← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:4999

RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummers: ARN 24/2837 en 24/2954 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaken tussen [eiseres 1] , uit [plaats 1] , [eiseres 2] , uit [plaats 2] ,[eiseres 3

luidt als volgt:

  1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e: (…) c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht: 1°.dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast. Artikel 5.4 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) luidt als volgt:
  2. Het bevoegd gezag houdt bij de bepaling van de voor een inrichting of met betrekking tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken. 2 Indien op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting, waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten als bedoeld in het eerste lid van toepassing zijn, of indien de van toepassing zijnde BBT-conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, stelt het bevoegd gezag de beste beschikbare technieken vast. 3 Bij het vaststellen van de beste beschikbare technieken houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met: a. de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken; b. de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels; c. de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen; d. vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd; e. de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis; f. de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies; g. de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen; h. de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen; i. het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie; j. de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken; k. de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken. (…).”
  3. In de omgevingsvergunning staat dat het college rekening heeft gehouden met de BBT-conclusies Afvalbehandeling 2018, de BREF Op- en overslag bulkgoederen en de BREF Energie-efficiëntie. Daarnaast is rekening gehouden met de Nederlandse richtlijn bodembescherming, PGS 15 en PGS 31 welke in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht zijn aangewezen als BBT-document. Op pagina 48 en 49 van de omgevingsvergunning wordt ingegaan op de BBT en het college concludeert dat de inrichting voldoet aan BBT waarbij voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf in de omgevingsvergunning.
  4. In de stukken bevindt zich een excel-document “IPPC-toets: BREF Afvalbehandeling” (het excel-document) dat door vergunninghouder is opgesteld. Dit stuk maakt ook deel uit van de aanvraag. Eisers 2 hebben aangegeven dat dit document op een groot aantal punten niet klopt of niet duidelijk is. Daarover overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat dit stuk onderdeel uitmaakt van de aanvraag niet betekent dat dit document de motivering vormt die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. De motivering met betrekking tot BBT staat namelijk in de verschillende paragrafen van de omgevingsvergunning. In die omgevingsvergunning wordt voor de motivering van de toets aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling 2018 ook niet verwezen naar het door eisers aangehaalde excel-document. Omdat dit document voor wat betreft de toets aan de BBT-afvalbehandeling niet de motivering van de omgevingsvergunning bevat, laat de rechtbank alles wat eisers 2 met betrekking tot dit document onder nummer 76 in het beroepschrift hebben aangevoerd buiten beschouwing.
  5. Eisers 2 betogen dat alle BBT-conclusies uit de BBT Afvalbehandeling expliciet in de vergunning moeten worden opgenomen, waaronder BBT-conclusie 1 over een milieubeheersysteem. 40.
  6. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de uitspraak van 18 februari 2025 is een kale verwijzing naar een nummer van een toepasselijke BBT-maatregel geen (handhaafbaar) vergunningvoorschrift maar bevat dit alleen een omschrijving van de meest doeltreffende technieken en maatregelen die beschikbaar zijn in een branche. Dit is niet toegespitst op de inrichting in kwestie. Het bestuursorgaan kan dus niet volstaan met het opnemen van BBT-conclusies in de vergunningvoorschriften maar dient daaraan te toetsen en te beoordelen of en hoe deze moeten doorwerken in de milieuvergunning. In deze zaak is terecht niet volstaan met een enkele verwijzing naar de BBT-conclusies. Eisers 2 hebben verder niet nader onderbouwd op welke punten niet wordt voldaan aan de betreffende BBT-conclusies. De verwijzing naar het excel-document, zonder nadere concretisering naar de motivering in de omgevingsvergunning en de aan die omgevingsvergunning verbonden voorschriften, acht de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, dan ook onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
  7. Eisers 1 en 2 betogen dat door de toepassing van geurreducerende maatregelen op de kalverenstallen een veel lagere geurbelasting zou kunnen worden bereikt. Het niet toepassen van deze geurreducerende maatregelen is volgens eisers niet BBT. Volgens eisers zijn de geur- en ammoniakreductiepercentages van de luchtwasser op de mestverwerkingsinstallatie daarnaast niet BBT. Het is volgens eisers mogelijk om zowel de geur- als stikstofemissie verder te reduceren met een drietraps-luchtwasser, een biofilter en door de tanks te overdekken. 41.
  8. De rechtbank overweegt dat eisers voor wat betreft de kalverhouderij niet nader hebben onderbouwd aan welk BBT-document niet wordt voldaan en uit welke BBT-conclusie volgt dat een luchtwasser BBT is. De rechtbank merkt daarbij op dat de BBT conclusie voor de intensieve pluimvee- of varkenshouderij niet van toepassing is op een kalverhouderij. Ook voor wat betreft de mestverwerkingsinstallatie hebben eisers niet nader onderbouwd met welke BBT-conclusies de omgevingsvergunning in strijd is. De rechtbank overweegt daarnaast dat de omstandigheid dat een betere luchtwasser bestaat niet betekent dat andere luchtwassers niet BBT zijn. De beroepsgrond slaagt niet. BBT afvalwater
  9. Eisers 1 betogen dat ten onrechte niet is getoetst aan het document “Het aanwijzen van BBT voor effluentbehandeling bij mestverwerkingsinstallaties” van 19 december
  10. Volgens eisers 1 kon het college niet volstaan met het opnemen van voorschrift 4.2 maar had het college in deze omgevingsvergunning al aan dit document moeten toetsen. 42.
  11. Voorschrift 4.2.1 en 4.2.2 luiden als volgt: “4.2.1 Binnen drie maanden na het in werking treden van deze omgevingsvergunning moet vergunninghouder een plan van aanpak hebben opgesteld en ter goedkeuring aan het bevoegd gezag hebben overlegd. Met het plan van aanpak moet met toepassing van nageschakelde technieken worden voldaan aan de emissiegrenswaarden uit tabel 2 van hoofdstuk 4 van "Het aanwijzen van BBT voor effluentbehandeling bij mestverwerkingsinstallaties", december
  12. 4.2.2 Binnen één maand na het in werking treden van deze omgevingsvergunning moet vergunninghouder een concept plan van aanpak, zoals bedoeld in voorschrift 4.2.1 aan het bevoegd gezag hebben overlegd.” 42.
  13. In de paragraaf “afvalwater” staat met betrekking tot het door eisers 1 aangehaalde document het volgende: “Het Bestuurlijk Overleg Water heeft op 19 december 2022 de notitie 'Het aanwijzen van BBT voor effluentbehandeling bij mestverwerkingsinstallaties' vastgesteld. Deze notitie beschrijft welke technieken worden aangemerkt als de beste beschikbare technieken (BBT) om emissies bij lozingen van het vrijkomende water uit mestverwerkingsinstallaties (MVI's) te minimaliseren. Bij publicatie in een wettelijke regeling krijgt deze notitie de wettelijke status. Tot zolang worden de in deze notitie geselecteerde technieken als beste beschikbare technieken geïnterpreteerd. Vooruitlopend op publicatie van dit BBT-document nemen wij een voorschrift in de vergunning op dat beoogt te onderzoeken of de installatie voldoet aan de hierin beschreven beste beschikbare technieken.” In de zienswijzenota is daarnaast aangegeven dat de Membraan Bio Reactor (MBR) en Reserved Osmose-installatie (OO) op de tekeningen zijn ingetekend maar dat deze installaties niet worden aangevraagd en daarom geen onderdeel uitmaken van de aanvraag. 42.
  14. Met betrekking tot de toetsing aan het document “Het aanwijzen van BBT voor effluentbehandeling bij mestverwerkingsinstallaties” van 15 september 2021 stelt de rechtbank vast dat dit document niet is opgenomen als BBT-document in bijlage I bij de Regeling omgevingsrecht zodat op grond van artikel 5.4, eerste lid, van het Bor en bijlage I bij de Regeling omgevingsrecht niet aan dit document hoeft te worden getoetst. De rechtbank begrijpt de verwijzing in de omgevingsvergunning naar dit document aldus dat het college van oordeel is dat de van toepassing zijnde BBT-conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen zodat het bevoegd gezag voor wat betreft de lozing van afvalwater op grond van artikel 5.4, tweede lid, van het Bor aan de hand van het achtergronddocument zelf de BBT heeft vastgesteld en daarbij het document als uitgangspunt neemt voor BBT. Dat verklaart ook waarom het college een voorschrift heeft opgenomen waaruit volgt dat het bedrijf een plan van aanpak moet opstellen teneinde te voldoen aan dit document. De rechtbank is het met eisers 1 eens dat het college de aanvraag, nu zij dit document hanteert als BBT voor mestverwerkingsinstallaties, ook aan dit document had moeten toetsen. Het college kan niet volstaan met het doorschuiven van die toets naar de toekomst. Tegen een later opgesteld plan van aanpak staat immers geen rechtsbescherming open. Omdat het college niet nader heeft gemotiveerd welke zuiveringstechnieken worden toegepast en in hoeverre een (ongezuiverde) lozing op het riool voldoet aan het document dat het college als BBT-document aanmerkt, is het besluit op dit punt in strijd met het motiveringsbeginsel. In rechtsoverweging 57 is aangeven wat de gevolgen hiervan zijn. Milieueffectrapport
  15. Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de aangevraagde activiteit valt onder categorie D18.1 van het Besluit MER zodat een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Vergunninghouder heeft de voorgenomen activiteit op 30 oktober 2018 aangemeld met een aanmeldingsnotitie met bijlagen en op 26 maart 2019 heeft het college met toepassing van artikel 7.17, derde lid, van de Wet milieubeheer en aan de hand van de in bijlage III van de MER-richtlijn opgenomen criteria besloten dat voor de voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. In het MER-beoordelingsbesluit wordt ingegaan op de milieugevolgen van de inrichting, waaronder geluidhinder, (cumulatie van) geurhinder en de emissies naar de lucht. Na dit MER-beoordelingsbesluit zijn naar aanleiding van de PAS-uitspraak de aanvraag en de aanmeldingsnotitie aangepast. De aanpassing betreft de volgende onderdelen: er worden 30 vleeskalveren minder gehouden; een voerstation met vijzels voor vast voeder wordt in gebruik genomen; het mestverwerkingsproces is gewijzigd: de mest wordt met een zeefbandpers na de biologische mestverwerking gescheiden; de proceslucht van de hygiënisatie/drooginstallatie wordt na ontvochtiging meer gerecirculeerd en het restant van de proceslucht is gekoppeld aan de blower van de biologische verwerking; het condensvocht uit de ontvochtiger wordt geloosd op riolering; er wordt een extra in-/uitrit en erfverharding aangelegd naar de mestverwerkingsinstallatie. Het college heeft de aanpassingen van het project getoetst aan de criteria van bijlage III bij de MER-richtlijn en geoordeeld dat het project, ook met deze aanpassing, niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die met een milieueffectrapport nader onderzocht moeten worden. Is er sprake van een MER-plicht?
  16. Eisers 2 betogen dat sprake is van een geïntegreerde chemische installatie waardoor de inrichting onder categorie C21.6, onder c, van het Besluit MER valt. Er is daardoor sprake van een MER-plicht. Volgens eiseres is deze installatie complexer dan de mestverwerkingsinstallatie waarvan de Afdeling in de uitspraak van 22 juli 2022 heeft geoordeeld dat sprake was van een geïntegreerde chemische installatie. Eisers 2 betogen subsidiair dat ten onrechte in het verleden geen MER is opgesteld en deze schending van richtlijn 2011/92/EU dient ongedaan te worden gemaakt. 44.
  17. Categorie C21.6 van bijlage 1 bij het Besluit MER luidt als volgt: “De oprichting van een geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van: (…) c. fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen), (…). Categorie D21.6 luidt als volgt: “De wijziging of uitbreiding van een geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van: (…) c. fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen), (…). 44.
  18. De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van een uitbreiding van een mestverwerkingsinstallatie en niet van het oprichten, zodat als er sprake zou zijn van een geïntegreerde chemische installatie een MER-beoordelingsplicht en niet een MER-plicht geldt. Deze MER-beoordeling heeft het college ook verricht. Naar het oordeel van de rechtbank is deze mestverwerkingsinstallatie, anders dan de mestverwerkingsinstallatie in de genoemde uitspraak, ook niet aan te merken als een geïntegreerde chemische installatie omdat de installatie niet is bestemd voor de fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen. Omdat geen sprake is van een geïntegreerde chemische installatie laat de rechtbank het subsidiair aangevoerde betoog buiten beschouwing. De beroepsgrond slaagt niet. MER-beoordelingsplicht
  19. Eisers betogen dat een milieueffectrapport noodzakelijk is vanwege de belangrijke nadelige gevolgen van de inrichting voor het milieu. Het college heeft volgens eisers in de MER-beoordeling onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de inrichting deze nadelige gevolgen niet heeft. Eisers 2 voeren in dat verband aan dat: er geen sprake is van een afname van geluid maar van een toename. Er wordt in de motivering niet ingegaan op de belasting op woning van eisers, maar enkel op twee woningen die verder weg gelegen zijn. De motivering over geluid steunt verder op de redenering dat geluid wegvalt tegen de 50 dB(A) contour van een bedrijventerrein, terwijl een hogere piekbelasting dan 50 dB(A) mogelijk wordt gemaakt en op het bedrijventerrein geen sprake is van hoge belasting in de nacht. In de MER-aanmeldnotitie wordt slechts aangegeven dat aan de normen wordt voldaan maar uit het geluidrapport volgt volgens eisers het tegenovergestelde. cumulatie van geurbelasting ten onrechte niet is onderzocht. Ook staat in de MER-aanmeldnotitie dat bij de veehouderij een luchtwasser wordt geplaatst maar dit is onjuist. Het weglaten van de luchtwasser een wijziging is ten opzichte van het plan ten tijde van de MER-beoordeling, welke niet is beoordeeld in de omgevingsvergunning. Verder verwijzen eisers naar de beroepsgronden die zij met betrekking tot het geuronderzoek hebben aangevoerd. ten onrechte niet is ingegaan op eerdere beoordelingen die zijn verricht met betrekking tot de agrarische bedrijven aan de [locatie 2] en [locatie 4] . ten onrechte geen rekening is gehouden met de ligging in de nabijheid van de bebouwde kom van [plaats 1] . geen aandacht is gegeven aan mogelijkheden om de milieueffecten doeltreffend te verminderen. de kenmerken van het project niet goed in kaart zijn gebracht. Volgens eisers klopt de massabalans niet omdat er aanzienlijk meer mest inkomt dan eruit gaat. Eisers 1 betogen daarnaast dat er sprake is van een kennislacune met betrekking tot de verspreiding van zoönosen voor de specifieke bedrijfsopzet van vergunninghouder en dat daarom een MER had moeten worden opgesteld. Volgens eisers 1 kan door mutaties van het vogelgriepvirus een nieuw type virus kan ontstaan waarbij overdracht van mens-op-mens mogelijk wordt en dat door de Gezondheidsdienst Zeeland vooral varkens worden aangewezen als potentieel mengvat voor dit type influenzavirussen en de mestverwerkingsinstallatie ook varkensdrijfmest verwerkt. Volgens eisers 1 zijn runderen daarnaast potentiële besmettingsbronnen voor de Q-koorts bacterie. 45.
  20. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 25 november 2020 kan de vraag of de inrichting zal kunnen voldoen aan de daarvoor geldende milieuregels niet worden gelijkgesteld met de vraag of zich belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen, die nopen tot het maken van een milieueffectrapport. De omstandigheid dat wordt voldaan aan de milieuregels kan wel worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt daarnaast dat de milieugevolgen vanwege de inrichting in de reeds vergunde situatie als uitgangspunt dienen te worden genomen bij de vraag of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Als de wijziging ten opzichte van de reeds vergunde situatie leidt tot een afname van de milieugevolgen, dan heeft de wijziging geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dat na de wijziging een overbelaste geursituatie blijft bestaan, is in het kader van de procedure over verlening van een omgevingsvergunning geen grond om een milieueffectrapport te eisen en op die manier te bewerkstelligen dat in de inrichting verdergaande geurreducerende maatregen worden getroffen. Geluid 45.
  21. In het MER-beoordelingsbesluit staat het volgende met betrekking tot “geluid”: “De genoemde dichtstbijzijnde agrarische bedrijven in het buitengebied liggen binnen de 50 dB(A) geluidcontour van de [naam bedrijventerrein] . De geluidbelasting van bedrijven op de [naam bedrijventerrein] is daarmee hoger dan 50 dB(A) op de agrarische bedrijven in de directe omgeving van Ottink. De gevraagde verandering van Ottink leidt tot een afname van het geluidimmissie ten opzichte van de in 2015 verleende omgevingsvergunning. De totale geluidbelasting van [derde-partij] op dezelfde agrarische bedrijven blijft minder dan de 50 dB(A) in de dagperiode. De woningen [locatie 5] , [locatie 6] en volgende zijn gelegen buiten de 50 dB(A) geluidzone van het bedrijventerrein de [naam bedrijventerrein] . En ook voor deze woningen in het buitengebied geldt een afname van de geluidimmissie van Ottink ten opzichte van de vergunde situatie uit
  22. Er is derhalve geen sprake van ongeoorloofde cumulatie van geluidhinder.” 45.
  23. Uit het geluidonderzoek volgt dat zowel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als het maximale geluidsniveau op de [locatie 3] en [locatie 2] afneemt ten opzichte van de in 2015 vergunde situatie (zie pagina 7 van het geluidonderzoek). Uit het geluidonderzoek blijkt niet of deze afname ook geldt voor andere geluidgevoelige objecten, zoals de woning van eisers
  24. Uit het geluidonderzoek volgt echter ook niet, zoals eisers 2 stellen, dat de geluidbelasting toeneemt. De rechtbank is van oordeel dat het college, gelet op de afname van de geluidbelasting op de meest geluidbelaste woningen en de omstandigheid dat voor de overige geluidgevoelige objecten voor de representatieve bedrijfssituatie (ruimschoots) wordt voldaan aan de geluidnormen, afdoende heeft gemotiveerd dat ten opzichte van de vergunde situatie geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De rechtbank heeft eerder in deze uitspraak al overwogen dat op de woning van eisers 2 zowel voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau ruimschoots wordt voldaan aan de geluidnormen voor de representatieve bedrijfssituatie (RBS). Ook voor de incidentele bedrijfssituatie (IBS) wordt voldaan aan de geluidnormen op hun woning. Gelet hierop bestond er geen aanleiding om hun woning te benoemen in het MER-beoordelingsbesluit. De beroepsgrond slaagt niet. Geur 45.
  25. Met betrekking tot de geurhinder wordt in het MER-beoordelingsbesluit aangegeven dat na het treffen van de genoemde reductiemaatregelen ter plaatse van geurgevoelige objecten in de omgeving voldaan kan worden aan de richt- en grenswaarden van de beleidsregels. Ook voor wat betreft geur heeft het college overwogen dat als gevolg van de aangevraagde geurmaatregelen de geuremissie afneemt, zodat er geen noodzaak bestaat dit aspect nader te onderzoeken in een MER. 45.
  26. De rechtbank stelt vast dat in de aanmeldnotitie van juli 2022 naast een luchtwasser op de mestverwerkingsinstallatie ook nog werd uitgegaan van een luchtwasser op stal
  27. Deze luchtwasser is op een later moment uit de aanvraag gehaald. De rechtbank stelt ook vast dat de luchtwasser op stal 5 niet is betrokken in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde geuronderzoek van 27 januari
  28. In het bestreden besluit heeft het college naar aanleiding van de diverse wijzigingen beoordeeld of de aanpassingen van het project aanleiding geven om de MER-beoordeling te herzien. Bij deze beoordeling is, aangezien in het geuronderzoek de luchtwasser op stal 5 niet is meegenomen, uitgegaan van de aangevraagde situatie. De rechtbank ziet daarom in de onjuistheid in de aanmeldnotitie geen aanleiding om de conclusies in de MER-beoordeling voor onjuist te houden. 45.
  29. Zoals de rechtbank in het kader van de beroepsgronden met betrekking tot “geur” heeft overwogen, heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat voldaan wordt aan de richt- en grenswaarden uit de beleidsregels. Er zijn namelijk meerdere woningen, waaronder die van eisers 2, waar zowel de streef-, richt- als grenswaarden worden overschreden. Zoals eisers 2 daarnaast terecht hebben aangegeven, is er niet overal sprake van een afname van de geurbelasting, nu voor sommige woningen in de 99,5-percentielwaarde sprake is van een toename in de geurbelasting. Het is dus onjuist dat de geurbelasting van het bedrijf afneemt. Weliswaar is voor de 98-percentielwaarde wel sprake van een afname maar de toets die in het kader van de MER-beoordeling moet worden verricht, is niet slechts een toets aan de waarden in het geurbeleid. De rechtbank stelt verder vast dat in het MER-beoordelingsbesluit en de aanmeldnotitie de geurbelasting ten gevolge van de verschillende veehouderijen in de omgeving weliswaar wordt benoemd maar dat deze achtergrondbelasting niet in kaart is gebracht. In het geuronderzoek is ook alleen de cumulatieve geurbelasting van de kalverhouderij en de mestverwerkingsinstallatie onderzocht, maar niet de geurbelasting van het bedrijf van vergunninghouder in combinatie met andere omliggende veehouderijen. Omdat, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, het onjuist is dat de geurbelasting afneemt, is ook de stelling in de aanmeldnotitie dat de cumulatieve geuremissie zal afnemen onvoldoende gemotiveerd. In het bestreden besluit is daarom naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat er voor wat betreft het aspect “geur” geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De beroepsgrond slaagt in zoverre. In rechtsoverweging 57 is aangeven wat de gevolgen hiervan zijn. Volksgezondheid 45.
  30. In het MER-beoordelingsbesluit staat dat de hygiënisatie ervoor zorgt dat pathogenen (bacteriën, virussen) in de mest worden gedood en dat voldaan wordt aan Europese gezondheidsvoorschriften. 45.
  31. De rechtbank is van oordeel dat het college met de enkele verwijzing naar de hygiënisatie onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom de inrichting geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft op het punt van in het afvalwater potentieel voorkomende zoönosen. Zoals de rechtbank in het kader van de beroepsgrond over de BBT voor het afvalwater heeft overwogen, heeft het college niet getoetst aan het BBT-document en niet aangegeven welke zuiveringstechnieken worden gebruikt om het aantal bacteriën en virussen te verminderen die zich bevinden in het afvalwater dat op het riool wordt geloosd. Zodoende is geen inzicht gegeven in de afweging waarom de stoffen in het afvalwater geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zouden kunnen hebben, die nader onderzoek in een MER rechtvaardigen. Zie ter vergelijking de uitspraak van de rechtbank van 27 juni
  32. De beroepsgrond slaagt in zoverre. In rechtsoverweging 57 is aangeven wat de gevolgen hiervan zijn Overige gronden 45.
  33. In het MER-beoordelingsbesluit wordt ingegaan op de locatie van het project waarbij ook de ligging ten opzichte van de bebouwde kom, op 350 meter ten zuiden van het bedrijf, wordt benoemd. Het betoog van eisers 2 mist in zoverre feitelijke grondslag. Eisers 2 hebben verder niet nader onderbouwd waarom eerdere beoordelingen die zijn verricht met betrekking tot de agrarische bedrijven aan de Oude Borculoseweg voor de MER-beoordeling van belang zouden zijn en waarom de omstandigheid dat er volgens eisers 2 meer mest inkomt dan uitgaat zou leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Maatregelen ter vermindering van de milieueffecten hoeven daarnaast niet in de MER-beoordeling te worden betrokken. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet. Verklaring van geen bedenkingen gemeenteraad Legalisering illegaal gebruik
  34. Eisers 1 betogen dat de gemeenteraad door het legaliseren slecht gedrag beloont. 46.
  35. De omstandigheid dat in strijd wordt gehandeld met het bestemmingsplan, waardoor er sprake is van een illegale situatie, maakt niet dat de gemeenteraad reeds daarom de VVGB moet weigeren. De gemeenteraad dient ook bij illegaal gebruik te beoordelen of zij de ontwikkeling in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank zal hierna ingaan op wat eisers hebben aangevoerd met betrekking tot deze VVGB. Afwijken van kruimelgevallenbeleid
  36. Eisers 1 betogen dat de gemeenteraad met het verlenen van de VVGB in strijd handelt met de op februari 2021 vastgestelde beleidsregels. 47.
  37. Zoals de rechtbank op de zitting heeft aangegeven is de voorliggende omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemming verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o,

. Het beleid waar eisers 1 naar verwijzen ziet op de toepassing van de zogenaamde “kruimelgevallenafwijking” van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o

in samenhang met artikel 4 van bijlage II bij het Bor. Dit beleid is op de voorliggende omgevingsvergunning dus niet van toepassing zodat de omgevingsvergunning hiermee ook niet in strijd kan zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Strijd met bestemmingsplan

  1. Eisers 1 betogen dat de gemeenteraad in strijd handelt met de uitgangspunten uit het vigerende bestemmingsplan en zij stelt dat het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd is met artikel 3 . 3 , onderdeel b, van het bestemmingsplan “Buitengebied”. Het bouwplan is daarnaast in strijd is met het bestemmingsplan omdat de maximale oppervlakte van het bouwvlak van 1 hectare wordt overschreden. 48.
  2. De rechtbank overweegt dat voor de afwijking van het bestemmingsplan juist de voorliggende omgevingsvergunning is verleend. Eisers 1 hebben niet nader onderbouwd waarom een bouwvlak groter dan 1 hectare in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Tot slot merkt de rechtbank op dat artikel 3 . 3 een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid betreft en geen planregel zodat daaraan niet wordt getoetst. De beroepsgrond slaagt niet. Milieuzonering
  3. Eisers 2 betogen dat op pagina 45 van de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat niet wordt voldaan aan de richtafstanden voor geur maar dat daar verder geen gevolg aan wordt gegeven. 49.
  4. In de ruimtelijke onderbouwing heeft het college overwogen dat niet aan de richtafstanden wordt voldaan voor wat betreft de aspecten “geluid” en “geur”. Op deze punten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd waarin wordt aangegeven dat desondanks voldaan wordt aan de geluid- en geurnormen. Op de betogen van partijen die zien op deze aspecten is de rechtbank eerder in deze uitspraak ingegaan. Geluid
  5. Eisers 2 betogen dat geen rekening is gehouden met piekgeluiden en dat ook in de VVGB wordt miskend dat de nieuwe geluidsvoorschriften een verruiming vormen ten opzichte van de bestaande situatie. 50.
  6. In het geluidrapport van 5 december 2023, dat in de ruimtelijke onderbouwing die ten grondslag ligt aan de VVGB is beoordeeld, is naar aanleiding van zienswijzen een nadere toelichting gegeven op de IBS. De beroepsgronden van eisers tegen dit geluidonderzoek zijn eerder in de uitspraak al aan bod gekomen. Zoals de rechtbank eerder in deze uitspraak al heeft overwogen maakt de enkele omstandigheid dat de geluidbelasting toeneemt niet dat een project in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De beroepsgrond slaagt niet. Omgevingsvergunning voor activiteit “natuur”
  7. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning voor de activiteit “natuur” ten onrechte is verleend, gelet op de gewijzigde rechtspraak over het beoordelingskader voor de natuurvergunningplicht die is neergelegd in de uitspraken van de Afdeling van 18 december
  8. Artikel 2.7 van de Wnb (natuurvergunningplicht) luidt als volgt: “(…) 2 Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. 3 Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan artikel 2.8.” Artikel 2.8 Wnb (passende beoordeling) luidt als volgt: “1 Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. (…) 3 Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.” Het (oude) beoordelingskader
  9. Voorheen was het vaste rechtspraak dat voor de vraag of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat (de wijziging van) een project significante gevolgen heeft, een vergelijking gemaakt mag worden van de gevolgen van het toegestane project in de referentiesituatie en de gevolgen van het project na wijziging. Onder deze jurisprudentie werd - voor de vraag of de wijziging of uitbreiding van een project significante gevolgen kan hebben - een vergelijking gemaakt van de gevolgen van het toegestane project in de referentiesituatie en de gevolgen van het project na wijziging of uitbreiding. In de referentiesituatie gaat het daarbij om de gevolgen van activiteiten die zijn toegestaan op dezelfde locatie als de aangevraagde activiteit en die door de aangevraagde activiteit zullen veranderen (waarvoor de aangevraagde activiteit rechtstreeks gevolgen heeft). Met andere woorden: het gaat om een vergelijking van de emissies/deposities die zijn toe te rekenen aan de aangevraagde situatie met de emissies/deposities van een op dezelfde locatie toegestane activiteit die als gevolg van de aangevraagde situatie zal veranderen. Deze vergelijking van de gevolgen van de beoogde situatie met de gevolgen in de referentiesituatie wordt intern salderen genoemd. De referentiesituatie wordt ontleend aan de natuurvergunning voor het toegestane project op de locatie waar de beoogde activiteit is voorzien. De referentiesituatie wordt bij het ontbreken van een natuurvergunning ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum (dat is het moment waarop artikel 6 van de Hrl van toepassing werd op het betrokken Natura 2000-gebied). Onder het verlenen van een milieutoestemming moet de vergunning of de melding op basis van de Wet milieubeheer of de daaraan voorafgaande Hinderwet worden verstaan. Wanneer daarna een milieutoestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen voor Natura 2000-gebieden dan de op de referentiedatum toegestane activiteit, geldt die latere toestemming als referentiesituatie.
  10. Het college heeft in het bestreden besluit dit beoordelingskader toegepast. Vergunninghouder beschikt over een natuurvergunning van 31 juli 2014 voor een kalverhouderij met 2.154 vleeskalveren en een mestverwerkingsinstallatie met een capaciteit van 36.000 m³. Dit is de referentiesituatie. Het college heeft in het bestreden besluit deze referentiesituatie afgezet tegen de aangevraagde situatie met 2.124 vleeskalveren en de gewijzigde mestverwerkinginstallatie. In de bij het besluit behorende AERIUS-berekening leidt dit tot de volgende emissies: Volgens het college blijkt uit de AERIUS-verschilberekening voor de gebruiksfase dat de deposities in Natura 2000-gebieden niet toenemen als gevolg van de activiteiten. De aangevraagde activiteit leidt daarom volgens het college niet tot significante effecten op instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden. Gewijzigde rechtspraak
  11. De Afdeling heeft op 18 december 2024 twee richtinggevende uitspraken gedaan met betrekking tot het beoordelingskader voor de natuurvergunningplicht. Met deze uitspraken is de rechtspraak over intern salderen zoals uiteengezet in de Logtsebaan-uitspraak gewijzigd. In overweging 1.4 tot en met 1.7 van de Rendac-uitspraak is dit als volgt samengevat: “1.
  12. De Afdeling komt in deze uitspraak tot de conclusie dat er aanleiding is om haar rechtspraak over intern salderen te wijzigen. Die wijziging houdt kort gezegd in dat de referentiesituatie niet mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. In de voortoets mag dus, anders dan voorheen, voor de beoordeling of significante gevolgen zijn uitgesloten, geen vergelijking worden gemaakt van de gevolgen van de bestaande vergunde situatie en de gevolgen van het project na wijziging. Dit betekent dat voortaan in de voortoets bij de beoordeling of significante gevolgen op voorhand zijn uitgesloten, de gevolgen van het project op zichzelf worden onderzocht. Als uit de voortoets volgt dat significante gevolgen niet op voorhand zijn uitgesloten, dan is voor het project een natuurvergunning nodig. Die zal dus vaker dan voorheen nodig zijn. Dit is uitgewerkt in 17-17.
  13. 1.
  14. Het voorgaande betekent niet dat de referentiesituatie geen enkele rol speelt bij de beoordeling van de gevolgen van een project. Intern salderen met de referentiesituatie mag als mitigerende maatregel betrokken worden in de passende beoordeling van de gevolgen van het project. Voor de wijze waarop de omvang van de referentiesituatie van intern salderen als mitigerende maatregel wordt bepaald en de voorwaarden waaronder intern salderen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling mag worden betrokken, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de voorwaarden die gelden voor extern salderen. Dat is uitgewerkt in 18-21.
  15. 1.
  16. De uitspraak heeft tot gevolg dat de omvang van de referentiesituatie die voor intern salderen mag worden ingezet in bepaalde gevallen beperkter is dan voorheen. Verder heeft het bevoegd gezag als gevolg van de vergunningplicht die in veel gevallen zal ontstaan, de mogelijkheid om de omvang van de referentiesituatie die voor intern salderen mag worden ingezet verder te beperken, omdat het bij de vergunningverlening beleid kan voeren over de inzet van intern salderen als mitigerende maatregel. Op deze wijze kan de inzet van niet benutte vergunde ruimte verder worden beperkt of verplicht worden tot het afromen van vergunde ruimte. Ter vergelijking verwijst de Afdeling naar het beleid dat provincies voeren over extern salderen. 1.
  17. De uitspraak heeft ook tot gevolg dat intern salderen alleen kan als voldaan is aan het additionaliteitsvereiste. Dat betekent dat intern salderen alleen als mitigerende maatregel kan worden ingezet als de wijziging of beëindiging van de bestaande vergunde situatie niet nodig is als instandhoudings- of passende maatregel. Dit dient steeds in het concrete geval bij de inzet van intern salderen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling beoordeeld en gemotiveerd te worden. De Afdeling wijst erop dat een in uitvoering zijnd plan, programma of pakket van maatregelen waarin gemotiveerd wordt welke instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen die nodig zijn om uitvoering te geven aan artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn worden getroffen, behulpzaam kan zijn bij de beoordeling of voldaan is aan het additionaliteitsvereiste.”
  18. De wijziging van de rechtspraak over intern salderen is direct van toepassing in lopende natuurvergunningprocedures en dus ook op deze zaak. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een nieuw project en dat vanwege de stikstofdepositie van 1,54 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied “Buurserzand en Haaksbergerveen” sprake is van significante negatieve effecten zodat er sprake is van een natuurvergunningplicht en er een passende beoordeling moet worden verricht. De beroepsgrond van eisers slaagt dan ook. Hieronder is aangegeven wat hiervan de gevolgen zijn. Conclusie en gevolgen
  19. Het beroep is gegrond gelet op het bepaalde in overwegingen 33.2, 34.6, 34.7, 45.6, 45.8 en
  20. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om over te gaan tot finale geschilbeslechting. Het college dient namelijk de aspecten “geur” en “afvalwater” opnieuw te beoordelen. Het is onzeker of de omgevingsvergunning in deze vorm doorgang kan vinden gelet op de beoordeling die het college met betrekking tot de toets aan het geurbeleid en de toets aan het BBT-document dient te verrichten. Ook de MER-beoordeling vertoont op deze punten gebreken. Tot slot dient het college in het kader van de natuurvergunning een passende beoordeling te verrichten. Ook daarom ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding voor finale geschilbeslechting. De rechtbank laat de aanvullende beroepsgronden van eisers met betrekking tot de natuurvergunning buiten beschouwing. Deze kan het college betrekken in een eventueel nieuw te nemen besluit. Het college dient dus een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. 57.
  21. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers 2 krijgen daarnaast een vergoeding van proceskosten in verband met kosten voor rechtsbijstand. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand krijgen eisers 2 een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt daarom € 1.814,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt het besluit van 22 maart 2024; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eisers 1 moet vergoeden; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers 2 moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers
  22. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzitter, mr. A.L.M. Steinebach – de Wit en mr. G.J. Krens, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Artikel 2.1, eerste lid, onder c in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o,

Artikel 2

.1, eerste lid, onder e,

Artikel 2

.1, eerste lid, onder i,

in samenhang met artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht (Bor) Artikel 2.2, eerste lid, onder e,

Artikel 2

.1, eerste lid, onder c,

Artikel 2

.1, eerste lid, onder e,

ECLI:NL:RBGEL:2025:1282. Categorie D18.1 ziet op de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) ECLI:NL:RVS:2022:2157 ECLI:NL:RVS:2020:2819 Inmiddels spreekt de wet van “belangrijke gevolgen” (Artikel VI, onderdelen Aa en Ab, van de Wet van 5 april 2023, houdende wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Stb. 2023, 148.) De wetswijziging is op 1 juli 2023 in werking getreden (Stb. 2023, 149). Zie overweging 6 van de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3072 Zie paragraaf 4.2.4 (p. 16 e.v.) van de aanmeldingsnotitie “Achtergrondbelasting (cumulatieve geurhinder)” ECLI:NL:RBGEL:2019:2845 ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923 Zie de Logtsebaan-uitspraak van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71). ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.