RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05.253166-24 Datum uitspraak : 13 februari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] . Raadsman: mr. R. van Maaren, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 12 juni 2024 te Arnhem , althans in Nederland, openlijk, te weten op station Arnhem -Zuid, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door dreigend op die [slachtoffer] af te lopen en/of die [slachtoffer] voornoemd te sommeren dat hij mee moest lopen naar een rustige plek waarbij een slaande beweging werd gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] in te sluiten en/of hem vervolgens te sommeren zich uit te kleden tot op zijn onderbroek en/of door hem op te dragen te knielen en zijn excuses te maken door tegen hem te schreeuwen "zeg sorry dames" en/of "zeg sorry baasje" en/of door hem met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en/of te stompen/slaan en/of door te dreigen dat hij zou worden neergestoken als hij niet zou doen wat hem werd opgedragen en/of door dreigend (het handvat van) een mes te tonen en/of door deze openlijke geweldpleging te filmen en/of door dit filmpje via social media te delen; 2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 t/m 16 juni 2024 te Arnhem , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] , te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en/of van drugs, die [slachtoffer] voornoemd, heeft/hebben meegenomen naar een rustige plek waarbij een slaande beweging werd gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] in te sluiten en/of hem vervolgens te sommeren zich uit te kleden tot op zijn onderbroek en/of door hem op te dragen te knielen en zijn excuses te maken door tegen hem te schreeuwen "zeg sorry dames" en/of "zeg sorry baasje" en/of door hem met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en/of te stompen/slaan en/of door hem op dreigende toon de woorden toe te voegen "Voor vrijdag willen we tien gram 3-mmc van je hebben en anders geld” en/of “anders maken we je dood” en/of “anders steken we je dood”, waarbij dreigend (het handvat van) een mes werd getoond en/of door hem een bericht via whatsapp en/of sms en/of snapchat te sturen met de tekst "Eyy krijg je nou donderdag of vrijdag doekoe" en "Oh ja en vanaf morgen verhoging met die 3M is per dag 1g er bij", althans woorden van dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 12 juni 2024 bevond verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) zich met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en [medeverdachte] (hierna [medeverdachte] ) op het station Arnhem -Zuid in Arnhem . Omstreeks 12:45 uur troffen zij daar aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) die uit de trein stapte. [medeverdachte] schreeuwde [slachtoffer] ’s naam, rende samen met de anderen naar hem toe en probeerde hem te slaan. Alle vijf zeiden ze dat [slachtoffer] mee moest lopen. Beneden bij de fietsenstalling in de buurt van een zendmast werd [slachtoffer] opgedragen zijn kleding uit te trekken, op zijn onderbroek na. Als hij dat niet zou doen, zo werd hem gezegd door personen uit de groep, zou hij worden neergestoken. Er werd geschreeuwd en gescholden. [slachtoffer] moest op zijn knieën gaan zitten en zijn excuses aanbieden. Hem werd verteld dat hij "sorry dames", "sorry baasje" en/of "sorry [medeverdachte] en [medeverdachte] " moest zeggen. Toen [slachtoffer] op zijn knieën zat, gaf [medeverdachte] hem een trap en een vuistslag tegen zijn gezicht. Zijn schoenen werden weggegooid. [verdachte] en [medeverdachte] filmden het hele gebeuren. Nadat [slachtoffer] zich had aangekleed en iedereen weer richting de fietsenstalling liep, hoorde hij dat personen uit de groep van vijf zeiden dat ze voor vrijdag tien gram 3-mmc wilden hebben en als hij zich niet aan die afspraak hield dat ze dan al zijn geld wilden hebben. Als hij zich aan geen enkele voorwaarde zou houden zou hij worden doodgestoken. Later die dag zag [slachtoffer] nog een Whatsapp-bericht vanaf het Whatsapp-account van [verdachte] , die in zijn contactenlijst ' [bijnaam] ' heet omdat dit zijn bijnaam is, waarin stond: “Eyy krijg je nou donderdag of vrijdag doekoe" en "Oh ja en vanaf morgen verhoging met die 3M is per dag 1g erbij". Het filmpje dat van het gebeuren is gemaakt is gedeeld op Snapchat. [slachtoffer] had als gevolg van de trap en de vuistslag tegen zijn gezicht rode wangen en een verdikte neus. Hij had een zwelling en pijn aan het aangezicht. Op sommige momenten had hij pijn bij het eten. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 niet kan worden bewezen dat (het handvat van) een mes aan [slachtoffer] is getoond. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 geen bewijsverweer gevoerd. Wel heeft hij naar voren gebracht dat [slachtoffer] geen (handvat van een) mes is getoond en dat het delen van de beelden van het incident via social media geen onderdeel kan vormen van openlijk geweld. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken, nu niet kan worden bewezen dat hij zich als pleger, dan wel als medepleger, heeft schuldig gemaakt aan de poging tot afpersing in vereniging. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij het incident heeft gefilmd. Ook heeft hij een schoen van [slachtoffer] weggegooid. Op basis van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten en de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat sprake is van het op de openbare weg, in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer] en dus van openlijke geweldpleging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] aan deze openlijke geweldpleging ook een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd. [verdachte] heeft de groep getalsmatig versterkt door samen met de anderen achter [slachtoffer] aan te gaan en heeft zich vervolgens niet gedistantieerd van de daarop volgende geweldshandelingen. [verdachte] is niet weggegaan, maar is op korte afstand erbij gebleven en heeft de geweldshandelingen gefilmd. [slachtoffer] heeft dat filmen ook waargenomen. Bovendien heeft [verdachte] een schoen van [slachtoffer] weggegooid. Hoewel [verdachte] dus zelf geen fysiek geweld heeft gepleegd, is sprake van een gezamenlijke actie tegen [slachtoffer] . [verdachte] heeft welbewust een confrontatie opgezocht door met [medeverdachte] , [medeverdachte] , [medeverdachte] en [medeverdachte] naar [slachtoffer] te lopen/rennen en vervolgens enige tijd de geweldshandelingen tegen [slachtoffer] te filmen. Derhalve heeft [verdachte] in voldoende mate een substantiële bijdrage geleverd aan de openlijke geweldpleging (zie ook Hoge Raad 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:967 en de conclusie bij dit arrest ECLI:NL:PHR:2022:465). De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit. Evenals de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank niet bewezen dat (het handvat van) een mes aan [slachtoffer] is getoond. Daarvan zal [verdachte] dan ook worden vrijgesproken. Ditzelfde geldt voor het delen via Snapchat van het filmpje dat van de openlijke geweldpleging is gemaakt. Weliswaar is het delen van dergelijke filmpjes via social media uiterst kwalijk, maar de rechtbank kan in dit geval op basis van het dossier niet vaststellen dat het bewuste filmpje op of omstreeks 12 juni 2024 op het station Arnhem -Zuid, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, is gedeeld/verspreid. Feit 2 [slachtoffer] heeft verklaard dat ook [medeverdachte] , [verdachte] en [medeverdachte] riepen dat ze voor vrijdag tien gram 3-mmc wilden hebben en als hij zich niet aan die afspraak hield dat ze dan al zijn geld wilden hebben. Als hij zich aan geen enkele voorwaarde zou houden zou hij worden doodgestoken. [medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] riep: "Voor vrijdag willen we tien gram 3-mmc van je hebben." [medeverdachte] heeft verklaard dat hij hoorde dat [medeverdachte] en [verdachte] riepen: "Voor vrijdag willen we tien gram 3-mmc van je hebben.” [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat ‘ [bijnaam] ’ zijn naam is op Whatsapp. Op basis van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten en de verklaringen van [slachtoffer] , [medeverdachte] , [medeverdachte] en [verdachte] is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde poging tot afpersing in vereniging van [slachtoffer] . Evenals ten aanzien van feit 1 acht de rechtbank niet bewezen dat (het handvat van) een mes aan [slachtoffer] is getoond. Daarvan zal [verdachte] dan ook worden vrijgesproken. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat: 1. hij op of omstreeks 12 juni 2024 te Arnhem , althans in Nederland, openlijk, te weten op station Arnhem -Zuid, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door dreigend op die [slachtoffer] af te lopen en/of die [slachtoffer] voornoemd te sommeren dat hij mee moest lopen naar een rustige plek waarbij een slaande beweging werd gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] in te sluiten en/of hem vervolgens te sommeren zich uit te kleden tot op zijn onderbroek en/of door hem op te dragen te knielen en zijn excuses te maken door tegen hem te schreeuwen "zeg sorry dames" en/of "zeg sorry baasje" en/of door hem met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en/of te stompen/slaan en/of door te dreigen dat hij zou worden neergestoken als hij niet zou doen wat hem werd opgedragen en/of door dreigend (het handvat van) een mes te tonen en/of door deze openlijke geweldpleging te filmen en/of door dit filmpje via social media te delen; 2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 t/m 16 juni 2024 te Arnhem , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] , te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en/of van drugs, die [slachtoffer] voornoemd, heeft/hebben meegenomen naar een rustige plek waarbij een slaande beweging werd gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] in te sluiten en/of hem vervolgens te sommeren zich uit te kleden tot op zijn onderbroek en/of door hem op te dragen te knielen en zijn excuses te maken door tegen hem te schreeuwen "zeg sorry dames" en/of "zeg sorry baasje" en/of door hem met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en/of te stompen/slaan en/of door hem op dreigende toon de woorden toe te voegen "Voor vrijdag willen we tien gram 3-mmc van je hebben en anders geld” en/of “anders maken we je dood” en/of “anders steken we je dood”, waarbij dreigend (het handvat van) een mes werd getoond en/of door hem een bericht via whatsapp en/of sms en/of snapchat te sturen met de tekst "Eyy krijg je nou donderdag of vrijdag doekoe" en "Oh ja en vanaf morgen verhoging met die 3M is per dag 1g er bij", althans woorden van dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, feit 2: Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd met de toevoeging ‘zolang de jeugdreclassering dat nodig acht’ en uitgebreid met een contactverbod met [slachtoffer] . Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit om een taakstraf op te leggen in de orde van grootte van veertig uur of iets hoger, waarvan een deel voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad zijn geadviseerd, behoudens het toezicht en de begeleiding door de William Schrikker Stichting, nu [verdachte] daar slechte ervaringen mee heeft. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. [verdachte] heeft zich in de eerste plaats schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij heeft samen met [medeverdachte] , [medeverdachte] , [medeverdachte] en [medeverdachte] het slachtoffer [slachtoffer] bij station Arnhem -Zuid ingesloten en opgedragen om mee te lopen, waarna [slachtoffer] op een afgelegen plek is gedwongen zich tot op zijn onderbroek uit te kleden, te knielen en excuses aan te bieden. Daarbij werd hem meegedeeld dat hij zou worden neergestoken als hij dat niet zou doen. Ook werd [slachtoffer] toegeschreeuwd en uitgescholden en werd hij toen hij bijna naakt op zijn knieën zat in het gezicht getrapt en geslagen. Het incident is bovendien gefilmd en de beelden zijn daarna via snapchat gedeeld met anderen. Het aandeel van [verdachte] bestond hieruit dat hij met de anderen mee is gelopen achter aangever aan, het incident heeft gefilmd en dat hij een schoen van [slachtoffer] heeft weggegooid. Door zo te handelen hebben [verdachte] en zijn medeverdachten een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] gemaakt. Niet alleen hebben zij [slachtoffer] pijn en letsel bezorgd, ook leert de ervaring dat slachtoffers van een dergelijk feit nog lang de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Dat is in deze zaak ook het geval, zo blijkt uit de ter terechtzitting namens [slachtoffer] voorgelezen slachtofferverklaring: het handelen van [verdachte] en de anderen heeft een grote impact op [slachtoffer] gehad. Door een dergelijk in het openbaar gepleegd feit worden bovendien algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt. De van het incident gemaakte en vervolgens gedeelde beelden (kunnen) worden bekeken onder andere door mensen uit de omgeving van [slachtoffer] en zullen (mogelijk) lange tijd nog online te vinden zijn, waardoor [slachtoffer] er ongewild steeds weer mee wordt geconfronteerd. De rechtbank rekent dit alles [verdachte] aan. Verder heeft [verdachte] zich samen met [medeverdachte] en [medeverdachte] schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van [slachtoffer] . Direct na genoemde openlijke geweldpleging hebben zij [slachtoffer] op dreigende toon toegevoegd dat zij voor vrijdag tien gram 3-mmc wilden hebben en als hij dat niet zou doen hij zou worden (dood)gestoken. Later ontving [slachtoffer] ook nog een Whatsapp-bericht vanaf het account van [verdachte] waarin opnieuw werd gevraagd om drugs. Ook dit incident heeft gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van [verdachte] van 22 januari 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. De rechtbank heeft verder gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 januari 2025. Daaruit blijkt dat er zorgen zijn op alle domeinen (gezin, werk, houding, agressie en vaardigheden). Deze zorgen bestaan al het hele leven van [verdachte] . Een stabiele factor in het leven is mevrouw [naam] waar [verdachte] logeerde in de weekenden en in de vakanties. Ook is zij een tijd de manager geweest van de woongroep waar [verdachte] woont. Zij geeft aan dat [verdachte] veel baat heeft bij structuur, begeleiding, nabijheid en waardering. De baan van [verdachte] biedt hem structuur. Hij vindt het leuk om te werken, het geeft hem energie en het zorgt ervoor dat hij zich niet verveelt, waardoor hij op het juiste pad blijft. De Raad ziet in het onderzoek [verdachte] ’s onvermogen om adequaat om te gaan met situaties waarin zijn rechtvaardigheidsgevoel aangesproken wordt. Zij maakt zich ernstige zorgen over [verdachte] . Hij komt veelvuldig in contact met justitie en het lukt hem keer op keer niet op het rechte pad te blijven. Ook lukt het hem vaak niet om afspraken na te komen of te luisteren naar de begeleiding van zijn woonplek. Het behouden van werk is een van de weinige dingen die goed gaan in [verdachte] ’s leven. De vriendin van [verdachte] helpt hem, ze belt hem wakker wanneer hij moet werken en ook geeft ze aan niet tegen hem te praten wanneer hij verkeerde dingen doet of met de verkeerde mensen omgaat. De Raad ziet echter wel een risico op het moment dat deze relatie onverhoopt eindigt. Gedurende zijn hele leven heeft [verdachte] te maken met tegenslag en met zijn eigen psychische problemen. Het lukt hem niet om op basis van vooruitdenken de goede keuzes te maken, maar hij maakt keuzes op impuls. Of hem dit met zijn zware ADHD en FAS aan te rekenen is, valt te bezien. De Raad denkt dat het voor [verdachte] van belang is om hiervoor mee te werken aan een NIFP-onderzoek naar zijn persoonlijkheid en daarmee naar wat hij verder nodig heeft. De Raad adviseert [verdachte] een taakstraf op te leggen in de vorm van een werkstraf, alsmede een voorwaardelijke jeugddetentie onder de bijzondere voorwaarden dat: - [verdachte] gedurende ‘de duur van de jeugdreclassering’ een zinvolle dagbesteding heeft; - [verdachte] meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek van het NIFP of een soortgelijke Instelling, waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden. [verdachte] is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. De rechtbank heeft ten slotte gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor jeugdigen en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. De rechtbank zal [verdachte] daarom veroordelen tot een werkstraf van 120 uren waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad zijn geadviseerd, alsmede de door de officier van justitie verzochte toevoeging ‘zolang de jeugdreclassering dat nodig acht’ en een contactverbod met [slachtoffer] . De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van het toezicht en de begeleiding door de William Schrikker Stichting, zoals door de raadsman verzocht. Indien [verdachte] de werkstraf niet naar behoren uitvoert, staan daar 60 dagen jeugddetentie tegenover, waarvan 30 dagen ziet op het onvoorwaardelijke deel van 60 uur. 8De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard dan wel dat de vordering moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging aangegeven dat deze zaak zich niet leent voor toepassing van de hoofdelijkheidsclausule en dat het gevorderde bedrag moet worden verdeeld naar evenredigheid van ieders aandeel in het incident (pondspondsgewijze verdeling). Voor [verdachte] zou het dan kunnen gaan om een bedrag van maximaal € 500,00 gelet op zijn kleinere aandeel. Overwegingen van de rechtbank De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat: verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen, de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in de persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Op basis van de eerder genoemde bewijsmiddelen en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die valt binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW. Door de feiten heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van pijn en een zwelling/kneuzing aan het aangezicht opgelopen. Daarnaast is de benadeelde naar het oordeel van de rechtbank op andere wijze in de persoon aangetast. Hoewel op basis van de ingediende schadevergoedingsvordering niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld dat er bij de benadeelde sprake is van geestelijk letsel, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending – zeker in de omstandigheden zoals hierboven omschreven – meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Dit is ook aan [verdachte] toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld vaststellen op een bedrag van € 1.500,00. De vordering zal voor het overige worden afgewezen. [verdachte] is vanaf 12 juni 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op te leggen. [verdachte] wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Vanwege de jeugdige leeftijd van [verdachte] zal geen gijzeling worden bepaald. De rechtbank overweegt dat [verdachte] en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken, nu er sprake is van groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW, dit zowel voor wat betreft het toegewezen bedrag als de schadevergoedingsmaatregel. [verdachte] hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed. Voor een pondspondsgewijze verdeling bestaat geen aanleiding. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van honderdtwintig
(120)uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van zestig
(60)dagen; bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf, te weten zestig
(60)uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: - geen contact legt of zal laten leggen met aangever [slachtoffer] (hetzij fysiek hetzij via digitale sociale media); - gedurende de duur van de jeugdreclassering een zinvolle dagbesteding heeft, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht; - meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek van het NIFP of een soortgelijke Instelling; waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Verdachte is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; veroordeelt verdachte in verband met de feiten tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; wijst de vordering tot smartengeld van benadeelde partij [slachtoffer] voor het meerdere af; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat te betalen, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag van € 1.500,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de hiervoor omschreven wettelijke rente tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betalingsverplichting aan de Staat vervalt en omgekeerd; bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter, tevens kinderrechter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. J.L. Wesstra, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2025. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024317535, gesloten op 7 augustus 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 24-25. Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] , p. 35. Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] , p. 175-177. Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] , p. 197-200. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 217-219. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 239-240 en 242. Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [verdachte] , p. 145-147. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 23. Patiëntenkaart huisarts met betrekking tot [slachtoffer] , p. 43. Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2025. Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] , p. 35. Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [verdachte] , p. 148. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 219. Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2025.