RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/432490 / HA ZA 24-105 / 1906 / 798 / 1547 / 876 Vonnis van 16 juli 2025 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VON GAHLEN NEDERLAND B.V., gevestigd te Didam, eisende partij in de hoofdzaak, hierna te noemen: Von Gahlen, advocaten: mrs. H.H. van Gaal en S.H. Bloembergen te Arnhem tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ZEVENAAR, zetelend te Zevenaar, gedaagde partij in de hoofdzaak en verwerende partij in de tussenkomst, hierna te noemen: de gemeente advocaten: mrs. T.E.P.A. Lam en A.M.E. van Wijk-Driessen te Nijmegen, waarin zijn tussengekomen en zich hebben gevoegd de besloten vennootschap 7COM B.V., en de besloten vennootschap TIEMEX LOGISTICS SERVICES B.V., beiden gevestigd te Zevenaar, tussengekomen eisende partijen en gevoegde partijen aan de zijde van de gemeente hierna te noemen: 7COM en Tiemex advocaten: mrs. D. de Jong en C.A.M. Lombert te Zeist, 1De procedure 1.
(1)maand nadat: de door Koper conform het bepaalde van artikel 7 lid 3 van de Koopovereenkomst aangevraagde omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden, en het conservatoir beslag tot levering dat ten tijde van het aangaan van de Koopovereenkomst op het Verkochte is gelegd, is opgeheven.” 3.25. In artikel 7 lid 14a van de koopovereenkomst is het volgende bepaald: “De koper is verplicht de op het Verkochte te realiseren bebouwing (daadwerkelijk) uitsluitend te laten gebruiken en in gebruik te houden voor de bedrijfsvoering van het Bedrijf en het is de Koper en/of het Bedrijf niet toegestaan om de bebouwing en/of het Verkochte (al dan niet geheel of gedeeltelijk) aan derden te verhuren of te vervreemden of anderszins aan derden in gebruik te geven.” 3.26. In artikel 8 lid 6 van de koopovereenkomst is het volgende bepaald: “Didam-arrest Partijen stellen vast dat de Gemeente bij het aangaan van de koopovereenkomst niet in strijd handelt met het Hoge Raad-arrest van 21 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1778). Indien de Gemeente door een derde wordt aangesproken vanwege mogelijk handelen in strijd met het in het Hoge Raad-arrest voor het aangaan van de Koopovereenkomst gegeven beoordelingskader, is de Gemeente bevoegd de Koopovereenkomst te beëindigen. (…) Indien de Gemeente geen gebruik maakt van deze beëindigingsbevoegdheid en een derde een juridische procedure start tegen de gemeente op de grond dat niet aan het in het Hoge Raad-arrest gegeven beoordelingskader is voldaan en op grond van een (rechterlijke) uitspraak, al dan niet bij wege van een voorlopige voorziening, wordt geoordeeld dat de Koopovereenkomst nietig is en/of de Gemeente de Koopovereenkomst niet (meer) geheel/gedeeltelijk kan/mag nakomen en/of geheel/gedeeltelijk moet opschorten en/of geboden wordt alsnog een selectieprocedure te doorlopen en daaraan op passende wijze openbaarheid te geven, dan is de Gemeente alsnog gerechtigd de Koopovereenkomst geheel/gedeeltelijk te beëindigen en/of niet langer na te komen.” 3.27. Bij brief van 5 juni 2024 schrijft de advocaat van de gemeente aan de advocaat van Von Gahlen dat de gemeente met het opnemen van “eventuele andere vennootschappen met dezelfde 100% aandeelhouders” als Tiemex in de reserveringsovereenkomst tot uitdrukking heeft willen brengen dat naast Tiemex ook andere bedrijven waarvan De Tegenpolen B.V. 100% aandeelhouder is, als eindgebruiker aangemerkt worden. Daarmee is het college meegegaan in het verzoek van Tiemex van 9 oktober 2023. 3.28. Bij vonnis van 28 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank vorderingen tot opheffing van het in r.o. 3.23 bedoelde beslag afgewezen en is de gemeente, 7COM en Tiemex verboden verdere uitvoering te geven aan de gesloten koopovereenkomst, althans verboden om ter zake van de onderhavige bedrijfskavel bouwwerkzaamheden te doen (laten) verrichten zolang ten aanzien van het onderhavige geschil in de bodemprocedure geen sprake is van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan. 3.29. Partijen zijn niet tot een regeling gekomen. 4De vorderingen van Von Gahlen (in de hoofdzaak) 4.1. Von Gahlen vordert, na een tweetal vermeerderingen van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair: 1. de gemeente veroordeelt tot nakoming van haar verbintenissen uit hoofde van de koopovereenkomst versie 14 juli 2021, met inachtneming van de termijnen zoals omschreven onder punt 4.2 tot en met 4.14 van de dagvaarding of de door de rechtbank te bepalen termijnen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, subsidiair: 2. de gemeente veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis een aanvang te nemen met de onderhandelingen met Von Gahlen over de leemtes van de koopovereenkomst versie 14 juli 2021, met inachtneming van de termijnen zoals omschreven onder punt 4.2 tot en met 4.14 van de dagvaarding of de door de rechtbank te bepalen termijnen en de onderhandelingen voort te zetten totdat partijen over deze leemtes overeenstemming hebben bereikt, op straffe van verbeurte van een dwangsom, meer subsidiair: 3. de gemeente veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot gunning van kavel Hecto 2.8 aan Von Gahlen conform de voorwaarden van de uitgifteprocedure op straffe van verbeurte van een dwangsom, primair, subsidiair en meer subsidiair: 4. voor recht verklaart dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Von Gahlen door na gunning van kavel Hecto 2.8 aan Tiemex in strijd te handelen met (de spelregels en criteria van) de uitgifteprocedure, de bij de uitgifteprocedure behorende modelreserveringsovereenkomst en de modelkoopovereenkomst te wijzigen en op 29 mei 2024 de koopovereenkomst met 7COM en Tiemex aan te gaan, 5. voor recht verklaart dat de reserveringsovereenkomst en koopovereenkomst die zijn gesloten tussen de gemeente en 7COM en Tiemex nietig zijn dan wel (subsidiair) deze vernietigt dan wel (meer subsidiair) de gemeente veroordeelt om de koopovereenkomst te beëindigen binnen 7 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom, dan wel (meest subsidiair) de gemeente verbiedt tot levering aan 7COM en Tiemex over te gaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom, 6. de gemeente en 7COM en Tiemex te veroordelen in de proceskosten, waaronder de beslagkosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien tijdige betaling uitblijft. 4.2. De gemeente en 7COM en Tiemex voeren verweer. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De vorderingen van 7COM en Tiemex (in de tussenkomst) 5.1. 7 COM en Tiemex vorderen, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, 1. de gemeente veroordeelt om mee te werken aan levering aan 7COM van het perceel Hecto binnen een maand na het onherroepelijk worden van de op 31 mei 2024 aangevraagde omgevingsvergunning, 2. indien en voor zover er wordt geoordeeld dat tussen Von Gahlen en de gemeente een koopovereenkomst tot stand is gekomen ter zake het perceel Hecto, de gemeente op straffe van verbeurte van een dwangsom verbiedt om uitvoering te geven aan die koopovereenkomst en/of om tot levering van het perceel Hecto aan Von Gahlen over te gaan, 3. Von Gahlen veroordeelt in de proceskosten alsmede de nakosten. 5.2. De gemeente voert verweer. 5.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 6De beoordeling in de hoofdzaak Er is geen koopovereenkomst tot stand gekomen tussen Von Gahlen en de gemeente 6.1. Aan de orde is eerst de vraag of er tussen Von Gahlen en de gemeente een koopovereenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. 6.2. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan, zoals is bepaald in artikel 6:217 BW. Of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen. 6.3. Naar het oordeel van de rechtbank kan alleen de op 14 juli 2021 toegezonden conceptkoopovereenkomst worden aangemerkt als een relevant aanbod, omdat in het eerder toegezonden kavelpaspoort en de reserveringsovereenkomst het (later toegevoegde) puntstuk van 1 hectare niet is opgenomen. Het object van het aanbod (de bedrijfskavel) is pas vanaf 14 juli 2021 voldoende bepaald. 6.4. De koopovereenkomst moet daarmee tot stand zijn gekomen in de periode tussen 14 juli 2021 en 26 februari 2022, het moment waarop de gemeente aan Von Gahlen heeft bericht dat zij alle verkopen vanwege het Didam-arrest ‘on hold’ heeft gezet. Vast staat dat Von Gahlen in die periode niet expliciet richting de gemeente heeft verklaard akkoord te gaan met het aanbod. Volgens Von Gahlen was dat ook niet mogelijk omdat zij, zoals één van haar directeuren ter zitting heeft verklaard, in afwachting was van een totaalplaatje waar ze ‘ja’ tegen kon zeggen en dat dit er nog niet was vanwege onduidelijkheid over de benodigde aansluiting op het elektriciteitsnet. 6.5. Dit is volgens Von Gahlen opgelost doordat partijen de werking van de overeenkomst, waarover zij volgens Von Gahlen ten aanzien van de inhoud op 16 september 2021 overeenstemming hadden bereikt, en het tijdspad van de diverse verplichtingen uit de overeenkomst afhankelijk hebben gesteld van een aansluiting bij Liander. Dit leidt er volgens Von Gahlen toe dat de overeenkomst onder opschortende voorwaarde tot stand is gekomen. De gemeente betwist dat zij heeft ingestemd met een aanvaarding van haar aanbod onder een opschortende voorwaarde. 6.6. Een overeenkomst onder opschortende voorwaarde veronderstelt dat een overeenkomst tot stand is gekomen waarvan de werking pas na het vervullen van de voorwaarde, in dit geval het vastleggen van de aansluiting bij Liander, een aanvang neemt (zie artikel 6:22 BW). Een opschortende voorwaarde hoeft niet schriftelijk te zijn overeengekomen en kan dus ook op andere wijze zijn overeengekomen. 6.7. Uit de verklaring van Von Gahlen ter zitting blijkt dat partijen niet expliciet hebben gesproken over een opschortende voorwaarde. Dit neemt niet weg dat onder bepaalde omstandigheden uit verklaringen en/of gedragingen zou kunnen worden afgeleid dat er afspraken zijn gemaakt over het moment van ondertekenen, de start van het in de conceptkoopovereenkomst van 14 juli 2021 opgenomen tijdspad en de daaruit volgende verplichtingen die kunnen worden aangemerkt als een opschortende voorwaarde. 6.8. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen volgt niet dat een dergelijke opschortende voorwaarde is overeengekomen. Weliswaar heeft de gemeente in de e-mail van 26 februari 2022 (zie hiervoor in r.o. 3.7) een nieuw (mogelijk) tijdspad opgenomen, waarbij zij is uitgegaan van ondertekening van de overeenkomst eind april 2022, maar in hetzelfde bericht noemt de gemeente de netwerkcapaciteit van Liander nog ‘een probleem’. Indien de ondertekening van de koopovereenkomst direct na het tot stand komen van een aansluiting bij Liander zou plaatsvinden, zoals de opschortende voorwaarde volgens Von Gahlen zou zijn overeengekomen, is het niet logisch dat de gemeente in haar tijdspad (en dan met name bij de eind april 2022 geplande ondertekening van de koopovereenkomst) geen koppeling heeft gemaakt met het moment van de totstandkoming van een aansluiting bij Liander. Daarbij geldt dat als een opschortende voorwaarde zou zijn overeengekomen op de wijze zoals Von Gahlen nu stelt, Von Gahlen de gemeente uiteraard direct van het moment van het sluiten van de ATO (op 9 februari 2022) op de hoogte zou hebben gesteld. Dit was immers in de optiek van Von Gahlen de vervulling van de opschortende voorwaarde, waarna de koopovereenkomst zijn werking kreeg en partijen tot ondertekening konden overgaan, omdat er van een ‘probleem’ met Liander geen sprake meer was. 6.9. De gemeente heeft betwist dat zij hiervan op de hoogte is gesteld en Von Gahlen heeft op dit punt onvoldoende gesteld. Dat uit de verklaring van de projectmanager, [naam 1] , blijkt dat Von Gahlen de gemeente tijdens het gesprek op 13 januari 2022 heeft geïnformeerd over de stand van zaken ten aanzien van de elektriciteitsaansluiting, is hiervoor onvoldoende omdat de ATO op dat moment nog niet was afgesloten. Daarnaast heeft Von Gahlen ter zitting verklaard niet te weten of de totstandkoming van de aansluiting daadwerkelijk aan de gemeente is medegedeeld, omdat op dat moment de aandacht verschoof naar de gevolgen van het Didam-arrest voor de beoogde koopovereenkomst. Gezien dat arrest was het juist toen zaak om een beroep te doen op een reeds gesloten onvoorwaardelijke koopovereenkomst teneinde de gemeente ervan te overtuigen dat het arrest voor de positie van Von Gahlen geen consequenties kon hebben. Verder volgt uit de presentatie die Von Gahlen op 22 april 2022 aan de gemeente heeft toegestuurd dat Von Gahlen er zelf ook niet van uit is gegaan dat de bedrijfskavel is aangekocht onder de opschortende voorwaarde van een aansluiting bij Liander. In de daarin aangegeven tijdlijn staat immers: “11 november: afspraak verplaatst naar 18 november naar 13 januari: o.a. besproken mogelijke problemen stroomaansluiting. Voor bedrijfsvoering stroomaansluiting dermate belangrijk dus met gemeente besproken dit met Liander te regelen voordat grond wordt aangekocht.” 6.10. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er geen opschortende voorwaarde is overeengekomen. 6.11. Voor zover Von Gahlen stelt dat desondanks moet worden aangenomen dat door aanvaarding van het aanbod van 14 juli 2021 op enig moment een koopovereenkomst is gesloten, geldt het volgende. Uit de stellingen van Von Gahlen komt duidelijk naar voren dat het voor haar essentieel was dat er een elektriciteitsaansluiting mogelijk was op de bedrijfskavel; zij had immers voor haar bedrijfsvoering een aansluiting nodig met een specifieke capaciteit. De onzekerheid van een dergelijke aansluiting was voor haar reden om (nog) niet tot ondertekening over te gaan, aldus Von Gahlen. Dit brengt op zichzelf al mee dat onwaarschijnlijk is dat, zonder opschortende of ontbindende voorwaarde op dit punt, sprake is geweest van een (onvoorwaardelijke) aanvaarding door Von Gahlen van het aanbod. Dit zou anders kunnen liggen vanaf het moment van duidelijkheid over de aansluiting, namelijk vanaf het sluiten van de ATO op 9 februari 2022. Daarvoor geldt echter dat het op de weg van Von Gahlen had gelegen om de gemeente aanstonds op de hoogte te stellen van de totstandkoming van deze ATO en mede te delen dat Von Gahlen met deze zekerheid het aanbod tot het sluiten van een koopovereenkomst wenste te aanvaarden. Voor die mededeling was des te meer reden nu de gemeente in haar e-mail van 26 februari 2022 liet weten dat de zorgen over de netwerkcapaciteit nog niet waren weggenomen. 6.12. De rechtbank acht verder van belang dat uit de overige gedragingen van Von Gahlen evenmin volgt dat (zij er zelf van uitging dat) al een koopovereenkomst was gesloten. In de conceptkoopovereenkomst is een tijdspad opgenomen met termijnen ten aanzien van een aantal essentiële punten, zoals het aanvragen van een omgevingsvergunning, het moment van betalen van een reserveringsvergoeding en een waarborgsom. De levering is afhankelijk gesteld van het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning en zou uiterlijk op 15 juli 2022 moeten plaatsvinden, waaraan zelfs een ontbindende voorwaarde is gekoppeld. Weliswaar is in de conceptkoopovereenkomst de ondertekening omschreven als het startsein van het tijdspad, zodat voor de uitvoering het moment van ondertekening essentieel is, maar gesteld noch gebleken is dat Von Gahlen heeft getracht zich aan de termijnen van het tijdspad te houden. Indien Von Gahlen ervan zou zijn uitgegaan dat er zonder ondertekening toch een koopovereenkomst zou zijn gesloten, had het in de lijn der verwachtingen gelegen dat zij datgene ter uitvoering zou hebben gedaan wat zij al had kunnen doen. Von Gahlen heeft echter in die periode geen omgevingsvergunning aangevraagd (zij heeft pas op 29 november 2022 een conceptaanvraag gedaan) noch ervoor gezorgd dat zij de in de overeenkomst opgenomen reserveringsvergoeding en de waarborgsom kon betalen. 6.13. Tot slot blijkt ook uit haar correspondentie met de gemeente niet dat Von Gahlen ervan is uitgegaan dat er al een koopovereenkomst was gesloten. Tot aan deze bodemprocedure heeft zij in haar correspondentie naar de gemeente steeds bewoordingen gebruikt als ‘onderhandelingen die zich in een redelijk vergevorderd stadium bevinden’, ‘een bij haar door de gemeente gewekt gerechtvaardigd vertrouwen om met haar een koopovereenkomst te sluiten’ en een ‘voornemen tot verkoop’. Ook veel later in haar zienswijze met betrekking tot de uitgifteprocedure (zie r.o. 3.16) heeft Von Gahlen het standpunt ingenomen dat er nog geen koopovereenkomst is gesloten. Integendeel, uit de gedragingen van Von Gahlen voorafgaand aan deze procedure blijkt dat steeds het standpunt is geweest dat er sprake was van afgebroken onderhandelingen en nooit dat zij het aanbod tot het sluiten van een koopovereenkomst (stilzwijgend) had aanvaard. 6.14. De stelling van Von Gahlen dat uit het feit dat zij voor de bedrijfskavel al forse kosten had gemaakt, moet worden afgeleid dat er een koopovereenkomst was gesloten, gaat ook niet op. De enkele omstandigheid dat zij kosten heeft gemaakt betekent, zonder bijkomende omstandigheden, niet dat een overeenkomst is gesloten. De door haar bedoelde kosten zien bovendien op sonderingen die al in mei 2021 hebben plaatsgevonden en die nodig waren voor onderzoek naar de realisatie van de beoogde nieuwbouw. Dit zijn kosten die zijn gemaakt ter inschatting van de vraag of Von Gahlen haar bedrijf op de bedrijfskavel zou kunnen vestigen. Met de ontwerpplannen en de opdracht daartoe was Von Gahlen begrijpelijkerwijs al voor ontvangst van het aanbod, de conceptkoopovereenkomst, begonnen, zodat daar geen aanvaarding uit kan worden afgeleid. De keuze om deze investeringen te doen voordat de koopovereenkomst is gesloten, is een risico dat Von Gahlen heeft genomen en is in een precontractuele fase ook niet ongebruikelijk. 6.15. Tot slot heeft de gemeente gemotiveerd betwist dat Liander het enige openstaande punt was. Volgens de gemeente was er ook geen overeenstemming op essentiële onderdelen van de koopovereenkomst, zoals de koopprijs, de reserveringsvergoeding en de indexeringsclausule. Ten aanzien van de koopprijs heeft Von Gahlen gesteld dat zij deze bij aanvang aan de hoge kant vond, maar dat de gemeente in besprekingen op 25 augustus 2020 en 29 maart 2021 heeft gezegd dat de koopprijs niet onderhandelbaar was, waarna Von Gahlen vanaf dat moment de koopprijs niet meer ter discussie heeft gesteld. De omstandigheid dat de koopprijs daarna niet meer tussen partijen is besproken, wat door de gemeente wordt betwist, betekent niet dat daaruit aanvaarding van de koopprijs volgt. Feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de gemeente moest begrijpen dat de koopprijs ondanks de aanvankelijke discussie akkoord was, heeft Von Gahlen niet gesteld. Bovendien zijn daarna in ieder geval op 16 september 2021 andere punten besproken die (ook) aan de totstandkoming van de overeenkomst in de weg stonden, zoals de onzekerheid over het tracébesluit en de leveringsproblemen bij Liander en was er, zoals Von Gahlen ter zitting heeft gezegd, nog geen totaalplaatje waar Von Gahlen ‘ja’ op kon zeggen. 6.16. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat tussen Von Gahlen en de gemeente geen koopovereenkomst is gesloten voor de bedrijfskavel. Weliswaar was de gemeente lange tijd voornemens om de bedrijfskavel aan Von Gahlen te verkopen (wat ook volgt uit de onder de feiten opgenomen e-mailwisseling met Tiemex), maar het Didam I- arrest heeft in dit geval gezorgd voor een kink in de kabel op een moment waarop er nog geen koopovereenkomst was gesloten. De vordering onder 1. zal worden afgewezen. 6.17. Deze conclusie brengt mee dat het beroep op rechtsverwerking van de gemeente geen bespreking behoeft. De gemeente is niet verplicht om door te onderhandelen 6.18. Von Gahlen heeft gesteld dat het de gemeente niet vrij stond om de onderhandelingen af te breken nu zij erop mocht vertrouwen dat op enig moment een overeenkomst tot stand zou komen dan wel dat er omstandigheden waren die het afbreken onaanvaardbaar maakten. De gemeente voert aan dat er nog geen zicht was op overeenstemming over de essentialia van de overeenkomst en dat het Didam I-arrest ervoor zorgde dat de gemeente niet verder kon gaan met de onderhandelingen. 6.19. De vraag of onderhandelingen mogen worden afgebroken, moet worden beantwoord met toepassing van de volgende maatstaf. Ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - is vrij de onderhandelingen af te breken, tenzij dit (
- i)op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of (
- ii)in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen. De Hoge Raad spreekt van een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf. 6.20. De rechtbank moet dus kijken naar het gerechtvaardigd vertrouwen van Von Gahlen in de totstandkoming van een overeenkomst ten tijde van het afbreken van de onderhandelingen. Dat moment is 26 februari 2022. In het e-mailbericht van 26 februari 2022 is Von Gahlen medegedeeld dat alle verkopen ‘on hold’ zijn gezet in verband met het Didam I-arrest, waarna de gemeente de vaststelling van een uitgifteprocedure is gaan onderzoeken en voorbereiden. Op dat moment had Von Gahlen, zoals hierboven al is overwogen, (nog) niet aan de gemeente kenbaar gemaakt dat zij akkoord was met de essentialia van de overeenkomst noch dat zij inmiddels een ATO met Liander had afgesloten. Verder was op dat moment volgens de conceptovereenkomst van 14 juli 2021 een indexering van de koopprijs nodig, waar volgens de gemeente geen overeenstemming over bestond, en had Von Gahlen nog niet ingestemd met het betalen van een reserveringsvergoeding, die zes maanden na 14 juli 2021 verschuldigd was om de bedrijfskavel voor Von Gahlen te behouden totdat de koopovereenkomst zou zijn getekend. Met dit alles heeft Von Gahlen het risico genomen dat de bedrijfskavel uiteindelijk aan een ander wordt verkocht. 6.21. Daarnaast was op dat moment tussen partijen al gesproken over de gevolgen van het Didam I-arrest voor de voorgenomen verkoop. Uit de in de procedure gebrachte verklaring van [namen] (de directeuren van Von Gahlen) blijkt dat tijdens de afspraak op 13 januari 2022 de gemeente heeft gemeld dat het Didam I-arrest was gewezen en dat dit mogelijk een complicerende factor zou zijn voor de levering van de bedrijfskavel. 6.22. Uit het eerste Didam-arrest van de Hoge Raad volgt dat de gemeente het gelijkheidsbeginsel in acht moest nemen bij het nemen van de beslissing met wie en onder welke voorwaarden de reserverings- en koopovereenkomst zouden worden gesloten én bij het uitvoeren van deze overeenkomsten. Uit het gelijkheidsbeginsel – dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen – vloeit voort dat de gemeente mededingingsruimte moest bieden en objectieve, toetsbare en redelijke criteria moest opstellen. De gemeente moest ook een passende mate van openbaarheid verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. De gemeente moest hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen. 6.23. Naar het oordeel van de rechtbank voldeed de voorgenomen verkoop aan Von Gahlen niet aan de Didam I-eisen. Dit volgt uit het volgende. De beschikbaarheid van de bedrijfskavels op Businesspark 7Poort, waaronder de betreffende bedrijfskavel, is algemeen bekendgemaakt op de speciale website en in de brochure. Partijen met interesse kregen vervolgens een kavelpaspoort toegezonden met daarin gegevens over onder meer de grootte van de bedrijfskavel en de grondprijs. De selectie vond vervolgens plaats via het sectiecriterium ‘wie het eerst komt, die het eerst maalt’. Dit selectiecriterium biedt geen of in ieder geval onvoldoende mededingingsruimte. Von Gahlen heeft ook niet gesteld dat informatie over de selectieprocedure, de selectiecriteria en het tijdsschema openbaar is gemaakt. Het kavelpaspoort is daartoe in ieder geval onvoldoende. Verder was de gemeente op dat moment al op de hoogte van de interesse van Tiemex. De uitzondering als er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop was dus niet aan de orde. 6.24. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat Von Gahlen, gelet op de aanwezig te achten bekendheid met de eisen van Didam I en de verkoopprocedure zoals die tot dan toe was verlopen, er begin 2022 niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat er, ondanks het gewezen Didam I-arrest, toch een overeenkomst tot stand zou komen. 6.25. Von Gahlen heeft nog gesteld dat de gemeente rond die tijd andere bedrijfskavels wel op deze wijze heeft verkocht en geleverd en dat de wijze waarop de gemeente op dat moment gronden uitgaf daarom ook volgens de gemeente de toets van het Didam-arrest kon doorstaan. Volgens de gemeente was er in die andere gevallen sprake van een reeds gesloten overeenkomst met een onvoorwaardelijke aanspraak op levering. Daargelaten of dat het geval is geweest, heeft hier te gelden dat de verkoopprocedure bij Von Gahlen en de stand waarin de onderhandelingen zich bevonden, meebrengen dat de gemeente juridisch correct heeft gehandeld, niet verder kon gaan met de onderhandelingen en dat het Didam I-arrest aan een gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen bij Von Gahlen in de weg stond. 6.26. Uit de stellingen van Von Gahlen blijkt niet dat er (andere) omstandigheden zijn die het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar hebben gemaakt. 6.27. De conclusie is dat de gemeente de onderhandelingen mocht afbreken, zodat de vordering onder 2. zal worden afgewezen. Het handelen van de gemeente in het kader van de uitgifteprocedure 6.28. De rechtbank zal hierna beoordelen of, zoals Von Gahlen stelt, de gemeente in het kader van de uitgifteprocedure onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. 6.29. Voor de verdere beoordeling is niet alleen het eerste Didam-arrest (zie r.o. 6.22) van belang, maar ook het tweede Didam-arrest van de Hoge Raad. Daaruit volgt dat handelen door een overheidslichaam in strijd met de Didam-regels geen strijd oplevert met een dwingende wetsbepaling zoals bedoeld in artikel 3:40 lid 2 BW. De Didam-regels hebben ook niet de strekking om de geldigheid van daarmee strijdige rechtshandelingen met nietigheid of vernietigbaarheid te treffen. Een koopovereenkomst die in strijd met de Didam-regels is gesloten, is dan ook niet op die grond nietig of vernietigbaar. Wel handelt een overheidslichaam dat in strijd met de regels uit het (eerste) Didam-arrest overgaat tot verkoop van een onroerende zaak, in beginsel onrechtmatig jegens een (potentiële) gegadigde die bij die verkoop ten onrechte geen gelijke kans heeft gekregen. Dat overheidslichaam kan op die grond schadeplichtig zijn jegens die gegadigde. Ook kan, zolang er geen overeenkomst is gesloten die het overheidslichaam verplicht tot levering of zolang de levering aan een ander nog niet heeft plaatsgevonden, onder omstandigheden aanleiding bestaan om op vordering van de gegadigde het overheidslichaam op die grond te verbieden om tot verkoop of tot levering aan een ander over te gaan. De gemeente hoeft niet alsnog aan Von Gahlen te gunnen 6.30. De meer subsidiaire vordering van Von Gahlen (onder 3.) strekt ertoe dat de gemeente wordt veroordeeld om de bedrijfskavel te gunnen aan Von Gahlen conform de voorwaarden van de uitgifteprocedure. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Von Gahlen toegelicht dat aan deze vordering uitsluitend ten grondslag ligt dat Tiemex de reserveringsovereenkomst niet tijdig heeft ondertekend, omdat de uitgifteprocedure erin voorziet dat deze overeenkomst, als deze niet tijdig wordt ondertekend door de winnaar van de loting, wordt aangegaan met de tweede gegadigde. 6.31. In de uitgifteprocedure staat onder het kopje ‘overeenkomsten’ (zie r.o. 3.13) dat de gemeente de overeenkomst aangaat binnen twee weken na de loting en dat de gegadigde de overeenkomst binnen twee weken na toezending ervan door de gemeente moet ondertekenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Von Gahlen gesteld dat een redelijke uitleg meebrengt dat de gegadigde na de toezending van de reserveringsovereenkomst door de gemeente twee weken de tijd heeft om de overeenkomst te ondertekenen. De gemeente en 7COM en Tiemex hebben dit niet betwist, zodat ook de rechtbank hiervan zal uitgaan. De kennelijke strekking van deze bepaling is dat binnen een redelijke termijn duidelijkheid ontstaat over de vraag of de winnaar van de loting daadwerkelijk voornemens is om de overeenkomst aan te gaan. 6.32. In de brief van Tiemex van 9 oktober 2023 staat dat zij de reserveringsovereenkomst inmiddels heeft ontvangen en die overeenkomst – na een positieve reactie op haar verzoeken – getekend aan de gemeente retour zal zenden. In deze brief verzocht Tiemex onder meer om toestemming (op grond van artikel 9 van de reserveringsovereenkomst) voor de overdracht van de rechten en verplichtingen uit hoofde van de reserveringsovereenkomst aan 7COM. Vast staat dat het college deze toestemming pas op 7 november 2023 heeft verleend, waarna de definitieve reserveringsovereenkomst op 23 november 2023 tot stand is gekomen. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat de reserveringsovereenkomst niet binnen twee weken na toezending is ondertekend. 6.33. De gemeente, 7COM en Tiemex hebben namelijk aangevoerd dat Tiemex de reserveringsovereenkomst al op 16 oktober 2023 had ondertekend. Volgens de gemeente heeft zij ervoor gekozen die overeenkomst niet te ondertekenen, omdat het verzoek van Tiemex van 9 oktober 2023 om in te stemmen met de contractsoverneming nog in behandeling was. Zij wijzen hiertoe op een e-mail van de gemeente van 17 oktober 2023 waaruit blijkt dat [naam 2] van Tiemex de ondertekende reserveringsovereenkomst op 16 oktober 2023 heeft afgegeven aan de balie van de gemeente. In de reactie op deze e-mail schrijft [naam 3] van Tiemex dat hij heeft “besproken om alsnog de reserveringsovereenkomst te tekenen en af te geven. Weliswaar nog in naam van Tiemex Logistics services BV, dus niet de wenselijke BV< maar dan hebben we in ieder geval voldaan aan de procedure om binnen twee weken na datum getekend te hebben. [naam 4] gaf aan dat jullie de overeenkomst dus nu nog niet getekend retour sturen, maar eerst komende week, of waarschijnlijk de week er op, het besluit van B&W af te wachten. Indien dat positief is ontvangen we een nieuwe reserveringsovereenkomst op naam van 7COM BV. ” 6.34. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee vast dat de reserveringsovereenkomst tijdig is ondertekend. Weliswaar stelt Von Gahlen dat zij niet bekend is met een op 16 oktober 2023 ondertekende reserveringsovereenkomst, maar het bestaan hiervan blijkt voldoende uit de hiervoor genoemde e-mails van de gemeente en Tiemex van 16 en 17 oktober 2023. De rechtbank concludeert aldus dat de overeenkomst op 16 oktober 2023 en daarmee binnen twee weken na 9 oktober 2023 en derhalve tijdig is ondertekend door Tiemex. De omstandigheid dat het niet ging om de definitieve (tekst van
- de)reserveringsovereenkomst waarbij zowel Tiemex als 7COM partij zijn geworden, doet daar niet aan af. Gelet op het verzoek van Tiemex van 9 oktober 2023, de voornoemde e-mails van 16 en 17 oktober 2023 en de ondertekening van de reserveringsovereenkomst, zoals die luidde voorafgaand aan de goedkeuring van het verzoek om contractsoverneming door 7COM, is voldaan aan (de strekking van) de ondertekeningstermijn, in die zin dat Tiemex er geen misverstand over heeft laten bestaan dat zij de overeenkomst wilde aangaan. 6.35. Uit het voorgaande volgt dat de meer subsidiaire vordering (de vordering onder 3.) zal worden afgewezen. De gemeente heeft gehandeld in strijd met de uitgifteprocedure 6.36. De gevorderde verklaring voor recht dat de gemeente jegens Von Gahlen onrechtmatig heeft gehandeld (de vordering onder 4.) is gegrond op een viertal verwijten. De rechtbank zal deze verwijten hierna behandelen. De modelreserveringsovereenkomst en modelkoopovereenkomst zijn aangepast na de loting 6.37. Het eerste verwijt luidt dat de gemeente, nadat Tiemex de loting had gewonnen, in strijd heeft gehandeld met - kort samengevat - haar eigen uitgifteprocedure door de reserverings- en koopovereenkomsten niet alleen met Tiemex maar ook met 7COM aan te gaan en door ten opzichte van de modelreserveringsovereenkomst en -koopovereenkomst inhoudelijke wijzigingen in de tekst van die overeenkomsten aan te brengen. De rechtbank geeft Von Gahlen op dit punt gelijk. 6.38. De rechtbank stelt vast dat de modelreserveringsovereenkomst en de modelkoopovereenkomst na de loting inhoudelijk zijn gewijzigd. Tussen partijen is niet in geschil dat dit is gebeurd naar aanleiding van het verzoek van Tiemex van 9 oktober 2023, dat erop neerkwam dat 7COM eigenaar zou worden van het perceel en Tiemex en haar werkmaatschappijen de eindgebruikers van het perceel zouden worden. Het gaat om de volgende wijzigingen. 6.39. In zowel de modelreserveringsovereenkomst als de uiteindelijk gesloten reserveringsovereenkomst is bepaald dat het perceel wordt gereserveerd voor de gegadigde (artikel 2) en dat de gemeente de koopovereenkomst zal toezenden aan de gegadigde (artikel 7). Het model kende twee partijen: de gemeente en de gegadigde en in de overwegingen onder C. staat dat de gegadigde uit de geldige inschrijvers is geselecteerd door middel van een loting als onderdeel van de uitgifteprocedure. Het begrip ‘bedrijf’ wordt in het model omschreven als de onderneming van de gegadigde. De uiteindelijke reserveringsovereenkomst is echter gesloten met drie partijen: de gemeente, 7COM en Tiemex. In deze overeenkomst wordt het begrip ‘het bedrijf’ omschreven als “Tiemex (…) en eventuele andere vennootschappen met 100% dezelfde aandeelhouders als het Bedrijf, die te zijner tijd de Bedrijfskavel en het daarop te realiseren bedrijfspand voor 100% voor de eigen bedrijfsvoering als eindgebruiker – in gebruik zullen nemen en in gebruik zullen houden gedurende een periode van minimaal tien jaar vanaf de datum waarop de realisatie van het bouwplan gereed is gemeld bij de Gemeente.” 6.40. De modelkoopovereenkomst noemt twee partijen: verkoper en koper. Verkoper is de gemeente. Uit de overwegingen b. en c. blijkt dat koper degene is die op basis van de uitgifteprocedure is geselecteerd en met wie een reserveringsovereenkomst is gesloten. De uiteindelijk gesloten koopovereenkomst kent echter drie partijen: verkoper, koper en het bedrijf. Koper is 7COM en het bedrijf is Tiemex. In de modelkoopovereenkomst staat dat de koper “verplicht [is] de op het Verkochte te realiseren bebouwing (daadwerkelijk) te gebruiken en in gebruik te houden voor de eigen bedrijfsvoering” (artikel 7 lid 14 sub
- a)en dat deze verplichting vervalt “nadat de Koper de betreffende bebouwing en het Verkochte gedurende een periode van tien