RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/447694 / KG ZA 25-48 Vonnis in kort geding van 17 april 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. A. van Oosten, tegen 1de vennootschap onder firma SPORT CENTRUM ARNHEM VOF, gevestigd te Arnhem, 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats] ,3. [gedaagde 3], wonende te [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna te noemen: Sport Centrum c.s. advocaat: mr. D.A.M. Veen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 7 - de akte wijziging van eis van [eiser] - de nagekomen producties 8 tot en met 14b van [eiser] - de producties 1 tot en met 5 van Sport Centrum c.s.- de mondelinge behandeling van 4 maart 2025- de pleitnota van [eiser]- de pleitnota van Sport Centrum c.s.- het proces-verbaal van aanhouding tot 15 april 2025 ten behoeve van schikkingsonderhandelingen- het bericht van [eiser] van 11 april 2025 met het verzoek om vonnis te wijzen. 2De feiten 2.1. Gedaagden sub 2 en 3 zijn de twee vennoten van Sport Centrum. Sport Centrum exploiteert een squash- en fitnesscentrum (hierna: het sportcentrum). 2.2. [eiser] huurt sinds ongeveer 15 jaar een praktijkruimte ten behoeve van haar fysiotherapiepraktijk in het gebouw van het sportcentrum. De laatste jaren zijn [eiser] en Sport Centrum daartoe steeds een schriftelijke huur- en samenwerkingsovereenkomst aangegaan voor (minimaal) een jaar. De laatste overeenkomst dateert van 30 oktober 2024 en geldt met ingang van 1 januari 2025 voor de duur van een jaar. Op grond van die huur- en samenwerkingsovereenkomst huurt [eiser] een behandelruimte voor fysiotherapie (artikel 1.1.a.) en kunnen zij, haar medewerkers en haar patiënten gebruik maken van de fitnesszaal en de daar aanwezige middelen, horeca, toiletten, kleedkamers en douches (artikelen 1.2. en 4.6.). 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert - samengevat - Sport Centrum c.s. hoofdelijk te veroordelen om de huur- en samenwerkingsovereenkomst van 30 oktober 2024 na te komen door het onverkort en ongehinderd toegang verschaffen aan [eiser] en eventuele andere therapeuten alsmede aan patiënten die door of vanwege [eiser] werden of worden behandeld tot de overeengekomen ruimtes van Sport Centrum, op straffe van een dwangsom en met hoofdelijke veroordeling van Sport Centrum c.s. in de kosten van het geding. 3.2. Sport Centrum c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. 4.2. Sport Centrum c.s. betwist allereerst dat [eiser] belang heeft bij haar vordering omdat er geen sprake is van een belemmering van de toegang tot het gehuurde en de overige ruimtes van het sportcentrum. Sport Centrum c.s. verwijst in dit verband naar een e-mailbericht van 7 februari 2025 (productie 2 van Sport Centrum c.s.). In dat e-mailbericht reageert Sport Centrum op een brief van mr. Van Oosten van 6 februari 2025, waarin mr. Van Oosten schrijft dat Sport Centrum c.q. de vennoten van Sport Centrum [eiser] en haar medewerker [naam 1] geen toegang meer wi(len) verlenen tot het sportcentrum om de praktijk uit te oefenen. Eén van de vennoten van Sport Centrum schrijft in reactie daarop in het e-mailbericht van 7 februari 2025: ‘Deze stelling betwisten wij. Dit klopt niet! Hierover bent u niet goed geïnformeerd.’. Dit verweer van Sport Centrum c.s. wordt verworpen gelet op het e-mailbericht een week later van een van de vennoten van Sport Centrum aan mr. Van Oosten van 13 februari 2025 (productie 4 van [eiser] ). In dat e-mailbericht schrijft hij aan mr. Van Oosten dat hij [eiser] (wederom) heeft meegedeeld dat haar medewerker [naam 1] vanaf die datum geen gebruik meer kan maken van de fitnessruimte van het sportcentrum. Gelet op dat bericht is het (spoedeisend) belang van [eiser] bij haar vordering voldoende gegeven. Het feit dat Sport Centrum c.s. kennelijk medewerker [naam 1] feitelijk (nog) niet de toegang heeft ontzegd, doet daaraan niet af. De reële dreiging daartoe is voldoende. 4.3. Sport Centrum c.s. voert verder aan dat zij bevoegd is om haar verplichtingen uit de huur- en samenwerkingsovereenkomst op te schorten omdat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huur- en samenwerkingsovereenkomst, waaronder het reglement en de huisregels. Sport Centrum c.s. beroept zich op een versie van de huisregels die afwijkt van de versie die volgens [eiser] aan haar ter hand is gesteld bij het aangaan van de huur- en samenwerkingsovereenkomst. Binnen het bestek van dit kort geding, waarin geen ruimte is voor een nader onderzoek naar de feiten, kan niet worden vastgesteld welke huisregels en welk reglement in dit geval gelden. Wel staat vast dat [eiser] en haar medewerker(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.