← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:12043

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05/841082-17 Datum uitspraak: 11 april 2025 Beslissing van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering in de zaak van de officier van justitie tegen [betrokkene] (hierna: betrokkene), geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats], verblijvende bij Pluryn op locatie [adres],[postcode] [plaats], onder verantwoordelijkheid van Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [kliniek] (hierna: de kliniek). Raadsman: mr. M.P.T. Peters, advocaat te Zutphen. Procedure Aan betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 19 januari 2018 de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd wegens brandstichting met gevaar voor personen. De maatregel is ingegaan op 3 februari

  1. De duur van de maatregel is voor het laatst verlengd bij beslissing van deze rechtbank van 17 februari
  2. Bij vordering van 23 december 2025 (abusievelijk foutief gedateerd, de rechtbank begrijpt 23 december 2024), bij de griffie van de rechtbank ingekomen op 23 december 2024, heeft de officier van justitie gevorderd dat de termijn van de maatregel wordt verlengd met één jaar. Op 31 januari 2025 is de zaak behandeld door de rechtbank en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Op 14 februari 2025 heeft de rechtbank een tussenbeslissing genomen waarin het onderzoek werd heropend. De rechtbank heeft de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd met een maximum van drie maanden, omdat de rechtbank zich, gezien de eensluidende adviezen van de deskundigen, zonder onderzoek naar de mogelijkheden voor een rechterlijke machtiging onvoldoende voorgelicht acht om in deze zaak te kunnen beslissen. De rechtbank heeft de stukken in handen van de officier van justitie gesteld teneinde een rechterlijke machtiging in het kader van de Wet zorg en dwang (hierna: Wzd) aan te vragen. De rechtbank heeft verder kennis genomen van de volgende processtukken die na de vorige zitting aan het dossier zijn toegevoegd: het proces-verbaal van de zitting van 31 januari 2025; de tussenbeslissing van 14 februari 2025; het verzoekschrift rechterlijke machtiging Wet zorg en dwang, inclusief bijlagen. Ter zitting van 11 april 2025 zijn gehoord: betrokkene; haar raadsman mr. M.P.T. Peters; de deskundige E.M. den Ouden, GZ-psycholoog/regiebehandelaar in de kliniek; de deskundige L.H.W.M. Kaiser, psychiater bij het NIFP; de deskundige W.M. ter Harmsel, juridisch adviseur Wet zorg en dwang bij CIZ, in het kader van de Wet zorg en dwang-procedure; de officier van justitie, mr. G. Steeghs. De zaak is gelijktijdig behandeld met een verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging ex art. 2.3 van de Wet forensische zorg (onder zaaknummer RK25/782). De standpunten De officier van justitie heeft ter zitting verzocht de onderhavige vordering tbs-verlenging af te wijzen, onder gelijktijdige verlening van een rechterlijke machtiging. Het recidivegevaar daalt door de rechterlijke machtiging tot een aanvaardbaar niveau, zodat de behandeling van betrokkene binnen een civiel kader kan worden voortgezet. De raadsman van betrokkene heeft gepleit voor beëindiging van de tbs-maatregel. De beoordeling Indexdelict De terbeschikkingstelling is opgelegd vanwege brandstichting. Dat betekent dat de maatregel is opgelegd in verband met een misdrijf dat gericht was tegen of gevaar veroorzaakte voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel is dus niet gemaximeerd. Stoornis Uit de rapporten van de kliniek en de psychiater blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychotische stoornis, een stoornis in middelengebruik (amfetamineachtig, cocaïne, alcohol en cannabis) en een licht verstandelijke beperking. De stoornissen zijn nog altijd aanwezig. Verloop van de maatregel Betrokkene heeft het afgelopen jaar in het kader van een proefverlof met onbegeleide vrijheden binnen Pluryn verbleven. Deze periode kenmerkt zich door een periode van weerstand in het najaar van 2023, gevolgd door een positieve verandering in de samenwerking en probleembesef sinds februari
  3. In januari 2024 en juli 2024 was sprake van gebruik van niet voorgeschreven slaapmedicatie en ADHD-medicatie. Betrokkene heeft benoemd dat zij dit heeft gedaan als oppepper, omdat ze moe was. Bij betrokkene is slaapapneu vastgesteld en de behandeling hiervan heeft een vermindering van de vermoeidheidsklachten tot gevolg gehad. Dit heeft een positieve invloed op de deelname aan dagbesteding door betrokkene en inmiddels is sprake van adequate dagbesteding en positieve vrijetijdsbesteding. De verlofbewegingen verlopen goed, betrokkene houdt zich aan de gemaakte afspraken en vertelt over haar bezigheden. In de afgelopen periode is er geen sprake geweest van alcohol- en/of middelengebruik. De ondersteuning door Pluryn is afdoende gebleken om schade te beperken en recidive te voorkomen. Betrokkene zal gezien haar beperkte probleeminzicht en leervermogen langdurig aangewezen blijven op de omgevingsprothese van een gestructureerde begeleidingscontext om psychisch voldoende stabiel te kunnen blijven functioneren. Betrokkene conformeert zich aan deze begeleiding en ondersteuning, maar er is onvoldoende overeenstemming over de duur en vorm van de benodigde zorg om te kunnen spreken van vrijwilligheid. Recidivegevaar Het recidiverisico wordt volgens de rapporten ingeschat op matig tot hoog bij beëindiging van de terbeschikkingstelling zonder ander kader. Er wordt verwacht dat betrokkene zal stoppen met het gebruik van antipsychotica en terug zal vallen in middelengebruik en psychotisch zal ontregelen. Betrokkene wordt niet in staat geacht om volledig adequaat zelfstandig te kunnen functioneren en het risico op negatieve beïnvloeding en victimisatie door een niet-protectief netwerk is groot. Ter zitting hebben de deskundigen aangegeven dat de tbs maatregel niet meer nodig is en dat de overgang naar een rechterlijke machtiging in het kader van de Wzd op dit moment een passende en verantwoorde stap is. Conclusie De rechtbank heeft bij afzonderlijke beslissing van heden op basis van de Wzd een rechterlijke machtiging afgegeven voor de duur van zes maanden. Met de daarin opgenomen voor betrokkene noodzakelijke zorg wordt het recidiverisico naar het oordeel van de rechtbank teruggebracht tot een aanvaardbaar niveau. Onder deze omstandigheden vereist de algemene veiligheid niet langer dat de tbs-maatregel wordt verlengd. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen, met toepassing van art. 6:2:17 lid 2 Sv. De beslissing De rechtbank: wijst af de vordering tot verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Deze beslissing is gegeven door mr. A. Bril, als voorzitter, mr. A.J.H. Steenweg en mr. A.P. Sno, als rechters in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 april
  4. mr. A.J.H. Steenweg en mr. G.C. van de Fliert zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.