Rechtbank Gelderland – ECLI:NL:RBGEL:2025:1314
RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/528 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. J.W. Verhoeven), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk (het college) (gemachtigde: A. Boekhorst).
Procesverloop 1. Eisers hebben het college op 18 juli 2024 verzocht om handhavend op te treden tegen een veehouderij op het naastgelegen perceel.
Beoordeling door de rechtbank Wettelijk kader 6. Artikel 7:1a van de Awb luidt als volgt: “1 In het bezwaarschrift kan de indiener het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1. (…) 3 Het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is.
Artikel 8:54a van de Awb luidt als volgt:
2 In dat geval strekt de uitspraak ertoe dat het bestuursorgaan het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt. Artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing.”
Oordeel rechtbank 7. De rechtbank is van oordeel dat het college kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep en verwijst de zaak daarom terug naar het college.
Motivering oordeel 8. Het doel van artikel 7:1a van de Awb is om bestuursrechtelijke geschilbeslechting waar mogelijk te vereenvoudigen en te verkorten. Het bieden van de mogelijkheid van het overslaan van de bezwaarschriftprocedure is, zo blijkt uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel, vooral bedoeld voor gevallen waarin in de primaire fase reeds een zodanig uitputtende gedachtewisseling tussen bestuur en belanghebbende heeft plaatsgevonden, dat de bezwaarschriftprocedure daaraan weinig of niets meer kan toevoegen, terwijl vaststaat dat het besluit nog altijd in geschil is (Kamerstukken II, 2000-2001, 27563, nr. 3, blz. 3).
Naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de Minister van Justitie bij brief van 7 mei 2004 (Kamerstukken I, 2003-2004, 27563, F, blz. 1) benadrukt dat in de visie van de regering rechtstreeks beroep uitzondering moet blijven en dat de bezwaarschriftprocedure slechts in heel bijzondere gevallen, waarin deze als een zinloze vertraging van de geschilbeslechting moet worden beschouwd, achterwege behoort te kunnen blijven. De Minister voegde daaraan toe dat het voor de hand ligt dat de belanghebbende die in zijn bezwaarschrift verzoekt de bezwaarschriftprocedure over te slaan, aangeeft waarom het gaat om een uitzonderlijk geval. In ieder geval zal het bestuursorgaan, wil het met het verzoek instemmen, ook zijnerzijds moeten vaststellen dat een dergelijk geval aanwezig is.
Wij hebben het ‘herhaalde’ handhavingsverzoek van 18 juli 2024 in behandeling genomen, omdat per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking is getreden. Er zijn nu andere regels van toepassing op het perceel. Daarom moeten wij opnieuw een beslissing nemen op het handhavingsverzoek. Inhoudelijk zijn de regels die van toepassing zijn op het perceel [locatie] echter niet veranderd. Om die reden hebben wij het handhavingsverzoek - onder verwijzing naar de nieuwe wetgeving - afgewezen.
Ons inziens bestaat er geen onduidelijkheid over de feitelijke situatie op het perceel. Niet in geschil staat dat de agrarische ondernemers van het perceel (melk)koeien en paarden houden voor het melken en fokken. Ook staat niet in geschil dat de afstand tussen de dierverblijven voor het houden van landbouwhuisdieren tot de woning van het buurperceel niet kleiner is dan 50 meter. Dit was in 2022 al door de Omgevingsdienst geconstateerd. Door de toezichthouder is in september 2024 nogmaals geconstateerd dat deze situatie onveranderd is. Er heeft dus al voldoende onderzoek naar de feiten plaatsgevonden.
In dit geval is er behoefte aan een rechterlijke beslissing over een rechtsvraag die nodig is om het geschil te beëindigen. Het gaat hierbij over de interpretatie en toepassing van het recht op de casus. In het bijzonder de toepasselijkheid van de Hinderwetvergunning en de toepasbaarheid van het overgangsrecht mede gezien de inwerkingtreding van de Omgevingswet.”
Het college heeft vervolgens op 28 januari 2025 het bezwaarschrift doorgestuurd naar de rechtbank.
De omstandigheid dat eerder handhavingsprocedures hebben gespeeld zodat de feitelijke situatie duidelijk is maakt niet dat de zaak zich per definitie leent voor het overslaan van de bezwaarfase. Naast de feitelijke situatie moet immers ook het juridische geschil tussen partijen duidelijk zijn. Deze zaak zal (waarschijnlijk) gaan over de uitleg van bepalingen in de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Omgevingsplan van de gemeente Nijkerk, nu blijkens de toelichting van het college het handhavingsverzoek alleen op dit punt verschilt van eerdere handhavingsverzoeken. Deze gronden zijn in de eerdere uitspraken van de rechtbank niet aan bod gekomen, omdat de Omgevingswet toen nog niet in werking was getreden. Juist bij de uitleg van nieuwe wetsbepalingen lijkt het de rechtbank doelmatig om de bezwaarprocedure te doorlopen, zodat ook de bezwaarschriftencommissie zich over het geschil kan buigen. In de bezwaarfase kan bovendien verkend worden of partijen er onderling uit kunnen komen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om eisers in de gelegenheid te stellen hun beroepsgronden te onderbouwen en om het college daarna in de gelegenheid te stellen om nader te motiveren waarom de bezwaarfase overgeslagen kan worden. Deze motivering moet voordat de zaak wordt doorverwezen worden gegeven, mede uit het oogpunt om te lichtvaardig gebruik van rechtstreeks beroep tegen te gaan.
De rechtbank zal het beroepschrift ter verdere behandeling als bezwaarschrift terugzenden aan het college.
Beslissing De rechtbank bepaalt dat het college het beroepschrift van 7 november 2024 als bezwaarschrift behandelt; draagt het college op het griffierecht van € 194 aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 22 december 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BK7280).
Uitspraken van 2 augustus 2023 in zaaknummers 23/1186 en 23/1187 (ECLI:NL:RBGEL:2023:4460)