← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:5147

vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaakgegevens 11647813 \ CV EXPL 25-3008 \ 683 \ 806 uitspraak van vonnis in de zaak van de stichting Stichting Omnia Wonen gevestigd te Amersfoort eisende partij gemachtigde Alkema - Vloet - Kuijpers Gerechtsdeurwaarders tegen

  1. [gedaagde 1] wonende te [woonplaats] procederend in persoon
  2. [gedaagde 2] wonende te [woonplaats] procederend in persoon gedaagde partijen Partijen worden hierna Omnia en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd. 1De procedure 1.
  3. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 16 april 2025; - de mondelinge behandeling van 14 mei
  4. 1.
  5. Daarna is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  6. Omnia verhuurt aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning aan [adres] (hierna: het gehuurde), tegen een bij vooruitbetaling te betalen huurprijs van op dit moment € 711,00 per maand. 2.
  7. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn hun betalingsverplichtingen richting Omnia niet geheel nagekomen, waardoor er sprake is van een huurachterstand. 3Het geschil 3.
  8. Omnia vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de ontbinding van de huurovereenkomst, de ontruiming van het gehuurde en de hoofdelijke veroordeling tot betaling van een bedrag van: - huurachterstand tot en met april 2025 € 4.952,70 - buitengerechtelijke incassokosten € 395,77 - wettelijke rente tot en met 1 april 2025 € 140,63 Totaal € 5.489,10 Daarnaast vordert Omnia een bedrag van € 711,00 per maand vanaf mei 2025 tot aan de ontruiming. Omnia vordert tot slot verdere wettelijke rente en de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten. 3.
  9. Omnia stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in gebreke zijn gebleven met de uit de huurovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichting en daarmee een huurachterstand hebben laten ontstaan. Omnia stelt dat deze huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst en daarmee eveneens de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. 3.
  10. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Zij betwisten de huurachterstand niet, maar voeren aan dat zij in lastige omstandigheden zaten maar dat het nu wat beter gaat. [gedaagde 2] heeft een baan van veertig uur per week en is inmiddels ook in vast dienstverband. Ook is er een eerste gesprek geweest met de gemeente en er zal een budgetcoach aangesteld worden voor hulp bij de financiën. 4De beoordeling 4.
  11. De huurachterstand is (op 14 mei 2025) een bedrag van € 5.027,70, zijnde een betalingsachterstand van zeven maanden. Deze huurachterstand zou in principe de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben meerdere redenen gegeven voor het ontstaan van de huurachterstand, maar daarin ziet de kantonrechter niet direct aanleiding voor een ander oordeel. Er is wel een andere reden. 4.2 Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met een kind in de woning wonen komt de kantonrechter toe aan een belangenafweging. Op grond van artikel 3 IVRK wegen de belangen van een kind bij het behoud van de woning zwaar. Dit betekent echter niet dat de aanwezigheid van een minderjarig kind in de woning zonder meer ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van die woning in de weg staat. Ouders zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de tekortkomingen die tot ontbinding en ontruiming kunnen leiden. Bovendien dienen zij de nadelige gevolgen hiervan zoveel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door hulpverlenende instanties in te schakelen. Indien ontruiming echter leidt tot een acute noodtoestand voor het kind, dan kan dit leiden tot afwijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onweersproken gesteld dat hun 10-jarige kind lijdt aan autisme en functioneert op een leeftijd van een kind van 2,5 jaar. Verder hebben zij gesteld dat zij hun kind dagelijks naar een school op 67 km afstand brengen en dat zij dat zelf moeten doen, omdat het vervoer met een schoolbus te veel prikkels geeft en daarom te belastend is. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarmee voldoende gesteld dat ontruiming van de woning leidt tot een acute noodtoestand voor hun kind. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het belang van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij behoud van de woning op dit moment zwaarder weegt dan het belang van Omnia om weer over de woning te beschikken. Daarbij speelt mee dat vroeghulp is ingeschakeld en er inmiddels een budgetcoach is. De kantonrechter zal [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarom in het belang van hun kind een laatste kans geven en de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning niet toewijzen. De gevorderde gevorderde huurachterstand en de gevorderde huurtermijnen (voor zover deze termijnen nog niet zijn betaald) zijn wel toewijsbaar. 4.
  12. Omnia maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Omnia heeft een aanmaning aan huurder gestuurd die voldoet aan de wettelijke vereisten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet binnen de 14 dagen termijn van deze aanmaning betaald, zodat zij buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 395,77 komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en wordt toegewezen. 4.
  13. De (verdere) wettelijke rente is niet betwist en wordt toegewezen, vanaf 2 april 2025 over de nog resterende openstaande huurtermijnen vanaf de datum van verschuldigdheid van ieder afzonderlijk bedrag tot de dag van volledige betaling. 4.
  14. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn de partijen die ongelijk krijgen en zullen daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Omnia als volgt vastgesteld: - kosten van de dagvaarding € 148,50 - griffierecht € 543,00 - salaris gemachtigde € 678,00 (2,00 punten x € 339,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) totaal € 1.504,50 5De beslissing De kantonrechter 5.
  15. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, dat wil zeggen voor zover de één betaalt ook de ander ter hoogte van dat bedrag is bevrijd, om aan Omnia te betalen een bedrag van € 5.489,10, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.952,70 vanaf 2 april 2025 totdat alles is betaald; 5.
  16. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, dat wil zeggen voor zover de één betaalt ook de ander ter hoogte van dat bedrag is bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Omnia tot dit vonnis vastgesteld op € 1.504,50, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend; 5.
  17. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  18. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.A. Verspui en in het openbaar uitgesproken op.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.