RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats: Arnhem Parketnummer: 05/152044-21 Datum uitspraak : 20 maart 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1952 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] ( [postcode] ) [woonplaats] . Raadsman en raadsvrouw: mr. W. de Vries en mr. S.A.M. Verweij, advocaten in Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: feit 1 hij als bestuurder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] B.V., tijdens het faillissement van de rechtspersoon, te weten in of omstreeks de periode van 20 augustus 2019 tot en met 15 maart 2021, te Brummen en/of Zeewolde en/of Rotterdam en/of Hulshorst en/of Hierden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(
- en)en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm aan de curator heeft verstrekt; en/of hij als bestuurder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] B.V., tijdens of voor het faillissement van de rechtspersoon, te weten in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 15 maart 2021 te Brummen en/of Zeewolde en/of Rotterdam en/of Hulshorst en/of Hierden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(
- en)en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, opzettelijk niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, onder andere inhoudende de administratie/boekhouding over 2019, waaronder crediteuren- en debiteurenoverzichten, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt; feit 2 hij als bestuurder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] B.V., voor of tijdens het faillissement, te weten in of omstreeks de periode van 21 maart 2019 tot en met 27 juli 2020, te Brummen en/of Zeewolde en/of Rotterdam en/of Hulshorst en/of Hierden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(
- en)en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, de klantenportefeuille met particuliere klanten van [rechtspersoon 1] B.V., althans enig goed aan de boedel heeft onttrokken, door deze om niet over te dragen naar [rechtspersoon 2] B.V., terwijl hij, verdachte, wist dat hierdoor een of meer schuldeisers van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte was vanaf 6 maart 2014 formeel bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap [rechtspersoon 1] B.V. (hierna: [rechtspersoon 1] ) die zich richtte op schuldhulpverlening. [rechtspersoon 1] , die handelde onder de handelsnaam [handelsnaam] , was statutair gevestigd in Brummen en kantoorhoudend in Zeewolde en Rotterdam. De vrouw en zoon van verdachte, te weten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) waren de feitelijke bestuurders van [rechtspersoon 1] . De partner van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), is op enige moment betrokken geraakt bij [rechtspersoon 1] en hield zich bezig met de automatisering van een aantal processen. Op 19 juli 2019 is de besloten vennootschap [rechtspersoon 2] (hierna: [rechtspersoon 2] ) opgericht, waarvan [medeverdachte 3] formeel bestuurder en enig aandeelhouder was. Op 20 augustus 2019 is [rechtspersoon 1] in staat van faillissement verklaard. Als curator is aangesteld mr. [aangever] (hierna: de curator). Voor afgaand aan het faillissement van [rechtspersoon 1] zijn circa 200 klanten om niet overgedragen aan [rechtspersoon 2] . Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide tenlastegelegde feiten. Het standpunt van de verdediging Feit 1 De verdediging heeft bepleit dat verdachte primair moet worden vrijgesproken. Er is zo wordt gesteld, wél voldaan aan de wettelijke administratie- en bewaarverplichting. De verdediging vraagt zich af waarom de curator niet naar de bestuurders is gegaan voor uitleg over de administratie. Verdachte heeft verder verklaard dat hij wist en voor zover hij kon vaststellen dacht dat de administratie is gevoerd en deze aan de curator is overgedragen. Het opzet van verdachte ontbreekt. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat verdachte de administratie wilde overdragen, zoals blijkt uit de Yuki-bestanden. Ook hierdoor ontbreekt (het wilsaspect) van het opzet. Feit 2 De verdediging heeft primair bepleit dat er geen sprake is van onttrekken in de zin van artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht nu verdachte de klantenportefeuille niet heeft verborgen en ook niet buiten het bereik en beheer van de curator heeft gehouden. Verdachte en zijn medeverdachten waren transparant over de overdracht van de klantenportefeuille. Hierbij is ook tot tweemaal toe aangeboden om de klantenportefeuille terug in de boedel te brengen. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat er geen sprake is van daadwerkelijke benadeling van de verhaalsmogelijkheden van één of meer schuldeisers omdat de behandeling van de klantenportefeuille meer kosten met zich mee bracht dan dat de klantenportefeuille aan omzet opleverde. De verlieslatende klantenportefeuille had geen verkoopwaarde. Meer subsidiair heeft de verdediging bepleit dat er geen sprake is van causaal verband tussen de gedraging en de benadeling van één of meer schuldeisers. Het (tijdelijk) onderbrengen van de klantenportefeuille bij [rechtspersoon 2] is niet de oorzaak van de benadeling van de schuldeisers. Dit is veroorzaakt door het niet terugnemen van de klantenportefeuille in combinatie met het nalaten te onderzoeken door de curator of een derde partij de klantenportefeuille zou willen overnemen. Meest subsidiair bepleit de raadsvrouw dat er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de benadeling van de schuldeisers. Er is namelijk geen sprake geweest van wetenschap van enige benadeling van schuldeisers en verdachte heeft de benadeling van de schuldeisers niet gewild. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 Algemene overwegingen Een bestuurder van een rechtspersoon is op grond van het Burgerlijk Wetboek (artikel 2:10 BW) verplicht een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Uit jurisprudentie blijkt dat aan de administratieplicht is voldaan indien het mogelijk is om snel inzicht te krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie. Daarnaast dienen deze posities en de stand van de liquiditeiten een redelijk inzicht te geven in de vermogenspositie van de rechtspersoon (vgl. Hoge Raad 13 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:713; Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2932). Indien de rechtspersoon failliet wordt verklaard, wordt een curator belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. De curator heeft voor de uitvoering van deze taken terstond de administratie nodig van de rechtspersoon om onder andere waardeverdamping te voorkomen (artikel 68 van de Faillissementswet). Om dat te kunnen bewerkstelligen dient de gefailleerde (hieronder worden in dit verband verstaan de (feitelijke) bestuurders en commissarissen van de failliete rechtspersoon) alle medeverwerking aan de curator te verlenen aan het beheer en de vereffening van de boedel zodat de afhandeling hiervan niet wordt bemoeilijkt. Het initiatief hiervoor ligt dan ook bij de gefailleerde. Hij moet terstond de administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers volledig en ongeschonden aan de curator overdragen (artikel 105a, 106 Faillissementswet en artikel 348a Wetboek van Strafrecht). Dit alles om het faillissement zo spoedig mogelijk af te ronden en te voorkomen dat goederen aan de boedel worden onttrokken of verdampen en daarmee de boedel wordt geschaad. Nadat [rechtspersoon 1] failliet is verklaard hebben zich onderstaande gebeurtenissen voorgedaan. Op 22 augustus 2019 heeft de curator de bestuurders van [rechtspersoon 1] gewezen op hun verplichtingen, zoals de informatie- en inlichtingenplicht, die volgen uit het faillissement. [medeverdachte 2] heeft op 26 augustus 2019 gereageerd dat hij en [medeverdachte 1] hun volledige medewerking zullen verlenen. Op 29 augustus 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de curator en [medeverdachte 2] Tijdens dit gesprek heeft [medeverdachte 2] gezegd dat hij een planning aan zal leveren wanneer de curator de administratie en jaarstukken, die nog niet zijn opgesteld, kan verwachten. Daarbij is afgesproken dat de curator voordien een overzicht van de klanten/schuldenaren zal ontvangen. Op 2 september 2019 liet [medeverdachte 2] weten dat de boekhouding uiterlijk 9 september 2019 wordt toegezonden aan de curator en dat [medeverdachte 1] de fysieke administratie op 11 september 2019 bij de curator zal afleveren. Op 20 september 2019 is namens de curator per e-mail verzocht aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om voor 25 september 2019 de administratie toe te zenden. [medeverdachte 1] heeft vervolgens aangegeven dat deze datum niet haalbaar is. Namens de curator is de termijn verlengd tot 30 september 2019 om 12.00 uur. Op 30 september 2019 heeft de curator een bestand van [medeverdachte 2] ontvangen met daarin overeenkomsten van cliënten van [rechtspersoon 1] en volmachten. Op 13 december 2019 heeft de curator per e-mail [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verzocht om de volledige administratie toe te zenden waarbij zij worden gewezen op het mogelijk strafrechtelijk handelen van het niet voeren van een administratie. Op 2 januari 2020 is door [medeverdachte 2] gereageerd dat alle verzochte stukken reeds zijn toegezonden. De curator heeft daarop op 3 januari 2020 gereageerd dat hij de administratie niet heeft ontvangen en verzocht om deze stukken per omgaand (opnieuw) toe te mailen. Op 21 januari 2020 heeft [medeverdachte 1] de jaarrekeningen van 2017 en 2018 toegezonden. In zijn reactie liet de curator weten dat de jaarstukken niet voldoen. Daarnaast ontbreekt de administratie die aan de jaarstukken ten grondslag zou moeten liggen. Op 5 maart 2020 zijn er bestanden toegestuurd via WeTransfer, genaamd: ‘[bestandsnaam]’. Hierna volgt de aangifte van de curator op 27 juli 2020. De curator heeft als volgt verklaard. De bestuurders, feitelijk en formeel, weigeren de wettelijk vereiste inlichtingen te geven, ondanks dat hierom meerdere keren is verzocht. Omdat de recente boekhouding tot en met datum van het faillissement ontbreekt is het onmogelijk de staat van de boedel vast te stellen. Aanvullend heeft de curator op 15 maart 2021 verklaard de volgende stukken te missen: de onderliggende administratie, de administratie van 2019 en een deugdelijke crediteuren- en debiteurenoverzicht. Uit de aangeleverde stukken is niet af te leiden waarom bepaalde uitgaven zijn gedaan. De bestanden die op 5 maart 2020 zijn toegezonden zijn aangeleverd zonder deugdelijke onderliggende administratie, waardoor het niet valt te controleren. Over het jaar 2019 is niets aangeleverd. Getuige [getuige 1] heeft verklaard nooit een volledige administratie gezien te hebben van [rechtspersoon 1] . De ‘Yuki- bestanden’ zijn toegezonden, maar dit betrof niet de volledige administratie. Verdachte heeft verklaard dat hij als formeel bestuurder zich niet bezig hield met de administratie, maar dit overliet aan [medeverdachte 1] . Hij heeft regelmatig overleg gevoerd met [medeverdachte 1] over het aanleveren van de administratie, maar controleerde dit niet. Verdachte heeft verder verklaard wetenschap te hebben dat hij verantwoordelijk is voor de administratie als formeel bestuurder. Verdachte heeft verklaard dat de administratie niet terstond aan de curator is afgegeven omdat er nog wat administratie gedaan moest worden. Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gezamenlijk met verdachte niet aan hun wettelijke plicht tot afgifte van de administratie aan de curator hebben voldaan. Ondanks dat de curator meerdere malen om de administratie heeft verzocht en zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] herhaaldelijk voorhielden dat een volledige administratie zou worden aangeleverd, is slechts een beperkte administratie aan de curator verstrekt en geen goede en volledige administratie zoals benodigd is voor de afhandeling van een faillissement. De onderliggende stukken, de administratie van 2019 en een crediteuren- en debiteurenoverzicht ontbreken. Verdachte en zijn feitelijke medebestuurders hebben dan ook geen deugdelijke en volledige administratie aangeleverd zoals benodigd is bij de afwikkeling van een faillissement. Het verweer van de verdediging dat de curator de vertegenwoordigers van [rechtspersoon 1] diende te benaderen voor uitleg over de toegezonden auditfiles mist juridische grondslag. Aan de administratieplicht is slechts voldaan als uit de administratie mogelijk is snel inzicht te krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie. Van een deugdelijk debiteuren- en crediteurenoverzicht is niet gebleken terwijl uit de bewijsmiddelen waaronder de verklaring van de curator volgt dat de ‘Yuki-bestanden’ tezamen met de eerder toegezonden stukken geen (volledige) administratie vormen. De rechtbank merkt op dat zij geen enkele reden ziet om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de curator, terwijl van de enkele stelling van verdachte dat samen met de Yuki-bestanden de administratie compleet was en dat deze met het toezenden van die bestanden ook compleet was aangeleverd, iedere onderbouwing ontbreekt. Uit de genoemde bewijsmiddelen volgt, reeds nu de administratie over 2019 en een deugdelijke crediteuren- en debiteurenoverzicht nog steeds geheel ontbreken en kennelijk niet voorhanden zijn, eveneens dat verdachte en zijn medeverdachten in de periode voor en tijdens het faillissement niet hebben voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie waardoor de afhandeling van het faillissement van [rechtspersoon 1] werd bemoeilijkt. Ten aanzien van de voor de bewezenverklaring vereiste (voorwaardelijke) opzet stelt de rechtbank voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – het niet voldoen aan de administratieplicht en niet terstond afgeven van de administratie aan de curator – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Verdachte was formeel bestuurder van [rechtspersoon 1] en was op de hoogte van zijn verantwoordelijkheid voor de administratie. Daarbij heeft verdachte regelmatig overleg gevoerd over het aanleveren van de administratie met [medeverdachte 1] . Doordat verdachte, als formeel bestuurder met de daarbij horende verantwoordelijkheid, niet heeft gecontroleerd of de administratie daadwerkelijk was gedaan alsmede of deze terstond aan de curator is afgegeven heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het gevolg zou intreden. De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het onder het eerste tenlastegelegde feit, zowel ten aanzien van het niet voldoen aan de administratieplicht vóór én tijdens het faillissement als de afgifteplicht. Het niet voldoen aan de afgifteplicht ligt in dit geval niet in het verlengde van het niet voldoen aan de administratieplicht, omdat verdachte en zijn medeverdachten de curator aan het lijntje hebben gehouden door hem telkens mondjesmaat van onvolledige administratieve stukken te voorzien en voor te houden dat de rest nog zou komen. Er is wel deels sprake van eendaadse samenloop. De rechtbank zal bij de straftoemeting daarmee rekening houden. Feit 2 Op grond van artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht is het strafbaar is om enig goed voor of tijdens het faillissement aan de boedel te onttrekken, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de failliete rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld. Er is ook sprake van onttrekken als een goed uit de boedel wordt vervreemd om niet of beneden de waarde. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat [rechtspersoon 1] het moeilijk had en daarover met zijn medeverdachten heeft gesproken. Verdachte heeft verder verklaard dat gezamenlijk met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] werd besloten om de klantenportefeuille met oog op het komende faillissement om niet over te dragen aan de daarvoor opgerichte [rechtspersoon 2] van [medeverdachte 3] . Dit is ook gebeurd. Vast staat daarmee dat verdachte - samen met eerder genoemde medeverdachten – de klantenportefeuille in het zicht van het faillissement om niet aan [rechtspersoon 2] heeft overgedragen. Daarmee staat eveneens vast dat die klantenportefeuille daarmee uit de boedel werd onttrokken (Kamerstukken II 2013/14 33994 nr3. P. 14). Dat dit, zoals verdachte ter zitting heeft aangevoerd mogelijk slechts een tijdelijke constructie zou zijn – wat daar ook van zij -, en/of dat die portefeuille nadien door [rechtspersoon 2] weer aan de curator is aangeboden doet daaraan niet af. Evenmin is van belang dat dit in die zin niet heimelijk is gebeurd dat verdachte dit na het faillissement aan de curator heeft gemeld (vlg. ECLI:NL:PHR:2015:2360). De rechtbank acht voorts bewezen die klantenportefeuille een waarde vertegenwoordigde. [rechtspersoon 1] richtte zich op schuldhulp voor particulieren. Deze particulieren betaalden (maandelijks) een vergoeding voor deze hulpverlening die lag tussen de €85,00 en €150,00 per maand. Getuige [getuige 2] heeft op 21 maart 2019 een aanbod gehad van [medeverdachte 2] om de klantenportefeuille over te nemen tegen een bedrag van € 250.000,00. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat aan de kant van de kosten veel te besparen is en hij het aanbod wilde aannemen indien hij een achtergestelde lening en een omzetgarantie had gehad. Na overdracht van de portefeuille aan [rechtspersoon 2] is er door deze onderneming in de maanden augustus-oktober 2019 bijna € 46.000,00 omzet gegenereerd die voornamelijk bestaat uit geïncasseerde maandbedragen. Daarmee staat reeds vast dat de klantenportefeuille waarde vertegenwoordigde. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is niet van belang of [rechtspersoon 1] verlies draaide. De kosten van [rechtspersoon 1] zijn immers geen onderdeel van de klantenportefeuille. Door de overdracht om niet van de portefeuille in het zicht van het faillissement is de enige omzet genererende en waarde vertegenwoordigende activiteit van [rechtspersoon 1] - de ‘core business’ - uit de boedel verdwenen en daarmee is de boedel benadeeld. Door deze overdracht is de curator voor een voldongen feit geplaatst. De curator kon niets meer doen met de klantenportefeuille. Dat deze na het faillissement - kennelijk mede namens [rechtspersoon 2] - weer om niet aan de curator is aangeboden doet daaraan niet af. De portefeuille was inmiddels in beheer bij [rechtspersoon 2] en voor de curator niet inzichtelijk. Hij kon daardoor niet onderzoeken of een eventuele derde partij deze klantenportefeuille wilde overnemen, zodat er geld gegenereerd kon worden voor de schuldeisers. De curator heeft verklaard dat hij contact heeft gehad met landelijke vereniging van schuldhulpverleners om te kijken of zij de klantenportefeuille wilde overnemen. De vereniging zou dit normaal gesproken wel willen, maar omdat zij niet wisten wat er met de portefeuille was gebeurd kon dat niet. Bovendien kon de curator de waarde van de klantenportefeuille niet inschatten, omdat de curator niet beschikte over de volledige administratie van [rechtspersoon 1] door toedoen van verdachte. De conclusie is dat door het opzettelijk overhevelen van de klantenportefeuille door verdachte en zijn medeverdachten met het faillissement in zicht de schuldeisers zijn benadeeld. Door het onttrekken van de inkomstenbron voorafgaand aan het faillissement, is de onderneming voor het faillissement al inkomsten misgelopen én heeft de curator niet de mogelijkheid gehad om de klantenportefeuille te kunnen verkopen om daarmee inkomsten voor de boedel te genereren. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad. Had verdachte (voorwaardelijk) opzet op het benadelen van de schuldeisers door het onttrekken van de klantenportefeuille aan de failliete boedel van [rechtspersoon 1] ? Uit jurisprudentie blijkt dat een (verboden) gedraging in redelijkheid aan de verdachte als (functioneel) dader kan worden toegerekend indien deze erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en indien zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging (vgl. ECLI:NL:HR:2015:3487). De rechtbank is van oordeel dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het benadelen van de schuldeisers. Voor het vaststellen van voorwaardelijk opzet van een verdachte is het noodzakelijk dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden heeft aanvaard. Gelet op de genoemde jurisprudentie overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel verdachte feitelijk een ondersteunende rol had, heeft hij wel samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] besloten om in het zicht van het aanstaande faillissement de klantenportefeuille om niet over te dragen aan [rechtspersoon 2] . Verdachte heeft hierbij geenszins de zorg betracht die verwacht had kunnen worden van een formeel bestuurder. [rechtspersoon 1] stevende af op een faillissement en verdachte was hiervan op de hoogte. Desondanks heeft verdachte met zijn medeverdachten besloten de hoofdactiviteit van [rechtspersoon 1] met een klantenportefeuille die waarde bezat om niet over te dragen aan [rechtspersoon 2] . Verdachte heeft daarmee op zijn minst genomen aanvaard dat daardoor de kans groot was dat schuldeisers werden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich gezamenlijk met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan feit 2. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: feit 1 hij als bestuurder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] B.V., tijdens het faillissement van de rechtspersoon, te weten in of omstreeks de periode van 20 augustus 2019 tot en met 15 maart 2021, te Brummen en/of Zeewolde en/of Rotterdam en/of Hulshorst en/of Hierden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(
- en)en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm aan de curator heeft verstrekt; en/of hij als bestuurder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] B.V., tijdens of voor het faillissement van de rechtspersoon, te weten in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 15 maart 2021 te Brummen en/of Zeewolde en/of Rotterdam en/of Hulshorst en/of Hierden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(
- en)en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, opzettelijk niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, onder andere inhoudende de administratie/boekhouding over 2019, waaronder crediteuren- en debiteurenoverzichten, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt; feit 2 hij als bestuurder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] B.V., voor of tijdens het faillissement, te weten in of omstreeks de periode van 21 maart 2019 tot en met 27 juli 2020, te Brummen en/of Zeewolde en/of Rotterdam en/of Hulshorst en/of Hierden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(
- en)en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, de klantenportefeuille met particuliere klanten van [rechtspersoon 1] B.V., althans enig goed aan de boedel heeft onttrokken, door deze om niet over te dragen naar [rechtspersoon 2] B.V., terwijl hij, verdachte, wist dat hierdoor een of meer schuldeisers van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: medeplegen van het, als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekken; en medeplegen van het, als bestuurder van een rechtspersoon, voor en tijdens het faillissement van de rechtspersoon, opzettelijk niet voldoen of te bewerkstelligen dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van en administratie en het bewaren van de daartoe behorende hoeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt; Ten aanzien van feit 2: medeplegen van het, als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel hebben onttrokken. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur, bij niet verrichten te vervangen door een hechtenis van 90 dagen. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar overgelegde pleitnota betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging. De redelijke termijn is aangevangen bij de oproep tot het verhoor in november 2020. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van 2,5 jaar. Tot slot heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte gelet op zijn leeftijd en fysieke gesteldheid niet in staat is om een taakstraf uit te voeren. Daarnaast leeft hij van een beperkt inkomen, waardoor hij slechts beperkt in staat is een boete te voldoen. Het opleggen van een gevangenisstraf voor verdachte als ‘first offender’ die geen financieel voordeel heeft gehad is disproportioneel. Bij een bewezenverklaring verzoekt de verdediging de zaak af te doen zonder oplegging van straf. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij rekening wordt gehouden met het strafblad van verdachte. De verdachte heeft zich als bestuurder van [rechtspersoon 1] schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Samen met zijn medeverdachten heeft verdachte de core-bussiness van [rechtspersoon 1] in de zin van de klantenportefeuille voor het faillissement aan [rechtspersoon 1] onttrokken door deze om niet over te dragen aan een speciaal daartoe opgerichte onderneming waar zijn schoondochter bestuurder en enig aandeelhouder van werd. De curator werd daardoor de mogelijkheid ontnomen om de klantenportefeuille over te dragen aan een betalende partij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Omdat de enige omzet genererende activiteit uit de boedel is onttrokken, terwijl verdachte wist dat [rechtspersoon 1] schulden had en op een faillissement afstevende, zijn de schuldeisers benadeeld. Daarnaast was verdachte in zijn rol als formeel bestuurder verantwoordelijk voor een deugdelijke en volledige administratie van [rechtspersoon 1] . Verdachte heeft nagelaten om te controleren of de administratie deugdelijk was. De curator heeft hierdoor onvoldoende administratie ontvangen, terwijl hem dit wel door de feitelijke bestuurders iedere keer werd beloofd. Verdachte was hiervan op de hoogte. Door schending van zijn wettelijke administratieplicht en afgifteplicht hebben verdachte en zijn medeverdachten het de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op een juiste en voortvarende wijze af te wikkelen en zijn maatschappelijke rol ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers te vervullen. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen financiële schade voor de schuldeisers in het faillissement van [rechtspersoon 1] veroorzaakt, maar daarmee ook schade toegebracht aan het vertrouwen dat een goed functionerend handelsverkeer vereist, namelijk dat schulden worden voldaan. De rechtbank rekent het voorgaande verdachte aan. Verdachte is een man op leeftijd die mantelzorger is voor zijn zieke vrouw. Hij kampt zelf ook met gezondheidsklachten. De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Verdachte was naar eigen zeggen in de bedrijfsvoering van [rechtspersoon 1] feitelijk vooral betrokken bij interne, technische of ICT-zaken en niet bij de administratie en financiële kant van [rechtspersoon 1] . Hij liet dit over aan zijn vrouw en zoon. Enerzijds is de rol van verdachte daardoor bij deze feiten kleiner, maar daar staat tegen over dat hij de statutair bestuurder en verantwoordelijke was, het zijn keus was om een en ander over te laten aan de anderen en hij wel ook feitelijk (mee) beslist heeft bij belangrijke besluiten, waaronder het hier essentiële besluit om de klantenportefeuille om niet van de hand te doen. Gelet daarop en gelet op de ernst van de gezondheidsklachten van [medeverdachte 1] , die nog zwaarder zijn dan van verdachte, komt de rechtbank voor beiden tot dezelfde straf. Overschrijding redelijke termijn De aanvang van de redelijke termijn is, anders dan de verdediging betoogt, gestart op 15 april 2021, zijnde de datum van het feitelijke verhoor. Een enkel oproep voor het verhoor (van welke oproep verder geen bijzonderheden bekend zijn) is onvoldoende voor verdachte om redelijk de verwachting te ontlenen dat een strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld. Er zijn onderzoekswensen ingesteld en de zaken tegen verdachte en [medeverdachte 1] zijn uitgesteld vanwege medische situatie van [medeverdachte 1] . De eerste zitting stond gepland op 2 oktober 2023 en is uitgesteld vanwege de slechte medische staat van [medeverdachte 1] . Hetzelfde geldt voor de zitting van 20 juni 2024. Daarom is er een overschrijding van de redelijke termijn vanaf 15 april 2021 tot 2 oktober 2023. De rechtbank is van oordeel dat vanwege deze overschrijding kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden omdat zij de straf al aanzienlijk zal compenseren vanwege de gezondheidstoestand van verdachte. De straf Gelet op de ernst van de feiten is een taakstraf een passende straf voor verdachte. De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een aanzienlijk lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist vanwege de leeftijd, gezondheidstoestand en het blanco strafblad van verdachte hier passend is. Alles overwegend acht de rechtbank de oplegging van een taakstraf van 80 uur, bij niet verrichten te vervangen door een hechtenis van 40 dagen, passend en geboden. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 55, 57, 343 en 344a van het Wetboek van Strafrecht. 9De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een taakstraf van 80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. G. Edelenbos en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 maart 2025. mr. G. Edelenbos is buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van het Bureau Economische Handhaving, opgemaakte proces-verbaal, nummer 50971, gesloten op 25 mei 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het per onderdeel/bijlage genummerde dossier, tenzij anders vermeld. Uittreksel Kamer van Koophandel [rechtspersoon 1] B.V., D-002, p. 1, 2. Emailbericht met gespreksverslag 23 augustus 2019, D-008, p. 1. Proces-verbaal van verhoor verdachte, V01, p. 7. Uittreksel Kamer van Koophandel [rechtspersoon 2] B.V., D-003, p. 1,2. Vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen van 20 augustus 2019, D-001, p. 1. Proces-verbaal van verhoor verdachte, V01, p. 6. E-mailbericht van de curator [aangever] , D-007, p. 1. E-mailbericht van [medeverdachte 2] , D-007, p. 2. E-mailbericht van de curator [aangever] , D-008, p. 7. E-mailbericht van [medeverdachte 2] , D-008, p. 9. E-mailbericht namens de curator [aangever] , D-008, p. 13. E-mailbericht van [medeverdachte 1] , D-008, p. 14. E-mailbericht namens de curator [aangever] , D-008, p. 16. E-mailbericht van [medeverdachte 2] , D-034, p. 2 en D-043, p. 1. E-mailbericht van de curator [aangever] , D-010, p. 7. E-mailberichten van [medeverdachte 2] en de curator [aangever] , D-010, p. 1, 2. E-mailbericht van [medeverdachte 1] , D-007, p. 3. E-mailbericht van de curator [aangever] , D-007, p. 4. Proces-verbaal van aangifte [aangever] , G-01, p. 5. Proces-verbaal van aangifte [aangever] , G-01, p. 1 t/m 6. Aanvulling aangifte curator terzake vermoedelijke faillissementsfraude, G-01-02, p. 4 Door kabinet rechter-commissaris wettelijk opgemaakte proces-verbaal van 8 juni 2022 van getuigenverhoor [getuige 1] , p. 5. Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 maart 2025. Proces-verbaal van verhoor verdachte, V01, p. 5. Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 maart 2025. Proces-verbaal van verhoor verdachte, V01, p. 4. Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 maart 2025. E-mail bericht met gespreksverslag 23 augustus 2019 D-008, p. 1 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , G02-02, p. 1. Analyse bankgegevens betrokken natuurlijke en rechtspersonen D-009 p. 18; Proces-verbaal van aangifte [aangever] , G-01, p. 4. Door kabinet rechter-commissaris wettelijk opgemaakte proces-verbaal van 22 juni 2022 van getuigenverhoor [aangever] , p. 15.