← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:3543

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/1484 uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 april 2025 in de zaak tussen [verzoekster], uit [plaats], verzoekster (gemachtigde: [naam gemachtigde 1]), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel (gemachtigde: [naam gemachtigde 2]). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats] (gemachtigde: mr. S. Keywani). Samenvatting

  1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan derde-partij verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuwe stal op het perceel aan de [locatie 1] in [plaats] ter vervanging van de bestaande stal. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter gevraagd om de omgevingsvergunning te schorsen omdat de werkzaamheden inmiddels zijn gestart. Daartoe voert verzoekster een aantal gronden aan. 1.
  2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent voor het geven van een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dit is namelijk een complexe en verstrekkende vraag, die nader onderzoek en overdenking vergt. Het beroep zal op 19 juni 2025 door de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld worden. De voorzieningenrechter beperkt zich in de voorlopige voorzieningprocedure tot een belangenafweging en wijst in deze uitspraak het verzoek toe en schorst de verleende omgevingsvergunning. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop
  3. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2023 heeft het college derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een stal. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 30 april 2024 heeft het college de omgevingsvergunning gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.
  4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben van de zijde van verzoekster deelgenomen: [persoon A], [persoon B] en [persoon C], bijgestaan door de gemachtigde van verzoekster. Verder waren namens het college aanwezig de gemachtigde en [persoon D]. Van de zijde van derde-partij was aanwezig [persoon E], bijgestaan door zijn gemachtigde. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Derde-partij exploiteert een geitenhouderij op het perceel [locatie 1] in [plaats]. Hiertoe is door het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland een vergunning op grond van de (toenmalige) Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor het houden van 1900 geiten ouder dan 1 jaar in een stal met een afmeting van 50,9 x 22,7 meter en 6,25 meter hoog.
  6. Op 10 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een nieuwe stal op deze locatie ter vervanging van de bestaande stal. Deze vergunning ziet op de activiteiten bouwen en beperkte milieutoets. Tegen deze omgevingsvergunning heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Met het besluit van 30 april 2024 heeft het college de omgevingsvergunning gehandhaafd.
  7. In artikel 2.2a, eerste lid en onder d, van het Besluit omgevingsrecht (‘Bor’) is het houden van ten hoogste 2.000 geiten aangewezen als vergunningplichtig voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo (de omgevingsvergunning beperkte milieutoets). Ingevolge artikel 5.13b, eerste lid, van het Bor moet deze omgevingsvergunning worden geweigerd indien het bevoegde gezag op grond van artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft beslist dat een MER moet worden gemaakt. Als geen MER moet worden gemaakt, kan de omgevingsvergunning niet worden geweigerd. 5.
  8. Het bevoegde gezag moet bij het bepalen of het opstellen van een MER nodig is beoordelen of sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu vanwege de aangevraagde activiteit. Daarbij dienen de milieugevolgen vanwege de inrichting in de reeds vergunde situatie als uitgangspunt te worden genomen. In geschil is of het college terecht heeft besloten dat geen MER noodzakelijk is.
  9. Verzoekster betoogt allereerst dat het college onvoldoende de technische, organisatorische en functionele bindingen heeft onderzocht. Grenzend aan het betrokken bedrijfsperceel is de bedrijfsafdeling [locatie 2] gevestigd van derde-partij. Gegeven de samenhang van de achtereenvolgende uitbreidingen na 2016 en de fysieke nabijheid van die uitbreidingen geïnitieerd door dezelfde ondernemer is door het college ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de vraag of ten tijde van het vergunningbesluit de technische, organisatorische en functionele bindingen zo zijn dat gesproken moet worden van één inrichting en een integrale milieu-beoordeling van de gehele inrichting was vereist. Verder is aangevoerd dat de nu vergunde stal aanzienlijk groter is dan het eerder vergunde stalgebouw, hetgeen relevant is omdat de optredende milieugevolgen mede worden bepaald door omvang en hoogte van de stalgebouwen. Het college heeft ten onrechte niet eerst een beoordeling gemaakt van de optredende stikstofdeposities, noch is bekend welke gevolgen voor de Natura 2000 zones optreden als gevolg van de inrichting. Met de vergunde stal treedt een toename op van ammoniakdeposities. Ook is verzuimd het opnamevermogen van het milieu te beoordelen. Het college geeft daardoor geen juiste uitvoering gegeven aan de eisen van het MER-besluit. Bovendien handelt het college met het toestaan van de bouw van een nieuwe stal die bijdraagt aan een hogere stankbelasting dan 19,4 Ou/m3 in strijd met het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het college heeft ten onrechte niet onderzocht of de optredende stankbelasting als gevolg van de geitenstal tot een stankniveau onder de 19,4 Ou/m3 teruggebracht kan worden. Voorts stelt verzoekster dat een BIBOB-onderzoek is gestart in verband met afzonderlijke omgevingsvergunningprocedures voor andere bedrijfsonderdelen van de geiteninstallatie. Nu het zowel de zelfde ondernemer betreft en onvoldoende is onderzocht of de bedrijfslocatie tot de zelfde installatie dient te worden gerekend, is daarmee evenmin voldoende uitgesloten of aanleiding bestaat om de uitkomst van het BIBOB-onderzoek ook gevolgen te laten hebben voor de hier bestreden vergunning.
  10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent voor het geven van een voorlopig oordeel omtrent de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dit is namelijk een complexe en verstrekkende vraag, die nader onderzoek en overdenking vergt. De voorzieningenrechter zal de vraag of aanleiding bestaat tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening dan ook beantwoorden aan de hand van een belangenafweging. 6.1 De belangen van derde-partij zijn financieel van aard en bestaan uit (het reeds betaalde deel van) de aanneemsom. Verder heeft derde-partij belang bij het kunnen doorbouwen omdat hij in verband met een door het college opgelegde last onder dwangsom een stal nodig heeft voor het kunnen huisvesten van geiten die elders weg moeten. Het college heeft evenwel tijdens de zitting toegezegd dat de aan deze last verbonden begunstigingstermijn verlengd zal worden tot na de uitspraak door de meervoudige kamer op het beroepschrift. Dat belang valt derhalve weg. Dat betekent dat een financieel belang wat betreft de aanneemsom aan de zijde van derde-partij overblijft. Hier tegenover staat dat voortzetting van de werkzaamheden leidt tot een onomkeerbare situatie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het voorkomen van een onomkeerbare situatie zwaarder weegt dan het financiële belang van derde-partij. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat het beroep op afzienbare termijn op zitting wordt behandeld en dat naar verwachting medio juli 2025 een uitspraak op het beroep zal worden gedaan. Daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen en de verleende omgevingsvergunning schorsen. De schorsing vervalt van rechtswege als de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep. Conclusie en gevolgen
  11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van 30 april 2024 en 10 oktober
  12. Omdat het verzoek wordt toegewezen moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden en krijgt verzoekster ook een vergoeding van de proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt in beroep een vast bedrag per proceshandeling met een waarde van € 907,-. Omdat de gemachtigde een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen leidt dit tot een totaal van € 1.814,-.
  13. De voorzieningenrechter heeft partijen op de zitting erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe; schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van 30 april 2024 en 10 oktober 2023; bepaalt dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht à € 385,- aan haar vergoedt; veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 april
  14. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit volgt uit artikel 8:85, van de Algemene wet bestuursrecht

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.