RECHTBANK GELDERLAND Team Strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05/093372-23 en 05/131172-23 (gev. ttz.) Datum uitspraak : 21 januari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] (Haïti), wonend aan de [adres 1], [postcode 1] in [woonplaats], op dit moment verblijvend in FPA [verblijfsplaats] aan de [adres 2] , [postcode 2] in [plaats 1]. Raadsvrouw: mr. F. van den Heuvel, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen achter gesloten deuren. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: in de zaak met parketnummer 05/093372-23 hij op of omstreeks 2 november 2020 te [plaats 2], gemeente Deventer,in een woning gelegen aan de [adres 3] te [plaats 2], omstreeks 03:30 uur, in elkgeval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omin/uit voornoemde woning, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil vande rechthebbende(
- n)bevond,geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of tendele aan [aangever 1] en/of [aangever 2], in elk geval aan een andertoebehoorde(
- n)weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe teeigenenen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg tenemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/ofverbreking, immers heeft hij, verdachte, voornoemde woning genaderd, een ruitvernield en vervolgens die woning betreden,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreigingmet geweld tegen die [aangever 1],gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bijbetrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij hetbezit van het gestolene te verzekeren, door- die [aangever 1] eenmaal of meermalen op of tegen zijn hoofd en/of borst, althanszijn lichaam, te slaan en/of te stompen en/of- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hand tehouden en in de richting van die [aangever 1] te lopen (terwijl die [aangever 1] opde grond lag). in de zaak met parketnummer 05/131172-23 hij op of omstreeks 24 maart 2022 te [plaats 3] (gemeente Bronckhorst), althans in Nederland, [aangever 3],door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een anderefeitelijkheid heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen,door (onverhoeds) de billen van die [aangever 3] te betasten. 2Het onderzoek op de terechtzitting Verdachte heeft meerdere dagvaardingen ontvangen. De rechtbank behandelt alle feiten op deze dagvaardingen gevoegd. 3Overwegingen ten aanzien van het bewijs In de zaak met parketnummer 05/093372-23 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Zij heeft daarbij verwezen naar het proces-verbaal van aangifte van de heer [aangever 1], de getuigenverklaring van mevrouw [aangever 2] en de bevindingen van de forensische opsporing over de DNA-sporen. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft gesteld dat de poging inbraak met geweld wettig en overtuigend kan worden bewezen, maar niet de bedreiging met het mes. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat het dossier geen steunbewijs bevat voor de verklaring van aangever [aangever 1] over dit punt. Beoordeling door de rechtbank Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op maandag 2 november 2020 lag te slapen in zijn woning aan de [adres 3] in [plaats 2], gemeente Deventer. Rond half vier in de ochtend hoorde hij een heftig glasgerinkel. Aangever ging uit bed. Toen hij de deur van de keuken opende, zag hij een man in de keuken staan. De man zei meteen: “Ik wil je geld en je pasjes.” De man liep op aangever af en er ontstond een gevecht. Aangever kreeg klappen tegen zijn hoofd en tegen zijn borst. Op enig moment viel aangever op de grond. Hij zag dat de man een mes in zijn rechterhand had. De man deed het mes open en liep met het mes in zijn handen op aangever af. Getuige [getuige] (de echtgenote van aangever) heeft verklaard dat zij op 2 november 2020 rond half vier ’s nachts samen met haar man lag te slapen in haar woning. Zij werd wakker van geschreeuw van een vreemde stem van een man. [getuige] hoorde dat het geluid uit de keuken kwam. Ze hoorde de man schreeuwen om pasjes en geld. [getuige] kon niet zien wat er in de keuken gebeurde, maar zij hoorde wel gerommel en gestommel. Uit de geluiden die zij hoorde, maakte zij op dat er een gevecht gaande was. Vervolgens hoorde [getuige] een harde dreun. Toen zij ging kijken, zag zij dat haar man de deur naar de keuken tegenhield. [getuige] zag dat haar man gewond was aan zijn gezicht. Op maandag 2 november 2020 om 05:42 uur was de forensische opsporing aanwezig in de woning aan de [adres 3] in [plaats 2]. De verbalisanten zagen aan de rechterzijkant van de woning een deur met een ruit. De ruit van de deur was vernield. Voor de deur lagen stukken gebroken glas. Op de buitenkant van de deur zaten vegen en een druppel bloed. De verbalisanten zagen ook druppels bloed en stukjes huid op de glasscherven die nog in de sponning van de deur zaten. Deze sporen werden veiliggesteld. Daarnaast werd een bloeddruppel op de vloer voor de koelkast bemonsterd. Uit onderzoek van het NFI bleek dat het DNA-profiel dat werd verkregen uit het sporenmateriaal op de buitenzijde van de ruit in de deur afkomstig was van een onbekende man. Het DNA-profiel van deze onbekende man kreeg het Sporen Identificatie Nummer (SIN) AAOF8474NL#01. Op 7 november 2022 werd het DNA-profiel van verdachte opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken. Er werd een match gevonden met het DNA in het sporenmateriaal met SIN AAOF8474NL#01 uit DNA-profielcluster 54735. Uit het rapport van het NFI blijkt een matchkans van minder dan één op één miljard. Gelet op de voorgaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. Door de verdediging is aangevoerd dat de bedreiging met het mes niet wettig en overtuigend kan worden bewezen in verband met het ontbreken van steunbewijs voor de verklaring van aangever. De rechtbank verwerpt dit verweer omdat zij geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de verklaring van aangever. In de zaak met parketnummer 05/131172-23 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Zij heeft daarbij verwezen naar het proces-verbaal van aangifte en de camerabeelden. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank Op 24 maart 2022 was aangeefster [aangever 3] (hierna: aangeefster) als pedagogisch medewerkster aan het werk in het fasehuis van [bedrijf] in [plaats 3], gemeente Bronckhorst. Rond etenstijd stond verdachte, bewoner van het fasehuis, achter aangeefster in de keuken. Verdachte liep vervolgens achter aangeefster langs en wreef met zijn hand over haar billen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde aanranding. 4De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat: in de zaak met parketnummer 05/093372-23 hij op of omstreeks 2 november 2020 te [plaats 2], gemeente Deventer,in een woning gelegen aan de [adres 3] te [plaats 2], omstreeks 03:30 uur, in elkgeval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omin/uit voornoemde woning, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil vande rechthebbende(
- n)bevond,geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of tendele aan [aangever 1] en/of [aangever 2], in elk geval aan een andertoebehoorde(
- n)weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe teeigenenen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg tenemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/ofverbreking, immers heeft hij, verdachte, voornoemde woning genaderd, een ruitvernield en vervolgens die woning betreden,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreigingmet geweld tegen die [aangever 1],gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bijbetrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij hetbezit van het gestolene te verzekeren, door- die [aangever 1] eenmaal of meermalen op of tegen zijn hoofd en/of borst, althanszijn lichaam, te slaan en/of te stompen en/of- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hand tehouden en in de richting van die [aangever 1] te lopen (terwijl die [aangever 1] opde grond lag); in de zaak met parketnummer 05/131172-23: hij op of omstreeks 24 maart 2022 te [plaats 3] (gemeente Bronckhorst), althans in Nederland, [aangever 3],door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een anderefeitelijkheid heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen,door (onverhoeds) de billen van die [aangever 3] te betasten. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen. 5De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: in de zaak met parketnummer 05/093372-23 poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak ; in de zaak met parketnummer 05/131172-23 feitelijke aanranding van de eerbaarheid . 6De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 7De strafbaarheid van de verdachte Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar. 8De overwegingen ten aanzien van de straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de rechtbank in het kader van deze strafzaak verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen en gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van vier maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie is hierbij uitgegaan van een verminderde toerekenbaarheid ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Gelet op de psychiatrische problematiek van verdachte heeft de officier van justitie de rechtbank daarnaast in een aparte procedure verzocht om een zorgmachtiging te verlenen op grond van de Wet forensische zorg (Wfz). Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie. De beoordeling door de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken: het uittreksel justitiële documentatie van 19 november 2024 (het strafblad), het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 3 januari 2025; het rapport van Observatieafdeling Teylingereind (klinisch multidisciplinair onderzoek Pro Justitia) van 24 oktober 2024. In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Strafblad De rechtbank constateert dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat hij na het plegen van de onderhavige feiten nog is veroordeeld voor andere feiten. De rechtbank laat dit meewegen in de strafafdoening (artikel 63 Sr). De ernst van de feiten Verdachte heeft zich op 2 november 2020 schuldig gemaakt aan een woninginbraak, waarbij aanzienlijk geweld is gebruikt tegen een van de bewoners. Daarnaast heeft verdachte zich op 24 maart 2022 schuldig gemaakt aan aanranding van een begeleidster van de groep waar hij op dat moment verbleef. Verdachte heeft met deze feiten ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de slachtoffers en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat het handelen van verdachte veel impact op hen heeft gehad. De rechtbank vindt dit ernstig. Het advies van de deskundigen van Observatieafdeling Teylingereind (ForCa) Verdachte is klinisch onderzocht door een multidisciplinair team. De deskundigen hebben het volgende gerapporteerd. [verdachte] is een twintigjarige jongeman, die kampt met een ernstige psychotische ontregeling in het kader van schizofrenie. Onderliggend is er sprake van een ernstige scheefgroei in de ontwikkeling (samenhangend met ernstige tekortkomingen en vroeg trauma, leidend tot een reactieve hechtingsstoornis), mogelijk uitgekristalliseerd in een persoonlijkheidsstoornis. Dit kan vanwege het op de voorgrond staande toestandsbeeld nu niet nader worden onderzocht. Wel is op basis van de collaterale informatie duidelijk dat er sprake is van reeds langdurig bestaand problematisch gebruik van cannabis. De aangeboren intellectuele capaciteiten van [verdachte] bevinden zich vermoedelijk op (laag) gemiddeld niveau, terwijl de huidige capaciteiten mogelijk lager zijn, als gevolg van de psychotische stoornis. Nader onderzoek na stabilisatie van het toestandsbeeld is noodzakelijk om de actuele capaciteiten van [verdachte], waaronder zijn aanpassingsvaardigheden, in kaart te brengen. Met betrekking tot de tenlastegelegde diefstal met geweld in 2020 zien onderzoekers geen aanwijzingen voor psychische/psychotische ontregeling in deze periode. Wel was er sprake van een zorgelijke persoonlijkheidsontwikkeling, samenhangend met een reactieve hechtingsstoornis, tot uiting komend in een gebrekkige emotie- en agressieregulatie en van problematisch cannabisgebruik. Onderzoekers hebben geen zicht gekregen op zijn vermogen tot moreel redeneren en de mogelijke remming die hiervan uit kon gaan op zijn handelen. Met betrekking tot zijn gewelddadig handelen ten tijde van het ten laste gelegde -indien bewezen geacht - is het niet duidelijk of hierbij sprake was van instrumenteel (bewust ingezet) of juist reactief geweld. Met andere woorden: onderzoekers hebben geen zicht gekregen op de keuzevrijheid van de toen nog zestienjarige [verdachte] ten tijde van het plegen van deze feiten. Dit maakt dat onderzoekers onvoldoende aanknopingspunten hebben om een advies te formuleren met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van [verdachte] voor deze diefstal met geweld. Met betrekking tot de hem tenlastegelegde aanranding in 2022 hebben onderzoekers eveneens onvoldoende informatie, zowel over het psychisch functioneren van [verdachte] destijds als over de toedracht en/of context hiervan. Op basis van dit onderzoek en met name gebaseerd op de informatie over de levensloop van [verdachte] en op de observaties worden geen aanwijzingen gevonden voor een primaire seksuele stoornis (zoals hyperseksualiteit). Vanaf 2022 komen de eerste signalen naar voren voor een (beginnende) psychotische ontregeling. Het is echter niet duidelijk hoe het toestandsbeeld van [verdachte] was ten tijde van het plegen van deze aanranding, indien bewezen geacht. Dit betekent dat onderzoekers zich ook ten aanzien van dit feit onthouden van een advies met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van [verdachte]. Op basis van een gestructureerde risicoanalyse aan de hand van de HCR-20V3, een instrument om het recidivegevaar voor gewelddadig gedrag gestructureerd in kaart te brengen, komt er bij [verdachte] een hoog risicoprofiel naar voren. Dit risicotaxatie-instrument leent zich echter beperkt om een adequate inschatting in deze specifieke situatie (vanwege de veranderde situatie door het psychiatrisch toestandsbeeld en de mogelijke restschade) te maken, zodat voorzichtigheid moet worden betracht bij het interpreteren van de uitkomst. Het verhoogde risicoprofiel op basis van de HCR-20V3 voor risico op gewelddadig gedrag hangt vooral samen met de problematische voorgeschiedenis en het gebruik van middelen, zijn huidige ernstig ontregelde toestandsbeeld en het ontbreken van risicohanteringsvaardigheden. Er wordt bij [verdachte] geen patroon van voortdurende geweldpleging gezien, integendeel. Zoals aangegeven dient [verdachte] op dit moment beschouwd te worden als een verwarde jongeman, die zorg mijdt en zich zoveel mogelijk tracht terug te trekken. Het gaat dan ook primair om een psychiatrische ontregeling, waarvoor psychiatrische zorg noodzakelijk is. Indien die zorg binnen een daarvoor passende context geboden wordt, zal de mate van ontregeling en daarmee het risico van reactieve agressie (vanuit paranoïdie) afnemen, waarbij een geschatte classificatie van een matig risico op agressie resteert. [verdachte] kampt met een chronisch psychiatrische aandoening, die tot uiting komt in de vorm van een ernstige psychotische ontregeling. In eerste instantie is behandeling van deze ontregeling noodzakelijk. Inzet van anti psychotische medicatie binnen een behandelcontext die tegemoetkomt aan de huidige ontregeling is hiervoor nodig. Vervolgens is aanvullende diagnostiek nodig om zicht te krijgen op de nog aanwezige vaardigheden en daarnaast op de beperkingen van [verdachte]. Deze aanvullende diagnostiek is niet zozeer nodig vanuit het oogpunt van risicobeheersing, maar vanuit het oogpunt van behandeling en het bepalen van de meest optimale resocialisatieroute. Een dergelijk behandeltraject kan vorm krijgen binnen een forensisch psychiatrische afdeling zoals FPA [afdeling] en zou kunnen plaatsvinden binnen het kader van een zorgmachtiging. Zowel de psychische problematiek als het risicoprofiel past bij een dergelijke behandelroute binnen het genoemde juridische kader. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming De Raad heeft het volgende over verdachte gerapporteerd. Uit het onderzoek en de contacten met de betrokkenen komt naar voren dat er veel zorgen zijn over het psychisch functioneren en de psychiatrische problematiek van [verdachte] en dat het van belang is dat er een zorgmachtiging wordt aangevraagd, zodat [verdachte] de behandeling krijgt die hij nodig heeft. Dit is door het OM in gang gezet, zodat naar verwachting op korte termijn kan worden overgegaan tot een plaatsing van [verdachte]. Ten aanzien van het strafadvies is de Raad van mening dat het toepassen van het volwassenstrafrecht niet passend is. Gezien de leeftijd van [verdachte] ten tijde van de delicten, evenals het gegeven dat de delicten langere tijd geleden zijn gepleegd en er onvoldoende zicht is verkregen op zijn functioneren in die tijd om vast te stellen of hij destijds als een meerderjarige dader aangemerkt zou kunnen worden dan wel adviezen gegeven kunnen worden over de mate van toerekening, maakt dat het jeugdstrafrecht meer passend is. Indien de zorgmachtiging wordt afgegeven, adviseert de Raad om [verdachte] schuldig te verklaren zonder strafoplegging, dan wel een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die gelijk staat aan het voorarrest. Gezien de huidige situatie van [verdachte] is het namelijk niet mogelijk om hem een andere straf te laten uitvoeren. De jeugddetentie kan wel deels voorwaardelijk worden opgelegd, zodat de jeugdreclassering langere tijd betrokken kan blijven. Hierdoor kan er regie worden gevoerd op het te starten zorgtraject. Indien een voorwaardelijke straf niet mogelijk is, zal tijdens de zitting moeten worden besproken op welke wijze er regie kan worden gevoerd. De rechtbank heeft kennis genomen van de voorgaande adviezen. Zij ziet de noodzaak van stabilisatie en behandeling van verdachte vanwege de psychiatrische problematiek die op dit moment op de voorgrond staat. De rechtbank heeft om die reden bij beschikking van 7 januari 2025 een zorgmachtiging verleend op grond van artikel 2.3 van de Wfz. Alles afwegende legt de rechtbank conform de eis van de officier van justitie in het kader van deze strafzaak aan verdachte een jeugddetentie van vier maanden op, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank vindt toepassing van het jeugdstrafrecht passend, gelet op de leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten. De rechtbank heeft het bevel voorlopige hechtenis bij afzonderlijke beslissing van 7 januari 2025 al opgeheven. 9De beoordeling van de civiele vordering Parketnummer 05/131172-23 De benadeelde partij [aangever 3] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 750,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente. Zij heeft ook oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft gesteld dat het gevorderde bedrag disproportioneel is. Zij heeft de rechtbank gevraagd een lager bedrag aan immateriële schadevergoeding vast te stellen. De beoordeling door de rechtbank De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat: verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen, de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de aanranding is de benadeelde partij op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 500,- vaststellen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Verdachte is wettelijke rente verschuldigd vanaf 24 maart 2022. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel enkel ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van verdachte ten tijde van het strafbare feit wordt geen gijzeling opgelegd. 10De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 246 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. 11De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden; beveelt dat de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht; veroordeelt verdachte in de zaak met parketnummer 05/131172-23 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 3], van een bedrag van € 500, (vijfhonderd euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2022 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; verklaart de benadeelde partij [aangever 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 3], een bedrag te betalen van € 500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2022 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter en kinderrechter), mr. I.D. Jacobs en mr. G.M.L. Tomassen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 januari 2025. mrs. M. Rietveld en G.M.L. Tomassen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Noord- en Oost-Nederland, district IJsselland, recherche Deventer, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020518965, gesloten op 6 april 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1], p. 9 en het proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 1], p. 13. Het proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 2], p. 15. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ([adres 3] [plaats 2]), p. 27 en 28. Het NFI-rapport DNA-onderzoek van 3 december 2020, p. 47 en 48. Het NFI- rapport DNA-onderzoek van 9 december 2022 met bijlage, p. 49 en 51. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Noord- en Oost-Nederland, team Zeden (ON), opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023147510, gesloten op 17 mei 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3], p. 2 zaaksdossier en het proces-verbaal van bevindingen (uitkijken beelden), p. 12 en 13 zaaksdossier.