RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05.252600-24 en 05.217532-24 (t.t.g.) Datum uitspraak : 13 februari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , wonende aan de [locatie] , [postcode] in [woonplaats] . Raadsman: mr. M. van Leeuwen, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: parketnummer 05.252600-24 1. hij op of omstreeks 12 juni 2024 te Arnhem, althans in Nederland, openlijk, te weten op station Arnhem-Zuid, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door dreigend op die [slachtoffer] af te lopen en/of die [slachtoffer] voornoemd te sommeren dat hij mee moest lopen naar een rustige plek waarbij een slaande beweging werd gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] in te sluiten en/of hem vervolgens te sommeren zich uit te kleden tot op zijn onderbroek en/of door hem op te dragen te knielen en zijn excuses te maken door tegen hem te schreeuwen "zeg sorry dames" en/of "zeg sorry baasje" en/of door hem met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en/of te stompen/slaan en/of door te dreigen dat hij zou worden neergestoken als hij niet zou doen wat hem werd opgedragen en/of door dreigend (het handvat van) een mes te tonen en/of door deze openlijke geweldpleging te filmen en/of door dit filmpje via social media te delen; 2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 t/m 16 juni 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] , te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en/of van drugs, die [slachtoffer] voornoemd, heeft/hebben meegenomen naar een rustige plek waarbij een slaande beweging werd gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] in te sluiten en/of hem vervolgens te sommeren zich uit te kleden tot op zijn onderbroek en/of door hem op te dragen te knielen en zijn excuses te maken door tegen hem te schreeuwen "zeg sorry dames" en/of "zeg sorry baasje" en/of door hem met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en/of te stompen/slaan en/of door hem op dreigende toon de woorden toe te voegen "Voor vrijdag willen we tien gram 3-mmc van je hebben en anders geld” en/of “anders maken we je dood” en/of “anders steken we je dood”, waarbij dreigend (het handvat van) een mes werd getoond en/of door hem een bericht via whatsapp en/of sms en/of snapchat te sturen met de tekst "Eyy krijg je nou donderdag of vrijdag doekoe" en "Oh ja en vanaf morgen verhoging met die 3M is per dag 1g er bij", althans woorden van dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; parketnummer 05.217532-24 hij op of omstreeks 4 juli 2024 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen scooter onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking. 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs parketnummer 05.252600-24 De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 12 juni 2024 bevond verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) zich met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en [medeverdachte] (hierna [medeverdachte] ) op het station Arnhem-Zuid in Arnhem. Omstreeks 12:45 uur troffen zij daar aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) die uit de trein stapte. [medeverdachte] schreeuwde [slachtoffer] naam, rende samen met de anderen naar hem toe en probeerde hem te slaan. Alle vijf zeiden ze dat [slachtoffer] mee moest lopen. Beneden bij de fietsenstalling in de buurt van een zendmast werd [slachtoffer] opgedragen zijn kleding uit te trekken, op zijn onderbroek na. Als hij dat niet zou doen, zo werd hem gezegd door personen uit de groep, zou hij worden neergestoken. Er werd geschreeuwd en gescholden. [slachtoffer] moest op zijn knieën gaan zitten en zijn excuses aanbieden. Hem werd verteld dat hij "sorry dames", "sorry baasje" en/of "sorry [medeverdachte] en [medeverdachte] " moest zeggen. Toen [slachtoffer] op zijn knieën zat, gaf [medeverdachte] hem een trap en een vuistslag tegen zijn gezicht. Zijn schoenen werden weggegooid. [medeverdachte] en [verdachte] filmden het hele gebeuren. Nadat [slachtoffer] zich had aangekleed en iedereen weer richting de fietsenstalling liep, hoorde hij dat personen uit de groep van vijf zeiden dat ze voor vrijdag tien gram 3-mmc wilden hebben en als hij zich niet aan die afspraak hield dat ze dan al zijn geld wilden hebben. Als hij zich aan geen enkele voorwaarde zou houden zou hij worden doodgestoken. Later die dag zag [slachtoffer] nog een Whatsapp-bericht vanaf het Whatsapp-account van [medeverdachte] , die in zijn contactenlijst ' [bijnaam] ' heet omdat dit zijn bijnaam is, waarin stond: “Eyy krijg je nou donderdag of vrijdag doekoe" en "Oh ja en vanaf morgen verhoging met die 3M is per dag 1g erbij". Het filmpje dat van het gebeuren is gemaakt is gedeeld op Snapchat. [slachtoffer] had als gevolg van de trap en de vuistslag tegen zijn gezicht rode wangen en een verdikte neus. Hij had een zwelling en pijn aan het aangezicht. Op sommige momenten had hij pijn bij het eten. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 niet kan worden bewezen dat (het handvat van) een mes aan [slachtoffer] is getoond. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken, nu zijn rol met betrekking tot het toepassen van geweld niet als significant kan worden bestempeld. Ten aanzien van feit 2 heeft [verdachte] verklaard dat hij niemand heeft bedreigd met doodsteken en dat [medeverdachte] het tegen [slachtoffer] had over drugs. De raadsman heeft daarom bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken, nu in het dossier niets erop wijst dat hij te maken heeft gehad met diefstal of afpersing van [slachtoffer] . Voorts heeft de raadsman vraagtekens gezet bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] . Er moet rekening mee worden gehouden dat [slachtoffer] onder invloed van drugs en wegens het zijn van paranoïde of het hebben van een psychose niet altijd even consistent en/of juist heeft verklaard en dat dus bepaalde zaken zich niet dan wel slechts in mindere mate hebben voorgedaan. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 Ter rechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij verhaal is gaan halen omdat [medeverdachte] vertelde dat zij was aangerand door [slachtoffer] . Hij had toen een relatie met [medeverdachte] . Toen er werd gezegd dat [slachtoffer] mee moest lopen naar de fietsenstalling is hij begonnen met filmen. Hij heeft zelf ook gezegd dat [slachtoffer] moest meelopen. Verder zei [verdachte] tegen [slachtoffer] dat hij sorry moest zeggen, dat hij zijn kleren uit moest doen en dat hij op zijn knieën moest gaan zitten. Hij heeft ook wat dingen geschreeuwd. [verdachte] filmde [slachtoffer] omdat hij hem wilde vernederen. Daarom moest hij zijn kleren ook uitdoen. [verdachte] is de hele tijd blijven filmen. Op basis van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten en de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat sprake is van het op de openbare weg, in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer] en dus van openlijke geweldpleging. [verdachte] heeft [slachtoffer] – net als de anderen – opgedragen zijn kleren uit te doen, op zijn knieën te gaan zitten en sorry te zeggen. Bovendien heeft hij het hele gebeuren gefilmd. Ook toen [slachtoffer] door [medeverdachte] tegen zijn gezicht werd getrapt en geslagen is [verdachte] blijven filmen en heeft hij zich niet gedistantieerd. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om een aaneenschakeling van handelingen, waaronder ook geweldshandelingen, waarbij [verdachte] op een dusdanige wijze betrokken is geweest dat kan worden aangenomen dat hij een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit. Evenals de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat (het handvat van) een mes aan [slachtoffer] is getoond. Daarvan zal [verdachte] dan ook worden vrijgesproken. Ditzelfde geldt voor het delen via Snapchat van het filmpje dat van de openlijke geweldpleging is gemaakt. Weliswaar is het delen van dergelijke filmpjes via social media uiterst kwalijk, maar de rechtbank kan in dit geval op basis van het dossier niet vaststellen dat het bewuste filmpje op of omstreeks 12 juni 2024 op het station Arnhem-Zuid, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, is gedeeld/verspreid zoals ten laste is gelegd. Feit 2 [slachtoffer] heeft verklaard dat ook [medeverdachte] , [medeverdachte] en [verdachte] riepen dat ze voor vrijdag tien gram 3-mmc wilden hebben en als hij zich niet aan die afspraak hield dat ze dan al zijn geld wilden hebben. Als hij zich aan geen enkele voorwaarde zou houden zou hij worden doodgestoken. [medeverdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte] en [verdachte] riepen: "Voor vrijdag willen we tien gram 3-mmc van je hebben." Dat ging mondeling en via snap. Op basis van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten en de verklaring van [medeverdachte] is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde poging tot afpersing in vereniging van [slachtoffer] . Evenals ten aanzien van feit 1 acht de rechtbank niet bewezen dat (het handvat van) een mes aan [slachtoffer] is getoond. Daarvan zal [verdachte] dan ook worden vrijgesproken. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de raadsman dat vraagtekens gezet kunnen worden bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft in de aangifte – die is gedaan op de dag dat het incident plaatsvond – al verklaard dat hij iemand hoorde zeggen dat ze voor vrijdag tien gram 3-mmc wilden hebben, dat als hij zich niet aan die afspraak zou houden ze al zijn geld wilden hebben en dat als hij zich aan geen enkele voorwaarde zou houden hij zou worden doodgestoken én dat hij daarbij [medeverdachte] , [medeverdachte] en [verdachte] het woord 'doodsteken' hoorde zeggen. Bovendien heeft getuige [getuige] , werkzaam in het [opvang] waar [slachtoffer] verbleef, verklaard dat [slachtoffer] bij terugkomst in het [opvang] onder meer heeft verteld dat hij een ultimatum had gekregen en dat hij voor vrijdag geld of drugs moest aanleveren, anders werd hij alsnog neergestoken. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] , nog los van het feit dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor de stelling dat [slachtoffer] tijdens het incident dusdanig onder invloed was van drugs, dan wel paranoïde was of een psychose had, en dat hij daarom onjuist heeft verklaard. parketnummer 05.217532-24 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 7-8; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2025. Met de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat [verdachte] de scooter tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft weggenomen. Daarvan zal de rechtbank hem dan ook vrijspreken. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de navolgende ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat: parketnummer 05.252600-24 1. hij op of omstreeks 12 juni 2024 te Arnhem, althans in Nederland, openlijk, te weten op station Arnhem-Zuid, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door dreigend op die [slachtoffer] af te lopen en/of die [slachtoffer] voornoemd te sommeren dat hij mee moest lopen naar een rustige plek waarbij een slaande beweging werd gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] in te sluiten en/of hem vervolgens te sommeren zich uit te kleden tot op zijn onderbroek en/of door hem op te dragen te knielen en zijn excuses te maken door tegen hem te schreeuwen "zeg sorry dames" en/of "zeg sorry baasje" en/of door hem met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en/of te stompen/slaan en/of door te dreigen dat hij zou worden neergestoken als hij niet zou doen wat hem werd opgedragen en/of door dreigend (het handvat van) een mes te tonen en/of door deze openlijke geweldpleging te filmen en/of door dit filmpje via social media te delen; 2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 t/m 16 juni 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] , te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en/of van drugs, die [slachtoffer] voornoemd, heeft/hebben meegenomen naar een rustige plek waarbij een slaande beweging werd gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] in te sluiten en/of hem vervolgens te sommeren zich uit te kleden tot op zijn onderbroek en/of door hem op te dragen te knielen en zijn excuses te maken door tegen hem te schreeuwen "zeg sorry dames" en/of "zeg sorry baasje" en/of door hem met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en/of te stompen/slaan en/of door hem op dreigende toon de woorden toe te voegen "Voor vrijdag willen we tien gram 3-mmc van je hebben en anders geld” en/of “anders maken we je dood” en/of “anders steken we je dood”, waarbij dreigend (het handvat van) een mes werd getoond en/of door hem een bericht via whatsapp en/of sms en/of snapchat te sturen met de tekst "Eyy krijg je nou donderdag of vrijdag doekoe" en "Oh ja en vanaf morgen verhoging met die 3M is per dag 1g er bij", althans woorden van dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; parketnummer 05.217532-24 hij op of omstreeks 4 juli 2024 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen scooter onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking. Voor zover er in de tenlasteleggingen kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van parketnummer 05.252600-24 feit 1: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, feit 2: Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, Ten aanzien van parketnummer 05.217532-24 Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Tot slot vordert de officier van justitie een werkstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast. In het geval het tot een veroordeling komt, dient aan [verdachte] een taakstraf te worden opgelegd, dan wel een straf die gelijk is aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk deel en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. [verdachte] heeft zich in de eerste plaats schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij heeft samen met [medeverdachte] , [medeverdachte] , [medeverdachte] en [medeverdachte] het slachtoffer [slachtoffer] bij station Arnhem-Zuid ingesloten en opgedragen om mee te lopen, waarna [slachtoffer] op een afgelegen plek is gedwongen zich tot op zijn onderbroek uit te kleden, te knielen en excuses aan te bieden. Daarbij werd hem meegedeeld dat hij zou worden neergestoken als hij dat niet zou doen. Ook werd [slachtoffer] toegeschreeuwd en uitgescholden en werd hij toen hij bijna naakt op zijn knieën zat in het gezicht getrapt en geslagen. Het incident is bovendien gefilmd en de beelden zijn daarna via snapchat gedeeld met anderen. Het aandeel van [verdachte] bestond hieruit dat hij [slachtoffer] heeft opgedragen mee te lopen, sorry te zeggen, zijn kleren uit te trekken en op zijn knieën te gaan zitten. Ook heeft [verdachte] het incident gefilmd. Door zo te handelen hebben [verdachte] en zijn medeverdachten een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] gemaakt. Niet alleen hebben zij [slachtoffer] pijn en letsel bezorgd, ook leert de ervaring dat slachtoffers van een dergelijk feit nog lang de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Dat is in deze zaak ook het geval, zo blijkt uit de ter terechtzitting namens [slachtoffer] voorgelezen slachtofferverklaring: Het handelen van [verdachte] en de anderen heeft een grote impact op [slachtoffer] gehad. Door een dergelijk in het openbaar gepleegd feit worden bovendien algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt. De van het incident gemaakte en vervolgens gedeelde beelden (kunnen) worden bekeken onder andere door mensen uit de omgeving van [slachtoffer] en zullen (mogelijk) lange tijd nog online te vinden zijn, waardoor [slachtoffer] er ongewild steeds weer mee wordt geconfronteerd. De rechtbank rekent dit alles [verdachte] aan. Verder heeft [verdachte] zich samen met [medeverdachte] en [medeverdachte] schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van [slachtoffer] . Direct na genoemde openlijke geweldpleging hebben zij [slachtoffer] op dreigende toon toegevoegd dat zij voor vrijdag tien gram 3-mmc wilden hebben en als hij dat niet zou doen hij zou worden (dood)gestoken. Later ontving [slachtoffer] ook nog een Whatsapp-bericht vanaf het account van [medeverdachte] waarin opnieuw werd gevraagd om drugs. Ook dit incident heeft gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Tot slot heeft [verdachte] een scooter gestolen. Daarmee heeft hij geen respect getoond voor andersmans eigendom en overlast veroorzaakt. De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van [verdachte] van 23 december 2024. Daaruit blijkt dat hij op 20 juni 2023 door de rechtbank Gelderland is veroordeeld tot 43 dagen jeugddetentie en een voorwaardelijke werkstraf van 200 uren ter zake van verschillende diefstallen, bedreigingen en een belediging. Ook is hij op 4 juni 2024, een week voordat hij betrokken was bij de feiten van parketnummer 05.252600-24, door de rechtbank in eerste aanleg in West-Vlaanderen in België veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf waarvan één jaar en drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren ter zake van -kort gezegd- fraude. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering van 24 januari 2025. Hieruit volgt dat [verdachte] sinds zijn schorsing van de voorlopige hechtenis op 19 september 2024 onder toezicht staat bij de volwassenreclassering. Kairos, de verblijfszorg vanuit het Leger des Heils en de reclassering zien vanaf dat moment een moeizaam traject. Het leger des Heils vindt het wenselijk dat de diagnostiek wordt afgerond om zo een gerichte behandeling te kunnen starten. Recidive wordt ingeschat als gemiddeld-hoog wegens de onstabiliteit op verschillende leefgebieden. Een negatief sociaal netwerk en een gebrekkige gewetensontwikkeling zijn recidiveverhogende factoren. Het Leger des Heils adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen, nu er onvoldoende pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden naar voren komen voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Zij adviseert verder een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: - Meldplicht bij de reclassering; - Ambulante behandeling; - Beschermd/begeleid wonen of maatschappelijke opvang; - Contactverbod; - Dagbesteding. Anders dan de raadsman heeft bepleit, ziet de rechtbank, mede gelet op het advies van het Leger des Heils, het standpunt van de officier van justitie en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. De rechtbank heeft ten slotte gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. De rechtbank zal [verdachte] daarom veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op deze gevangenisstraf. Aan het voorwaardelijk deel worden de door het Leger des Heils geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld. Daarnaast zal de rechtbank een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 180 uren opleggen, te vervangen door 90 dagen hechtenis. De rechtbank vindt het van groot belang dat [verdachte] zijn (beginnende) positieve ontwikkeling verder doorzet, dat hij blijft samenwerken met de reeds bestaande hulpverlening en dat hij niet opnieuw de fout in gaat. Gelet hierop en op het feit dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank bevelen dat de opgelegde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. 8De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat deze gelet op de geweldshandelingen thuishoort bij [medeverdachte] en gelet op de afpersing thuishoort bij [medeverdachte] , terwijl bovendien niet duidelijk is welke door een deskundige vastgestelde gevolgen het voorval voor [slachtoffer] heeft gehad. Overweging van de rechtbank De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat: verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen, de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in de persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Op basis van de eerder genoemde bewijsmiddelen en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten onder parketnummer 05.252600-24 schade heeft geleden die valt binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW. Door de feiten heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van pijn en een zwelling/kneuzing aan het aangezicht opgelopen. Daarnaast is de benadeelde naar het oordeel van de rechtbank op andere wijze in de persoon aangetast. Hoewel op basis van de ingediende schadevergoedingsvordering niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld dat er bij de benadeelde sprake is van geestelijk letsel, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending – zeker in de omstandigheden zoals hierboven omschreven – meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Dit is ook aan [verdachte] toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld vaststellen op een bedrag van € 1.500,00. De vordering zal voor het overige worden afgewezen. [verdachte] is vanaf 12 juni 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op te leggen. [verdachte] wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. De rechtbank overweegt dat [verdachte] en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken, nu er sprake is van groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW, dit zowel voor wat betreft het toegewezen bedrag als de schadevergoedingsmaatregel. [verdachte] hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 141, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van negentig
(90)dagen; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten zesenvijftig
(56)dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden: - Verdachte meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering van het Leger des Heils op het adres: [adres] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; - Verdachte laat zich behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; - Verdachte verblijft bij het Leger des Heils locatie [locatie] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld; - Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ) zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt; - Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk of onbetaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag; geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan; beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; legt op een taakstraf van honderdtachtig
(180)uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van negentig
(90)dagen; heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis; veroordeelt verdachte in verband met de feiten onder parketnummer 05.252600-24 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; wijst de vordering tot smartengeld van benadeelde partij [slachtoffer] voor het meerdere af; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat te betalen, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag van € 1.500,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de hiervoor omschreven wettelijke rente tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 25 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de verplichting tot betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Wesstra (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. M. Rietveld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024317535, gesloten op 7 augustus 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 24-
- Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] , p.
- Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] , p. 175-
- Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] , p. 197-
- Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 217-
- Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 239-240 en
- Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [verdachte] , p. 145-
- Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p.
- Patiëntenkaart huisarts met betrekking tot [slachtoffer] , p.
- Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari
- Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] , p.
- Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p.
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p.
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024309568, gesloten op 8 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.