RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05.321085.23 + 05.322112.23 (gev. ttz.) Datum uitspraak : 12 februari 2025 Tegenspraak (279 Sv) vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats], wonende aan de [adres 1], [postcode] in [woonplaats]. Raadsvrouw: mr. C.H.J. van Dooijeweert, advocaat in Barneveld. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 05.321085.23 hij op of omstreeks 19 februari 2023 te Arnhem openlijk, te weten, bij/op/aan de [adres 2] en/of het Wederikpad, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] door die [slachtoffer] - een of meermalen op/tegen zijn gezicht, althans zijn hoofd, te slaan en/of te stompen, - een of meermalen op/tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam te slaan en/of te stompen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, - een of meermalen op/tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam te schoppen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, en/of - tegen/op zijn hoofd, althans zijn lichaam, (met kracht) een knietje te geven; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 19 februari 2023 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door door die [slachtoffer] - een of meermalen op/tegen zijn gezicht, althans zijn hoofd, te slaan en/of te stompen, - een of meermalen op/tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam te slaan en/of te stompen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, - een of meermalen op/tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam te schoppen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, en/of - tegen/op zijn hoofd, althans zijn lichaam, (met kracht) een knietje te geven. 05.322112.23 hij op of omstreeks 23 juli 2023 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5,32 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 10,63 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van parketnummer 05.321085.23: openlijk geweld/mishandeling De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 19 februari 2023 in Arnhem aan de [adres 2] heeft verdachte [slachtoffer] een vuistslag tegen zijn gezicht gegeven. Verdachte heeft hem ook met kracht een knietje tegen zijn gezicht en een trap gegeven. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde plegen van openlijk geweld tegen aangever. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld (primair). Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte samen met anderen geweld heeft gepleegd jegens aangever. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde stelt de raadsvrouw dat verdachte moet worden vrijgesproken van het schoppen tegen het hoofd van aangever. Voor het overige refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Aansluitend op het vaststaande gegeven dat verdachte in elk geval zelf geweld heeft gebruikt tegen aangever, ziet de rechtbank zich verder voor de vraag gesteld of verdachte dit alleen heeft gedaan of dat er ook anderen bij betrokken waren. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Aangever heeft verklaard dat hij op eerdergenoemde datum naar snackbar [snackbar] de [adres 2] in Arnhem is gegaan. Verdachte sprak hem daar aan en zei dat zijn vader hem wilde spreken. Verdachte zei “als je niet meewerkt dan gaat er iets gebeuren bij je huis”. Aangever liep daarop mee met verdachte. Bij de vader van verdachte aangekomen kreeg hij direct een vuistslag van de vader van verdachte in zijn gezicht. Aangever viel op de grond door de klap. Hij werd geraakt op zijn linker jukbeen. Toen aangever op de grond lag werd hij door verdachte geslagen en geschopt. Ook het jongere broertje van verdachte heeft aangever geslagen en geschopt toen hij op de grond lag. Aangever kwam overeind, maar de vader van verdachte schopte hem nog een keer. Aangever viel weer op de grond. Aangever werd weer door alle personen geschopt en geslagen. Hij voelde dat hij op zijn hoofd werd geschopt en geslagen. Een verbalisant heeft kort na de melding van de mishandeling bij aangever bloed onder de neus, een gezwollen linker jukbeen en een schaafplek op de onderrug aan de rechterzijde gezien. Toen getuige [getuige 1] fietste ter hoogte van het woonadres van [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: aangever), zag hij een groep jongens bij Snackbar [snackbar] staan. Hij heeft hierover verklaard: “Ik hoorde heel erg veel geschreeuw en dacht dat ik [slachtoffer], de jongen die mishandeld is, hoorde schreeuwen. (…) Ik zag dat er drie jongens bij [slachtoffer] bleven staan, dit waren [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte), [naam 1] (de rechtbank begrijpt: het broertje van verdachte) en nog een jongen die ik niet ken. (…) Ik hoorde [verdachte] tegen [slachtoffer] zeggen: ´kom we gaan naar mijn vader toe om te praten.’ Ik liep met [slachtoffer] en de jongens mee in de richting van de vader van [verdachte].” [getuige 1] heeft over het moment dat aangever en verdachte bij de woning van verdachte stonden het volgende verklaard: “ [Ik]zag dat de vader van [verdachte] naar buiten kwam en de stemming daardoor ineens omsloeg. Ik zag dat [slachtoffer] door [verdachte] in de richting van zijn vader werd geduwd. Ik zag dat de vader van [verdachte] direct met zijn rechterarm en met gebalde vuist op het gezicht van [slachtoffer] sloeg. Ik zag dat [slachtoffer] direct in elkaar zakte, terwijl [verdachte] hem nog van achter vasthield. Toen [slachtoffer] op de grond lag, zag ik dat [verdachte], [naam 1] en hun vader op [slachtoffer] begonnen in te trappen en te slaan. Ik zag dat ze alle drie met kracht en gebalde vuist op zijn gezicht sloegen. Ik zag dat ze alle drie met hun voeten tegen het gezicht van [slachtoffer] aan trapten. Ik zag dat [slachtoffer] ook nog werd geraakt op zijn lichaam. Ik zag dat ze vier à vijf minuten doorgingen op [slachtoffer].” Getuige [getuige 2] heeft verklaard: “Ineens hoorde ik [slachtoffer] gillen. Ik hoorde hem roepen ‘mama’. Ik zag [slachtoffer] op mij af komen rennen maar van alle kanten werd hij aangevallen. Ik herkende [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) uit de groep. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] sloeg. Ik zag dat hij hem stompte. Ik zag dat hij hem schopte. Ik heb gezien hoe [slachtoffer] door de hele groep belaagd werd.” Conclusie Op basis van de verklaring van aangever, welke wordt ondersteund door het kort na de melding van mishandeling geconstateerde letsel en de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], stelt de rechtbank vast dat verdachte aangever niet alleen een vuistslag en een knietje heeft gegeven, maar dat hij hem meerdere malen tegen zijn hoofd en zijn lichaam heeft geslagen en geschopt. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de mishandeling van aangever alleen heeft gedaan, gelet op voormelde verklaringen niet geloofwaardig. De rechtbank vindt de bijdrage van verdachte aan het geweld door zijn vader en anderen voldoende wezenlijk en significant en acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen aangever, zoals primair aan hem tenlastegelegd. Ten aanzien van parketnummer 05.322112.23: aanwezig hebben van drugs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben en het vervoeren van harddrugs als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de doorzoeking van de auto van verdachte onrechtmatig was en dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. De resultaten van de doorzoeking, inclusief de verklaring van verdachte, moeten daarom worden uitgesloten van het bewijs. Er is aldus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het tenlastegelegde feit, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Subsidiair stelt de raadsvrouw dat verdachte niet de beschikkingsmacht had over de gevonden drugs, nu deze onder de bijrijdersstoel lagen waar [naam 2] zat. Ook op deze grond moet verdachte worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feitelijke gang van zaken. Op 23 juli 2023, omstreeks 15:00 uur, ontving verbalisant [verbalisant] een screenshot van een privé bericht dat was doorgestuurd aan een collega via Instagram op zijn politie-account. Dit bericht kwam vanaf een anoniem Instagram account en werd op 23 juli 2023 om 13.00 uur aan de politiecollega toegezonden. Kort samengevat luidde het bericht dat de Polo (de rechtbank begrijpt: van het merk Volkswagen) van [verdachte] , voorzien van het kenteken [kenteken], nu onderweg zou zijn, mogelijk “ergens Zutphen”. De bestuurder van deze Volkswagen Polo, genaamd [verdachte] , zou cocaïne en 3-MMC vervoeren. Het zou om hoeveelheden van 30-50 gram cocaïne (een dikke brok) en 20 gram 3-MMC gaan. (…) Verbalisant herkende de naam van verdachte vanwege eerdere controles en het feit dat de persoon toebehoort aan de doelgroep Preventie met Gezag, een project dat zich specifiek richt op jongeren die in de drugscriminaliteit zitten.. Op 23 juli 2023 omstreeks 15.42 uur zagen verbalisanten op de Johan de Wittlaan in Arnhem voornoemde Volkswagen Polo rijden. Zij zagen dat er twee personen in het voertuig zaten waaronder verdachte als bestuurder. De verbalisanten hielden het voertuig staande en vorderden inzage in de identiteitsbewijzen van de twee inzittenden. Op grond van de Instagrammelding waarin concrete hoeveelheden en soorten verdovende middelen worden genoemd, het feit dat het in de melding genoemde kenteken op naam gesteld blijkt te zijn van verdachte, en het feit dat verdachte ambtshalve bekend is als zich bezig houdend met verdovende middelen, doorzochten verbalisanten vervolgens het voertuig van verdachte. Doorzoeking Gelet op het meest verstrekkende verweer ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of de doorzoeking van de auto van verdachte rechtmatig heeft plaatsgevonden. Zij overweegt daartoe als volgt. Voormelde Instagrammelding bevat zeer concrete informatie, te weten de naam van verdachte, het kenteken van zijn auto – waarvan tevens het type wordt genoemd - de soorten drugs en de hoeveelheden en samenstelling (dikke brok) ervan. De anonieme melding bleek in zoverre reeds juist dat verdachte rijdende was in het genoemde type auto voorzien van het genoemde kenteken, dat op naam van verdachte stond.De rechtbank oordeelt dan ook dat op grond van deze gedetailleerde doch anonieme melding in combinatie met de ambtshalve bekendheid van verdachte bij de politie in het kader van drugscriminaliteit, bij verbalisanten het redelijk vermoeden kon ontstaan dat in de auto waarin verdachte reed middelen als bedoeld in de Opiumwet aanwezig waren, dan wel werden vervoerd. In het proces-verbaal aanhouding en het proces-verbaal van bevindingen verwijzen de verbalisanten in algemene zin naar enkele – in hun ogen – op hun handelen toepasselijke wetsbepalingen en vereisten uit het Wetboek van Strafvordering en de Opiumwet. Hoewel het proces-verbaal van bevindingen over de doorzoeking van de auto van verdachte dit niet uitdrukkelijk benoemt, gaat de rechtbank ervan uit dat verbalisanten in dit kader gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid tot doorzoeking van een voertuig als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Opiumwet. Toepassing van deze bevoegdheid is onder meer toegelaten in gevallen waarin redelijkerwijze kan worden vermoed dat met behulp van een bepaald vervoermiddel een of meer in de Opiumwet verboden gedragingen worden verricht. Niet is vereist, zoals de verbalisanten lijken te veronderstellen, dat tevens ernstige bezwaren bestaan. Gelet op het feit dat bij de verbalisanten een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van overtreding van de Opiumwet kon bestaan, hebben zij deze bevoegdheid rechtmatig toegepast. Voorzover de verdediging aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd dat er tegen verdachte geen ernstige bezwaren bestonden, stelt zij een eis die voor de doorzoeking niet aan de orde was. Voorzover het door de verdediging gestelde vormverzuim daaruit bestaat dat de grondslag van de door de verbalisanten gebezigde opsporingsbevoegdheid niet juist is benoemd, geldt dat gesteld noch gebleken is dat verdachte daardoor is benadeeld. Zoals hiervoor reeds overwogen kwam aan verbalisanten de bevoegdheid tot doorzoeking toe op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, van de Opiumwet. De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat de doorzoeking van de auto van verdachte rechtmatig was en zal de resultaten hiervan dan ook gebruiken voor het bewijs. Het standpunt van de verdediging wordt verworpen. Drugs gevonden Verbalisanten troffen onder de bijrijdersstoel van voornoemde auto een doosje met medicatie aan, waarop geen receptsticker zat. In het doosje troffen zij onder meer het volgende aan. Een gripzakje met daarin tien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.