie van de voorlopige kadastrale grens, mede in het licht van de betwisting door [de gedaagden in conventie] Als [de eiser in conventie] van mening is dat de voorlopige erfgrens (overal) precies tegen de band van de weg ligt dient zij dat ook te stellen en stukken of gegevens in het geding te brengen waaruit dit blijkt. Indien het volgens haar anders is, dienst zij daarover meer duidelijkheid te verschaffen en ook dat met feiten te staven. Met betrekking tot punt (
- b)geldt dat eveneens een nadere onderbouwing vereist is, indien mogelijk door het in het geding brengen van door het kadaster opgestelde documenten. Duidelijk moet worden of aan de voorlopige erfgrens een meting ter plaatse ten grondslag heeft gelegen, wat daarbij als uitgangspunt(
- en)heeft gediend en waar dit uit blijkt. Ten aanzien van punt (
- c)geldt dat uit de door [de eiser in conventie] in het geding gebrachte akten uit 2000 (akte van ruiling en leveringsakte [de ontwikkelaar] – [gedaagde in conventie 1] en [gedaagde in conventie 2] ) alleen onvoldoende blijkt waar (in het veld) de juridische erfgrens zich bevindt. [de eiser in conventie] heeft weliswaar het standpunt ingenomen dat de voorlopige grens ertoe leidt dat het door [de eiser in conventie] aan [de ontwikkelaar] geleverde perceel een oppervlakte heeft van 22 m2 meer dan de bedoeling was, maar zij heeft die stelling niet onderbouwd met meetgegevens en/of andere cijfermatige informatie. Anderzijds kan ook niet zonder meer worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [de gedaagden in conventie] , want het enkele feit dat een deel van de fundering van de [straatnaam] en ten behoeve van de woonpercelen van [de gedaagden in conventie] aangelegde leidingen zich zouden bevinden in de strook grond van 90 cm vanaf de wegband maakt nog niet dat [de gedaagden in conventie] geacht moeten worden eigenaars te zijn (geworden) van die strook grond. Het hebben van bouwwerken of leidingen in eens anders perceel leidt immers niet zonder meer tot eigendomsverkrijging. Daarbij komt dat Profiel A is afkomstig van ‘ [naam buro architectuur] ’. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom een tekening die kennelijk is gemaakt door een architect, zonder dat is gebleken van enige betrokkenheid van [de eiser in conventie] daarbij, kan dienen tot onderbouwing, laat staan tot bewijs, van de locatie van de juridische erfgrens tussen de percelen van [de eiser in conventie] en [de gedaagden in conventie] heeft geen notariële akte van levering in het geding gebracht waaruit blijkt dat de betreffende tekening onderdeel uitmaakt van een akte van levering met betrekking tot hier van belang zijnde percelen. Aan profiel A komt in deze reeds daarom dan ook geen betekenis toe, dit nog daargelaten dat uit de tekening ook optisch weinig valt op te maken wat de precieze ligging van de grenzen van de percelen betreft. 5.18. Dit betekent dat de door [de eiser in conventie] gevraagde verklaring voor recht dat de door het kadaster voorlopig vastgestelde grens de juiste grens is, niet aanstonds kan worden toegewezen. 5.19. Anderzijds valt bij de huidige stand van zaken nog niet uit te sluiten dat, na nadere verduidelijking en onderbouwing van de stellingen van (in de eerste plaats) [de eiser in conventie] , en eventueel met behulp van het kadaster, de juridische erfgrens kan worden bepaald. Dat de grens onzeker is in de zin van artikel 5:47 lid 1 BW is dus (nog) niet komen vast te staan, maar valt bij deze stand van zaken ook niet uit te sluiten. Dat betekent dat de rechtbank evenmin (nu reeds) de subsidiaire vordering tot erfgrensbepaling kan toe- of afwijzen. 5.20. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol voor het nemen van een akte door [de eiser in conventie] , waarin zij haar stellingen ten aanzien van de punten a tot en met c als hiervoor onder 5.17. uiteengezet nader kan onderbouwen, waar mogelijk ook met stukken. De rechtbank gaat ervan uit dat [de eiser in conventie] alle stukken met betrekking tot de voorlopige kadastrale grens en de juridische erfgrens waarover zij kan (komen
- te)beschikken bij deze akte in het geding brengt en beveelt haar, voor zover nodig, op grond van artikel 22 Rv om dit te doen. [de eiser in conventie] kan dit dus niet achterwege laten met het argument dat zij dit zo nodig zal doen in het kader van bewijslevering; het stadium dat schriftelijk bewijs slechts hoeft te worden aangeboden en niet geleverd is nu gepasseerd. Indien [de eiser in conventie] bepaalde stukken niet in het geding brengt kan en zal de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen. 5.21. Vervolgens zullen [de gedaagden in conventie] in de gelegenheid worden gesteld op de akte van [de eiser in conventie] te reageren en waar nodig hun stellingen met betrekking tot de locatie van de voorlopige kadastrale grens en de juridische grens nader te onderbouwen. Daarbij geldt het hiervoor op grond van artikel 22 Rv gegeven bevel ten aanzien van het in het geding brengen van stukken (en de consequenties van het niet voldoen daaraan) ook voor [de gedaagden in conventie] 5.22. Voor de goede orde wijst de rechtbank erop dat de te nemen aktes alleen betrekking mogen hebben op de erfgrenskwestie en dat het niet de bedoeling is daarin het debat over de noodweg te heropenen. Eventuele passages die het toegestane onderwerp van de akte(
- s)te buiten gaan zal de rechtbank in beginsel ambtshalve buiten beschouwing laten. 5.23. De rechtbank kan zich voorstellen dat, afhankelijk van de inhoud van de te nemen aktes en eventueel nog in het geding te brengen stukken, nadere stappen in de procedure en/of een grensreconstructie of anderszins een deskundigenoordeel door het kadaster (of een andere deskundige) vervolgens noodzakelijk kunnen zijn. De rechtbank geeft partijen mede daarom in overweging om nog een poging te wagen om in onderling overleg tot een vaststelling van de erfgrens op een voor hen allen aanvaardbare plaats te komen (al dan niet met vestiging van beperkte rechten met betrekking tot aanwezige kabels en bouwwerken) en op zijn minst in zoverre tot een regeling buiten rechte te komen, om verdere tijd en (proces- en deskundigen)kosten te voorkomen. Hoewel dit gelet op het grote aantal betrokkenen (aan de zijde van [de gedaagden in conventie] ) en de wens van [de eiser in conventie] tot het verkrijgen van een uitweg naar de [straatnaam] mogelijk niet gemakkelijk zal zijn, lijkt er bij alle partijen een duidelijk belang te bestaan bij duidelijkheid over de erfgrens op een zo kort mogelijke termijn en is de breedte van de strook grond waarvan de eigendom in geschil is nu ook weer niet zo groot dat dit op voorhand onmogelijk lijkt. Mochten partijen daartoe een nadere mondelinge behandeling (op de rechtbank) noodzakelijk of behulpzaam achten dan kunnen zij een gemotiveerd gezamenlijk verzoek daartoe ter rolle doen voor, of uiterlijk op, de hierna te bepalen roldatum voor de door [de eiser in conventie] te nemen akte. 6De beoordeling van de voorwaardelijke vordering in reconventie 6.1. Aangezien in conventie de vordering tot het aanwijzen van een noodweg niet voor toewijzing vatbaar is, is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld. Dit betekent dat de reconventionele vordering niet behoeft te worden behandeld. 6.2. Geen van beide partijen kan als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom moet als uitgangspunt een proceskostenveroordeling in reconventie achterwege blijven.In deze zaak zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot afwijking van dit uitgangspunt zouden moeten leiden. 6.3. Nu in conventie nog geen eindvonnis wordt gewezen zal de beslissing in voorwaardelijke reconventie worden aangehouden. 7De beslissing De rechtbank in conventie 7.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van [datum] 2025 voor het nemen van een akte door [de eiser in conventie] met (alleen) de hiervoor onder 5.20. bedoelde inhoud, waarop [de gedaagden in conventie] vervolgens bij antwoordakte zullen mogen reageren, dan wel voor het doen van een gezamenlijk en gemotiveerd verzoek tot een nadere mondelinge behandeling als hiervoor onder 5.23. genoemd; 7.2. houdt iedere verdere beslissing aan. in voorwaardelijke reconventie 7.3. houdt iedere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op9 juli 2025. Hoge Raad 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9673.