RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/5135 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats 1], eiseres (gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem (gemachtigde: mr. E. Nijhuis). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en de erven van [derde-partij 2] uit [plaats 2] (derde-partij) (gemachtigde: [naam gemachtigde]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een aan eiseres opgelegde last onder dwangsom in verband met kinderopvang in strijd met het bestemmingsplan. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de last onder dwangsom. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat kinderopvang niet in strijd is met het bestemmingsplan. Het college was daarom niet bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 16 augustus 2023 heeft het college het verzoek om handhaving van de derde-partij afgewezen. Met de beslissing op het bezwaar van de derde-partij van 19 juni 2024 heeft het college alsnog een last onder dwangsom opgelegd aan eiseres. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. 2.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 28 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar gemachtigde en [persoon A], de gemachtigde van het college en derde-partij en haar gemachtigde. 2.4. Na de zitting heeft de rechtbank aanleiding gezien de zaak te heropenen en de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer. De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 20 juni 2025 opnieuw gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiseres heeft een kinderopvangorganisatie. De kinderopvang vond plaats in de [school] aan de [locatie] in [plaats 2]. De derde-partij woont hiernaast en heeft een verzoek om handhaving ingediend. 3.1. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Kern Epse 2010”. Het perceel waarop de school staat heeft de enkelbestemming “Maatschappelijk” , met de functieaanduiding “onderwijs” en de dubbelbestemming “Waarde- Archeologie” . Ook zijn het paraplubestemmingsplan Archeologie, met enkelbestemming “Waarde- Archeologie 5” en het parapluplan Parkeernormen van toepassing. 3.2. Nadat de derde-partij tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving bezwaar heeft gemaakt, heeft het college alsnog een last onder dwangsom opgelegd aan eiseres. De last onder dwangsom ziet op het staken en gestaakt houden van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, namelijk het gebruik als kinderopvang. Aan deze last heeft het college een dwangsom verbonden van € 15.000,- per 4 weken met een maximum van € 60.000,-. Het college heeft hierbij een begunstigingstermijn gegeven tot 1 oktober 2024. 3.3. Eiseres heeft een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft de last onder dwangsom geschorst tot het moment dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure of het beroep is ingetrokken. Wat is de strekking van de last? 4. De rechtbank stelt vast dat de last ertoe strekt om activiteiten met betrekking tot ‘kinderopvang’ in algemene zin te staken. Dit betekent dat zowel het gebruik als kinderdagverblijf (kdv) als een buitenschoolse opvang (bso) op grond van de beslissing op bezwaar gestaakt moet worden en gestaakt moet blijven. Het college heeft dit tijdens de zitting bevestigd. Hoewel het college tijdens de zitting ook heeft aangegeven dat mogelijk had kunnen volstaan met de last om de bso te staken, heeft het college hier in de beslissing op bezwaar niet voor gekozen. De rechtbank gaat hierna dan ook uit van de brede reikwijdte van de opgelegde last. Wat zegt het bestemmingsplan? 5. Eiseres voert aan dat uit de toelichting van het bestemmingsplan volgt dat het niet de bedoeling is kinderopvang ter plaatse weg te bestemmen. Ook brengt een normale lezing van artikel 9.1 van het bestemmingsplan met zich dat de gronden zijn bestemd voor een onderwijsinstelling ter plaatse van de aanduiding “onderwijs”, én zorgwoningen ter plaatse van de aanduiding “zorgwoning” én activiteiten gericht op sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder volgens eiseres onder meer moet worden begrepen jeugd- en kinderopvang en onderwijs. Het college leest hier ten onrechte “óf” in plaats van “én”. Eiseres betoogt daarnaast dat bso behoort tot het normale takenpakket van een basisschool en dus in het bestemmingsplan past. Het bestemmingsplan bevat geen begripsbepaling voor wat er onder “onderwijsinstelling” moet worden verstaan. Eiseres verwijst hierbij naar de Wet op het primair onderwijs (WPO) en in het bijzonder naar artikel 45 van deze wet omdat hierin de verplichting is opgenomen voor basisscholen om tussenschoolse opvang en bso aan te bieden. Eiseres maakt hieruit op dat bso behoort tot het takenpakket van een basisschool. Het standpunt van het college dat elke soort van kinderopvang in strijd is met het bestemmingsplan is daarom volgens eiseres niet juist. 5.1. Volgens artikel 9.1 van het bestemmingsplan zijn de voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden bestemd voor: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.