RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats: Zutphen Parketnummer: 05/069200-23 Datum uitspraak : 21 januari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] ( [postcode] ) in [woonplaats] . Raadsvrouw: mr. R.G.M. Rijkhoff, advocaat in Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: feit 1 hij op of omstreeks 14 augustus 2022 te [plaats], gemeente Epe openlijk, te weten, op/aan (de kruising van) de Schobbertsweg en/of de Achterdorperweg, in elk geval op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , door: - die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen en/of te slaan, en/of - die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen en/of te slaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 14 augustus 2022 te [plaats], gemeente Epe tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door: - die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen en/of te slaan, en/of - die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen en/of te slaan; feit 2 hij op of omstreeks 14 augustus 2022 te [plaats], gemeente Epe tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)die [slachtoffer 3] (met kracht) tegen het hoofd gestompt en/of geslagen en/of (nadat die [slachtoffer 3] (daarbij) op de grond is gevallen en/of geduwd) die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of het bovenlichaam geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 14 augustus 2022 te [plaats], gemeente Epe openlijk, te weten, op/aan (de kruising van) de Schobbertsweg en/of de Achterdorperweg,, in elk geval op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door die [slachtoffer 3] (met kracht) tegen het hoofd te stompen en/of te slaan en/of (nadat die [slachtoffer 3] (daarbij) op de grond is gevallen en/of geduwd) die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam te schoppen en/of te trappen; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 14 augustus 2022 te [plaats], gemeente Epe tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] (met kracht) tegen het hoofd te stompen en/of te slaan en/of (nadat die [slachtoffer 3] (daarbij) op de grond is gevallen en/of geduwd) die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam te schoppen en/of te trappen;; feit 3 hij op of omstreeks 14 augustus 2022 te [plaats], gemeente Epe openlijk, te weten, op/aan (de kruising van) de Schobbertsweg en/of de Achterdorperweg, in elk geval op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , door: - die [slachtoffer 4] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen en/of te slaan, en/of - die [slachtoffer 5] van de fiets te trappen en/of te stoten en/of te duwen en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen, en/of - die [slachtoffer 6] meermalen, althans eenmaal tegen het lichaam te stompen en/of te slaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 14 augustus 2022 te [plaats], gemeente Epe tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] heeft mishandeld door: - die [slachtoffer 4] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen en/of te slaan, en/of - die [slachtoffer 5] van de fiets te trappen en/of te stoten en/of te duwen en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen, en/of - die [slachtoffer 6] meermalen, althans eenmaal tegen het lichaam te stompen en/of te slaan. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 1 en feit 3. Verder heeft de officier van justitie gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde onder feit 2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 1 omdat verdachte een onvoldoende wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd. Verder dient verdachte vrijgesproken te worden van het tenlastegelegde onder feit 2 omdat op grond van het bewijs niet is komen vast te staan dat verdachte de jongen met het rode shirt was. Ook kan niet worden uitgesloten dat één of meer anderen dan verdachte hebben gevochten en geweld hebben gepleegd tegen [slachtoffer 3] . Onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft gepleegd dan wel dat hij daar een wezenlijke bijdrage aan zou hebben geleverd. Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen voor (het medeplegen van) de mishandeling van [slachtoffer 3] – het meer subsidiaire tenlastegelegde - dan doet de verdediging subsidiair een beroep op noodweer en dient verdachte wegens ontbreken van de wederrechtelijkheid te worden vrijgesproken. Er was namelijk sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte en zijn vriendin door een grote groep oudere mannen. Tot slot heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 3 omdat niet kan worden vastgesteld dat het verdachte was die geweldshandelingen heeft verricht dan wel een voldoende wezenlijke of significante bijdrage aan het geweld heeft geleverd. Beoordeling door de rechtbank Het tenlastegelegde onder feit 2 Aangever [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) heeft verklaard dat hij op 14 augustus 2022 vanaf de [adres 2] in [plaats] naar huis fietste. Hij fietste de Achterdorperweg op en zag een groepje staan. [slachtoffer 3] zag twee jonge vrouwen schelden en schreeuwen. Hij sprak met een jongen in een rood shirt die voor zijn idee bij de twee vrouwen hoorde. [slachtoffer 3] voelde hij dat er iemand aan zijn kraag trok. Hij voelde op hetzelfde moment een hele harde klap tegen zijn rechter wang. Hij viel op de grond. Vervolgens zag en voelde [slachtoffer 3] dat de jongen met het rode shirt hem tegen zijn gezicht aan schopte. Hij voelde dat hij meerdere trappen kreeg in zijn linkerzij en voelde een doffe pijn. [slachtoffer 3] heeft de volgende verwondingen opgelopen: een schaafwond op zijn linkerknie, een bloeduitstorting op het rechterjukbeen en rechterwang, een bloeding in het oogwit van zijn rechteroog, een bloeding aan de rechterkant van zijn tong en drukpijn aan de linkerzijde van zijn ribben. Getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) heeft verklaard dat hij een groepje langs de weg zag staan bestaande uit twee meiden en twee jongens. De twee meiden waren erg hysterisch aan het schelden en schreeuwen. De ene jongen droeg een rood shirt en de andere jongen een zwart shirt. [getuige] zag dat de jongen met het zwarte shirt [slachtoffer 3] van achteren naar de grond trok. [getuige] zag dat [slachtoffer 3] hierdoor op de grond viel waarna de jongen met het zwarte shirt op hem in begon te slaan met gebalde vuisten. [getuige] zag dat de jongen met het rode shirt meerdere malen op [slachtoffer 3] in schopte toen [slachtoffer 3] op de grond lag. Dit was voornamelijk gericht op het hoofd en bovenlichaam van [slachtoffer 3] . Verdachte heeft verklaard dat hij op 14 augustus 2022 een rood shirt aan had. Ook heeft hij verklaard dat hij na het feest in [plaats] samen met medeverdachte [medeverdachte] en hun (toenmalige) twee vriendinnen naar huis fietste. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op diezelfde datum een zwarte polo aan had. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden vast. [slachtoffer 3] en [getuige] fietsten op 14 augustus 2022 op de openbare weg aan de Achterdorpweg in [plaats]. Zij stopten bij een groepje mensen bestaande uit twee jongens, waarvan één een rood shirt en de ander een zwart shirt droeg, en twee meisjes. De rechtbank stelt vast dat verdachte de jongen in het rode shirt is en medeverdachte [medeverdachte] de jongen in het zwarte shirt. De rechtbank baseert dit op het gegeven dat verdachte volgens zijn eigen verklaring onderdeel was van een groepje van twee jongens en twee meisjes en dat zowel [slachtoffer 3] en [getuige] verklaren dat de twee jongens in het rode en zwarte shirt aan wie zij de geweldshandelingen toeschrijven in continue gezamenlijkheid van twee meisjes verkeerden. Ook hebben verdachte en medeverdachte verklaard dat zij een rood respectievelijk zwart shirt aan hadden die avond. De rechtbank stelt verder vast dat [slachtoffer 3] door medeverdachte [medeverdachte] aan zijn kraag naar de grond is getrokken. Toen [slachtoffer 3] op de grond lag heeft medeverdachte [medeverdachte] hem geslagen en is verdachte op hem in gaan schoppen tegen het hoofd en bovenlichaam. [slachtoffer 3] heeft hierdoor lichamelijk letsel opgelopen. Hoewel [slachtoffer 3] door het geweld verwondingen heeft opgelopen, kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe vaak en met hoeveel kracht verdachte en medeverdachte hebben geschopt en geslagen. Noch blijkt uit het dossier wat de mogelijke gevolgen van deze verwondingen (zouden kunnen) zijn. De rechtbank kan gelet hierop niet zonder meer vaststellen dat de kans dat [slachtoffer 3] door de gedragingen van verdachte en de medeverdachte zwaar letsel op zou lopen, aanmerkelijk te noemen is. Derhalve wordt verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] . De rechtbank gaat over tot het bespreken van het subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging nu het primaire tenlastegelegde niet kan worden bewezen. Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden staat vast dat er sprake is geweest van geweld gericht tegen personen in het openbaar. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte en de medeverdachte in vereniging hebben gehandeld. Voor een bewezenverklaring van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen is niet vereist dat de verdachte zelf alle feitelijke handelingen heeft verricht. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een ‘significante of wezenlijke bijdrage’ aan de openlijke geweldpleging levert. Deze bijdrage kan onder andere bestaan uit het verrichten van één of meer gewelddadige handelingen. Voor de rechtbank staat vast dat de verdachte een significante rol in het geweld heeft gehad door [slachtoffer 3] meermaals tegen het hoofd en bovenlichaam te schoppen. Het aandeel van verdachte in de uitoefening van het geweld in het openbaar is daarmee gegeven. Gelet op het de geweldshandelingen van medeverdachte [medeverdachte] - zijnde [slachtoffer 3] naar de grond trekken en hem meermaals slaan - wordt voldaan aan het onderdeel ‘in vereniging’ en kan dit bewezen worden verklaard. De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer 3] . Vrijspraak van het tenlastegelegde onder feit 1 Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte aanwezig was bij de ten laste gelegde openbare geweldpleging tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Niet is gebleken dat de verdachte een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan die geweldpleging. De verklaring van verdachte dat hij geen geweldshandelingen heeft verricht tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt bevestigd door de verklaring van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verklaart immers dat verdachte – de jongen in het rode shirt – erbij stond en ernaar keek en in zijn ogen niets deed. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openbare geweldpleging, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder subsidiair tenlastegelegde medeplegen van mishandeling omdat verdachte geen geweldshandelingen heeft verricht tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Op basis van de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt immers dat alle geweldshandelingen door medeverdachte [medeverdachte] zijn verricht. Hierbij is onvoldoende gebleken van een wezenlijke en significante bijdrage van verdachte. Derhalve dient verdachte te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van mishandeling. Vrijspraak van het tenlastegelegde onder feit 3 Uit geen van de verklaringen van aangevers [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] is gebleken dat de geweldshandelingen tegen hen zijn gepleegd door verdachte dan wel het groepje waar verdachte onderdeel van uitmaakte. Noch kan dit worden vastgesteld uit andere bewijsmiddelen. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen door wie en wanneer de aangevers zijn geslagen. Er is geen bewijs dat verdachte, al dan niet in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , waardoor de rechtbank hem van het primair ten laste gelegde openlijk geweld en het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van mishandeling vrijspreekt. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiaire tenlastegelegde onder feit 2 heeft begaan, te weten dat: feit 2 hij op of omstreeks 14 augustus 2022 te [plaats], gemeente Epe openlijk, te weten, op/aan (de kruising van) de Schobbertsweg en/of de Achterdorperweg, in elk geval op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door die [slachtoffer 3] (met kracht) tegen het hoofd te stompen en/of te slaan en/of (nadat die [slachtoffer 3] (daarbij) op de grond is gevallen en/of geduwd) die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam te schoppen en/of te trappen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte De standpunten Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota aangevoerd dat de verdachte in het geval van de openlijke geweldpleging bij [slachtoffer 3] – subsidiair tenlastegelegd onder feit 2 - heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn partner [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ) dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Verdachte hoorde zijn vriendin [slachtoffer 6] gillen, waarbij zij aangaf dat zij geslagen was door [slachtoffer 3] . Verdachte heeft zichzelf tussen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 3] en andere mannen geplaatst om haar te beschermen. Hierbij heeft verdachte om zich heen geslagen en [slachtoffer 6] uit de situatie gehaald. Er was hierdoor sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte en [slachtoffer 6] door de grote groep oudere mannen. Verdachte meent dat de verdediging noodzakelijk was omdat hij zich hier niet aan kon onttrekken. De reactie van verdachte was proportioneel. De beoordeling door de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van [slachtoffer 3] niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer 6] of van verdachte. Immers, voor de bewering dat [slachtoffer 3] [slachtoffer 6] zou hebben geslagen of dreigde dat te doen bevindt zich in het dossier geen steunbewijs noch mocht verdachte dat laatste onder de gegeven omstandigheden vermoeden te meer daar uit de aangifte en de verklaringen van getuigen volgt dat [slachtoffer 3] op de grond gevallen was. Verdachte had zich met [slachtoffer 6] aan de situatie kunnen onttrekken zonder zich aan geweldshandelingen schuldig te maken. Het verweer wordt verworpen. Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld voor de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] tot het verrichten van 160 uren taakstraf en bij niet of niet naar behoren uitvoeren daarvan te vervangen door 80 dagen hechtenis. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij acht wordt geslagen op het strafblad van verdachte. Verdachte heeft zich gezamenlijk met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Verdachte en medeverdachte hebben een man die zich in een kwetsbare positie bevond geslagen en geschopt. Uit de aangifte en de getuigenverklaringen blijkt dat verdachte, nadat [slachtoffer 3] op de grond was gevallen, hem tegen het hoofd heeft geschopt. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan. Dergelijke feiten maken een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij hen die daarvan slachtoffer of getuige zijn. De rechtbank neemt het verdachte tevens kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden. De rechtbank ziet, ondanks hetgeen door verdachte ter zitting is verklaard, geen enkele rechtvaardiging voor het gebruiken van dergelijk buitensporig fysiek geweld. Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, maar tot een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging. Daarom legt de rechtbank een lagere straf op aan verdachte dan geëist. Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 140 uren passend en geboden. Indien deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt uitgevoerd zal dit vervangen worden door een hechtenis voor de duur van 70 dagen. 8De beoordeling van de civiele vorderingen [slachtoffer 6] De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De vordering is ter terechtzitting door de benadeelde partij ingetrokken. [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 50,38 aan materiële schade en € 650,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. [slachtoffer 3] De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.750,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan smartengeld, waarvan reeds € 1.000,00 is vergoed door het Schadefonds Geweldsmisdrijven, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet behandeld hoeft te worden omdat deze vordering reeds is ingetrokken. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] dient te worden afgewezen wegens de geëiste vrijspraak van verdachte. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] met betrekking tot de materiële schade moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Er zijn veel vragen over de manier van het berekenen van de inkomensderving. Onderzoek naar beantwoording van deze vragen zou een onevenredige belasting vormen voor het strafproces. Met betrekking tot het smartengeld kan een bedrag tot een hoogte van €1.500,00 worden toegewezen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen primair dienen te worden afgewezen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de verdediging de vordering van [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk te verklaren omdat de behandeling van de berekening van het inkomensverlies een onevenredige belasting van het strafproces is. Overweging van de rechtbank [slachtoffer 6] De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] , nu deze vordering ter terechtzitting is ingetrokken. [slachtoffer 1] Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt voor het onder feit 1 tenlastegelegde, zal de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. [slachtoffer 3] De schadeposten zijn onvoldoende onderbouwd. De precieze materiële schade aan inkomensderving die benadeelde heeft geleden, is onduidelijk. Het is niet vast komen te staan of de periode waarover het omzetverlies is berekend representatief is voor de periode waarin benadeelde geen werkzaamheden kon uitvoeren noch is gebleken in hoeverre benadeelde in staat was zijn werkzaamheden (deels) te verrichten. Benadeelde zal daarvoor de inkomensderving met aanvullende stukken moeten onderbouwen. Tevens is de schadepost voor het smartengeld onvoldoende onderbouwd. Uit de stukken blijkt niet dat benadeelde partij een rib heeft gebroken en psychische schade heeft opgelopen van de openlijke geweldpleging. Ook dit zal door benadeelde moeten worden onderbouwd met aanvullende stukken. Bovendien heeft de benadeelde partij al € 1000,- omvangen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. In de vordering is onvoldoende onderbouwd waar het gevraagde additionele bedrag aan immateriële schade op is gebaseerd. Het aanvullen van de onderbouwing van de vorderingen zou aanhouding van de zaak vereisten. Dat levert voor het strafproces een onevenredige belasting op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van de onder feit 1, feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde feiten; verklaart bewezen dat verdachte het feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een taakstraf van 140 (honderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 70 (zeventig) dagen; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Hollebrandse (voorzitter), mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. J.M.J.M. Doon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 januari 2025. mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2022370643, gesloten op 2 januari 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 18 t/m 20. Geneeskundige verklaring [slachtoffer 3] , p. 23. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 43, 44. Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 8 januari 2025. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 56.