← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:508

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05-300702-23 Datum uitspraak : 24 januari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] . Raadsman: mr. J. Vlug, advocaat in Deventer. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 januari 2025. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 23 oktober 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(

  1. s)voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - die voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd en/of aan die voornoemde [slachtoffer] heeft getrokken en/of - boven op die voornoemde [slachtoffer] heeft gezeten en/of - ( terwijl verdachte boven op die voornoemde [slachtoffer] zat) meermalen op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, van die voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of knietjes gegeven en/of getrapt en/of - een zogenoemde wurggreep bij die voornoemde [slachtoffer] heeft toegepast, althans de nek/keel/hals van die voornoemde [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) dicht geklemd en/of dicht gehouden en/of - die voornoemde [slachtoffer] bij de armen, althans bij het lichaam, heeft vast gegrepen en/of vastgepakt en/of (met kracht) die voornoemde [slachtoffer] bij de armen, althans bij het lichaam, naar buiten heeft gesleurd en/of getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair , indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: hij op of omstreeks 23 oktober 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door: - die voornoemde [slachtoffer] te duwen en/of aan die voornoemde [slachtoffer] te trekken en/of - boven op die voornoemde [slachtoffer] te zitten en/of - ( terwijl verdachte boven op die voornoemde [slachtoffer] zat) meermalen op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, van die voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of stompen en/of knietjes te geven en/of te trappen en/of - een zogenoemde wurggreep bij die voornoemde [slachtoffer] toe te passen, althans de nek/keel/hals van die voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en/of (vervolgens) dicht te klemmen en/of dicht te houden en/of - die voornoemde [slachtoffer] bij de armen, althans bij het lichaam, vast te grijpen en/of te pakken en/of (met kracht) die voornoemde [slachtoffer] bij de armen, althans bij het lichaam, naar buiten te sleuren en/of te trekken; 2. hij op of omstreeks 23 oktober 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon (van het merk Apple en/of type Iphone 12 Pro Max), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
  2. s)toebehoorde(
  3. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 23 oktober 2023 rond 00.45 uur waren [verdachte] en [medeverdachte] bij aangever [slachtoffer] in de woning aan de [adres 2] in [plaats] , binnen de gemeente [gemeente] . In de woning was ook de vriendin van aangever, [getuige] , aanwezig. [verdachte] en aangever hadden een conflict over geld dat aangever nog zou moeten betalen aan [verdachte] . Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 1, primair) en diefstal in vereniging (feit 2). Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 1, primair, nu de geweldshandelingen niet tot zwaar lichamelijk letsel hadden kunnen leiden. De onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan wettig en overtuigend bewezen worden, met uitzondering van de wurggreep. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte de telefoon niet heeft weggenomen, maar de telefoon door aangever als onderpand is meegegeven. Het oogmerk om zich de telefoon wederrechtelijk toe te eigenen kan niet via het medeplegen bewezen worden verklaard. Beoordeling door de rechtbank Ten aanzien van de feiten 1 en 2 De vraag die de rechtbank allereerst dient te beantwoorden, is wat er op 23 oktober 2023 in de woning is voorgevallen. Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte] na binnenkomst in de woning direct op hem afliepen. [medeverdachte] ging voor hem staan en [verdachte] stond ernaast. Ze zeiden dat ze 300 euro wilden. Toen aangever zei dat hij het geld niet ging geven, pakte [medeverdachte] de telefoon van aangever, een Apple iPhone 12 Pro Max, en zei dat hij de telefoon terugkreeg als hij had betaald. Daarop stond aangever op en toen ging het mis. [verdachte] was de eerste die sloeg. Hij sloeg aangever van achter met zijn vuist. Daarna werd hij gelijk door [verdachte] en [medeverdachte] aangevallen. Hij werd door hen geslagen en geschopt. [verdachte] en [medeverdachte] sloegen aangever met hun vuisten en ze gaven hem knietjes, gericht op zijn hoofd. Het ging heel hard en aangever had direct pijn. Op enig moment nam [verdachte] aangever in een wurggreep. Hierdoor had hij het idee dat hij geen adem kreeg. Vervolgens hebben [verdachte] en [medeverdachte] aangever uit de woning getrokken en hem richting een auto gesleurd waarvan de kofferbak al openstond. Toen hij vlakbij de auto was, heeft aangever een paar keer hard om hulp geschreeuwd en toen lieten ze hem los. De verklaring van aangever vindt steun in de verklaring van getuige [getuige] . Zij heeft verklaard dat zij [verdachte] en [medeverdachte] had binnengelaten en dat [medeverdachte] direct op aangever afliep. Aangever zat op de bank en [medeverdachte] ging recht voor hem staan. [verdachte] stond rechts van [medeverdachte] . [medeverdachte] vroeg aan aangever of hij [verdachte] die 300 euro nog ging betalen. [getuige] heeft tegen [medeverdachte] gezegd dat hij rustig moest gaan zitten en hij is toen naast aangever op de bank gaan zitten. Hij pakte de telefoon van aangever en zei: “Als jij niet betaalt, neem ik deze telefoon mee.” [getuige] liep naar de voordeur om deze op slot te draaien en toen zij terugkwam, zag zij dat [medeverdachte] bovenop aangever zat en met beide vuisten op hem insloeg. Op enig moment had [verdachte] aangever in een wurggreep vast. [medeverdachte] en [verdachte] sloegen beiden op aangever in en [medeverdachte] trapte met zijn voet op het hoofd van aangever. Ze hoorde iemand zeggen dat ze hem wel mee de auto in zouden nemen. [verdachte] en [medeverdachte] pakten aangever bij zijn armen vast en sleurden hem naar buiten. De rechtbank overweegt dat de verklaringen van aangever en getuige [getuige] op belangrijke punten overeenkomen. Beide verklaringen zijn direct na het incident afgelegd, zodat niet aannemelijk is dat de verklaringen op elkaar zijn afgestemd. Daar komt bij dat de verklaringen op punten ondersteund worden door andere, objectieve bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank ziet daarom geen reden te twijfelen aan de inhoud van deze verklaringen en neemt deze als uitgangspunt. Er is forensisch onderzoek verricht in en rondom de woning. Op de stoeptegels ter hoogte van de voordeur lag bloed. Naar het oordeel van de rechtbank past deze bevinding bij de verklaring van aangever en de getuige dat aangever door de verdachten naar buiten is gesleurd. Dat vindt bovendien ook bevestiging in de verklaringen van twee buurtbewoners. De buurvrouw van nummer 4 heeft na middernacht geschreeuw gehoord. Zij hoorde “help, help”, waarna zij een auto met piepende banden hoorde wegrijden. Ook de buurvrouw van nummer 9 heeft rond 00:45 uur geschreeuw gehoord en het wegrijden van een auto. Dit past bij de verklaring van aangever dat hij een paar keer hard om hulp heeft geschreeuwd toen hij buiten bij de auto was. Ook het letsel dat bij aangever is geconstateerd, past bij de verklaringen van aangever en getuige [getuige] . Een verbalisant die als eerste ter plaatse was, constateerde dat aangever behoorlijk gehavend was in zijn gezicht. Aangever had een grote zwelling boven zijn linkeroog en een dikke bloederige onderlip. Op de linkerzijde van het gezicht zag de verbalisant schrammen en op beide zijden van het gezicht zaten meerdere rode plekken. Het gezicht en de halsstreek waren roodgekleurd. Uit de geneeskundige verklaring volgt dat bij aangever sprake was van diverse bloeduitstortingen op zijn (voor)hoofd, gezicht en rechterbovenbeen, drukpijn op zijn linker kaak en rechter oogkas en een hersenschudding. Naar het oordeel van de rechtbank past het geconstateerde letsel bij forse geweldshandelingen gericht op met name het hoofd en gezicht van aangever en niet bij enkel duwen en trekken en het geven van enkele klappen ter zelfverdediging, zoals [verdachte] heeft verklaard. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de ten laste gelegde geweldshandelingen hebben plaatsgevonden. Vervolgens is de vraag hoe dit handelen dient te worden gekwalificeerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat er door deze handelingen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Klappen en knietjes/trappen naar het lichaam en hoofd kunnen tot pijnlijk, maar niet zonder meer tot zwaar lichamelijk letsel leiden. Het dichtknijpen van de keel levert ook niet altijd een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Daarvoor is van belang de duur, intensiteit en kracht waarmee wordt geknepen alsook de mate van het eventueel opgelopen letsel. Aangever heeft verklaard dat hij het gevoel had dat hij geen adem meer kreeg en volgens getuige [getuige] hield [verdachte] aangever heel lang in de wurggreep. Zij weet echter niet hoelang. Uit het dossier valt verder niet goed op te maken met welke kracht c.q. intensiteit de keel is dichtgeknepen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te kunnen stellen dat de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is geweest. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van poging tot zware mishandeling (feit 1, primair). Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling (feit 1, subsidiair). Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal overweegt de rechtbank als volgt. Uit de verklaringen van aangever en getuige [getuige] volgt dat [medeverdachte] de telefoon van aangever zonder toestemming heeft gepakt en meegenomen. De rechtbank acht daarom bewezen dat de telefoon is weggenomen met het oogmerk deze wederrechtelijk toe te eigenen. Dat dit wegnemen mogelijk tot doel had aangever te bewegen tot de nakoming van de op hem rustende verplichting (het betalen van het geldbedrag), doet daar niets aan af. Naar het oordeel van de rechtbank is ook ten aanzien van de diefstal sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. [medeverdachte] en [verdachte] waren samen bij aangever in de woning en hebben, zoals bewezen, samen geweld op hem uitgeoefend. [medeverdachte] heeft de telefoon meegenomen. Een compagnon van [verdachte] heeft de telefoon enkele weken later in opdracht van [verdachte] aan de politie overhandigd. Dit gebeurde overigens pas nadat [verdachte] was aangehouden. Hoewel [medeverdachte] de telefoon heeft meegenomen, is de telefoon kennelijk daarna aan [verdachte] overhandigd en is het ook [verdachte] geweest die opdracht heeft gegeven de telefoon aan de politie te geven. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] zich samen schuldig hebben gemaakt aan diefstal van de telefoon. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat: 1, subsidiair: hij op of omstreeks 23 oktober 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door: - die voornoemde [slachtoffer] te duwen en/of aan die voornoemde [slachtoffer] te trekken en/of - boven op die voornoemde [slachtoffer] te zitten en/of - ( terwijl verdachte boven op die voornoemde [slachtoffer] zat) meermalen op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, van die voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of stompen en/of knietjes te geven en/of te trappen en/of - een zogenoemde wurggreep bij die voornoemde [slachtoffer] toe te passen, althans de nek/keel/hals van die voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en/of (vervolgens) dicht te klemmen en/of dicht te houden en/of - die voornoemde [slachtoffer] bij de armen, althans bij het lichaam, vast te grijpen en/of te pakken en/of (met kracht) die voornoemde [slachtoffer] bij de armen, althans bij het lichaam, naar buiten te sleuren en/of te trekken; 2. hij op of omstreeks 23 oktober 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon (van het merk Apple en/of type Iphone 12 Pro Max), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
  4. s)toebehoorde(
  5. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1, subsidiair: medeplegen van mishandeling; feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient hierop in mindering te worden gebracht. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft gewezen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting en bepleit dat ten aanzien van feit 1, subsidiair, aan verdachte een geldboete van € 750,00 wordt opgelegd. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. [verdachte] heeft zich samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] en diefstal van zijn telefoon. [verdachte] had een conflict met het slachtoffer over een geldbedrag dat het slachtoffer nog aan hem zou moeten betalen. In de nacht van 23 oktober 2023 besloot [verdachte] verhaal te gaan halen en is hij hiervoor samen met [medeverdachte] en twee anderen doelbewust naar de woning van het slachtoffer gereden. [verdachte] en [medeverdachte] hebben aan de deur een smoes gebruikt om binnen te komen. In de woning hebben zij het slachtoffer fors mishandeld en zijn telefoon weggenomen. Zij hebben hem samen geschopt en geslagen en [verdachte] heeft het slachtoffer in een wurggreep genomen. Uiteindelijk hebben zij hem de woning uit gesleurd in de richting van hun auto. Pas toen het slachtoffer hard om hulp riep, lieten zij hem los. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het feit vond plaats gedurende de nacht in de woning van het slachtoffer, de plek waar hij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Bij een slachtoffer van dergelijk geweld kunnen lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid blijven bestaan. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring volgt ook dat het voorval veel impact heeft gehad op het slachtoffer en zijn vriendin. Als gevolg van de mishandeling kampt hij met angstklachten, slaapt hij slecht en heeft hij last van nachtmerries. Verdachte is niet eerder veroordeeld wegens soortgelijke feiten. Uit het reclasseringsrapport volgt dat bij verdachte sprake is van stabiliteit op de meeste leefgebieden en er geen aanwijzingen worden gezien voor problematiek. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering ziet geen aanknopingspunten voor het opstellen van een plan van aanpak ter voorkoming van recidive en adviseert een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een maximale taakstraf van 240 uren passend. Daarnaast legt de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van drie maanden. Deze straf dient als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en drukt ook de ernst van het feit uit. Hieraan wordt een proeftijd van drie jaren verbonden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. De rechtbank heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op. 8De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 12.274,56 aan materiële schade (€ 46,76 reiskosten en € 12.227,80 verlies van verdienvermogen) en € 6.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich ten aanzien van de gevorderde reiskosten op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. Ten aanzien van de schadepost verlies aan verdienvermogen heeft de verdediging aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in dit deel van de vordering, omdat de schadepost onvoldoende is onderbouwd. Er is geen causaal verband aangetoond tussen het gestelde inkomensverlies en de ten laste gelegde feiten. Bovendien is een dergelijke schadepost ingewikkeld van aard en zou nader onderzoek hiernaar een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De verdediging heeft zich ten aanzien van de immateriële schade op het standpunt gesteld dat een bedrag van maximaal € 500,00 kan worden toegewezen en de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De gestelde psychische schade is niet onderbouwd. Overweging van de rechtbank Materiële schade Ten aanzien van de schadepost reiskosten overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie reis- en verblijfkosten slechts voor vergoeding in aanmerking komen voor zover in persoon - dat wil zeggen: zonder gemachtigde (advocaat) - wordt geprocedeerd. De benadeelde partij heeft zich in deze procedure laten bijstaan door een advocaat. De gevorderde kosten komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking en de rechtbank zal dit deel van de vordering afwijzen. Ten aanzien van de schadepost verlies van verdienvermogen overweegt de rechtbank dat deze onvoldoende is onderbouwd. Zo is onduidelijk welke opdrachten concreet zijn afgezegd en waarom benadeelde gedurende die periode zijn werk helemaal niet meer kon uitvoeren. Om vast te kunnen stellen welk deel van de vordering betreffende het verlies aan verdienvermogen rechtstreeks samenhangt met het bewezenverklaarde feit is een uitgebreidere onderbouwing nodig, die vervolgens een nadere behandeling van de vordering vergt. Een dergelijke nadere behandeling zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen. Smartengeld Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de mishandeling heeft de benadeelde immers in zijn eigen woning lichamelijk letsel in de vorm van onder meer bloeduitstortingen en een hersenschudding opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000,00 vaststellen. Nu de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd is, zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen. Verdachte is vanaf 23 oktober 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63, 300 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank:  spreekt verdachte vrij van het onder 1, primair ten laste gelegde feit;  verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;  bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;  legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;  beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorlopige hechtenis doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;  heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis; De beslissing op de civiele vordering  wijst de vordering tot materiële schade af ten aanzien van de schadepost reiskosten (€ 46,67); veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;  verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.000,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;  bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. W.H.S. Duinkerke (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. J.F. van Halderen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 januari 2025. mr. J.F. van Halderen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, Basisteam IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek ON33023008 / LECTUS, gesloten op 9 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte, p. 184-185; proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 118; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 160. Proces-verbaal van aangifte, p. 184-185. Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 198. Proces-verbaal van aangifte, p. 185-186. Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 207-209. Proces-verbaal forensisch onderzoek woning, p. 261-272. Proces-verbaal van bevindingen, p. 249. Proces-verbaal van bevindingen, p. 236-237. Geneeskundige verklaring, p. 189. Relaas, p. 175.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.