RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 11200339 \ CV EXPL 24-5630 Vonnis van 30 juli 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: AGIN Pranger Gerechtsdeurwaarders Assen, tegen [gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf 1], te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 16 april 2025- de akte van [eiser] . 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
- Wat in voormeld tussenvonnis is overwogen wordt hier overgenomen. 2.
- In het tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld de omvang en de hoogte van de schade te bewijzen. [eiser] heeft bij akte van 14 mei 2025 onder verwijzing naar diverse producties een toelichting gegeven op de gevorderde schade. Zo heeft [eiser] toegelicht dat schade-expert [bedrijf 2] op 19 oktober 2023 ter plaatse is geweest om een onderzoek te verrichten in de woning van [eiser] , waarna een schaderapport is opgemaakt. [eiser] heeft dit schaderapport bij zijn laatste akte overgelegd. Daarin is de volgende schadevaststelling opgenomen waaruit blijkt dat de schade in totaal € 6.820,00 bedraagt: 2.
- Hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft [gedaagde] niet meer gereageerd. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stellingen van [eiser] . Dat betekent dat [eiser] geslaagd is in zijn bewijsopdracht en daarmee is vast komen te staan dat de door [eiser] geleden schade bestaat uit een bedrag van € 6.820,
- Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom wordt toegewezen. 2.
- [gedaagde] heeft de gevorderde wettelijke rente niet weersproken zodat deze wordt toegewezen als gevorderd. 2.
- [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 716,00 worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. 2.
- [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 140,24 - griffierecht € 248,00 - salaris gemachtigde € 1.017,00 (3 punten × € 339,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.540,24 3De beslissing De kantonrechter 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.820,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 maart 2024, tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 716,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 13 juni 2024, tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.540,24, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 30 juli
- 34124 / 53854