← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:6772

RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/450383 / KG ZA 25-119 Vonnis in kort geding van 27 mei 2025 in de zaak van [eiser] , handelend onder de naam COCON PARFUMERIE, wonende en zaakdoende te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M. Russchen, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , verschenen in persoon. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 11 - de nagekomen productie 12 van [eiser]- de mondelinge behandeling van 13 mei 2025 - de pleitnota van [eiser] . 2De feiten 2.
  2. Zowel [eiser] als [gedaagde] drijft dan wel dreef een eenmanszaak op het gebied van verpleging in [plaats] . 2.
  3. [eiser] heeft op enig moment in 2023 onder de naam Cocon Parfumerie bij Desi9n een offerte aangevraagd voor het ontwikkelen van (onder meer het webdesign van) een website met webshop. 2.
  4. [eiser] en [gedaagde] hebben op enig moment een mogelijke samenwerking op het gebied van het (online) aanbieden van (onder meer) parfums onder de naam ‘Cocon’ besproken. Zij zijn begin 2024 samen naar Amsterdam geweest om geuren te testen. De voorgenomen samenwerking is vervolgens niet tot stand gekomen. 2.
  5. [eiser] heeft op 18 mei 2024 een aantal domeinnamen geregistreerd, waaronder coconparfumerie.nl, coconparfumerie.store, coconcosmetics.store en coconcosmetics.online. 2.
  6. [eiser] heeft op 4 juni 2024 de naam van haar eenmanszaak in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) gewijzigd van ‘ [bedrijf] ’ naar ‘Cocon’. 2.
  7. [eiser] heeft op 9 augustus 2024 bij het Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE) het teken ‘Cocon Parfumerie’ als woordmerk gedeponeerd voor klasse 3 (parfumerieën en geuren) onder registratienummer

(1509099). Het woordmerk is op 29 oktober 2024 geregistreerd. 2.7. Tijdens een gezamenlijke vakantie in het najaar van 2024 is tussen partijen een discussie ontstaan over het door [gedaagde] geuite voornemen om een webshop voor cosmetica c.q. parfums op te richten onder de naam ‘Cocon Perfume(s)’. [eiser] heeft [gedaagde] vervolgens verzocht om een andere naam voor haar onderneming te kiezen. [gedaagde] heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven. 2.8. [gedaagde] heeft omstreeks november 2024 een Instagrampagina aangemaakt onder de naam @cocon.perfume. Op deze Instagrampagina plaatst [gedaagde] berichten ter promotie van de door haar sinds eind 2024 c.q. januari 2025 aangeboden producten. 2.9. [gedaagde] biedt sinds (eind) december 2024 c.q. januari 2025 parfums aan via haar website www.coconperfume.com. Hieronder zijn ter illustratie een aantal schermafbeeldingen weergegeven van de manier waarop [gedaagde] het teken ‘Cocon Perfume’ op haar website en op verpakkingen van de door haar aangeboden producten gebruikt: 2.10. Bij brief van 24 januari 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] -samengevat- gesommeerd te bevestigen dat [gedaagde] het gebruik van het teken Cocon zal staken en gestaakt zal houden door de meegestuurde onthoudingsverklaring te ondertekenen. [gedaagde] heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de inbreuk op het merk Cocon te staken en gestaakt te houden, onder meer door de naam c.q. het teken Cocon niet meer te gebruiken in online communicatie, door de tekst van de website van de onderneming van [gedaagde] aan te passen, door geen gebruik meer te maken van de domeinnaam www.cocon-perfumes.com en door het gebruik van het e-mailadres info@cocon-perfumes.com te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in strijd handelt met deze veroordeling; [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na dit vonnis opgave te doen aan [gedaagde] [bedoeld zal zijn: [eiser] , vzr]:
  1. a)de URL's van iedere online openbaarmaking door [gedaagde] van de naam Cocon Perfumes;
  2. b)de hoeveelheid vervaardigde parfumproducten en geuren onder de merknaam Cocon;
  3. c)de hoeveelheid op voorraad gehouden parfumproducten en geuren onder de merknaam Cocon;
  4. d)de hoeveelheid verkochte en geleverde parfumproducten en geuren onder de merknaam Cocon;
  5. e)de omzet die is gemaakt door verkoop van parfumproducten en geuren onder de merknaam Cocon in 2025;
  6. f)de kosten van vervaardiging van de parfumproducten en geuren onder de merknaam Cocon; een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in strijd handelt met deze veroordeling; de termijn voor het instellen van een bodemprocedure te stellen op 6 maanden na dit vonnis; [gedaagde] te veroordelen in de redelijke en evenredige kosten voor rechtsbijstand ex artikel 1019h Rv, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de overige kosten van dit geding, te voldoen binnen twee weken na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente. 4De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. 4.2. De spoedeisendheid van de vorderingen vloeit voldoende uit de stellingen van [eiser] voort. [gedaagde] heeft dat ook niet althans niet gemotiveerd betwist. 4.3. Inzet van dit kort geding is de door [eiser] gevorderde veroordeling van [gedaagde] tot staking van het gebruik van het teken ‘Cocon’. [eiser] legt aan deze vordering primair ten grondslag dat [gedaagde] met het gebruik van het teken Cocon (Perfume) inbreuk maakt op haar woordmerk ‘Cocon Parfumerie’ in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub a dan wel sub b alsmede sub d van het Benelux-verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (BVIE). Subsidiair stelt [eiser] dat [gedaagde] door het voeren van de handelsnaam ‘Cocon Perfume’ inbreuk maakt op haar handelsnaam ‘Cocon Parfumerie’. Meer subsidiair beroept [eiser] zich op onrechtmatige daad. [eiser] vordert onder a. dat [gedaagde] wordt verboden de domeinnaam www.cocon-perfumes.com te gebruiken. De voorzieningenrechter gaat er gelet op de door [eiser] in het geding gebrachte producties vanuit dat dit de domeinnaam www.coconperfume.com moet zijn. Dit is tussen partijen ook verder niet in geschil. 4.4. Zowel [eiser] als [gedaagde] stelt de naam Cocon (als eerste) te hebben bedacht. Wie het gelijk in dit verband aan haar zijde heeft kan binnen het bestek van dit kort geding evenwel niet worden vastgesteld. Partijen zijn het er wel over eens dat zij begin 2024 samen met de naam ‘Cocon’ op pad zijn geweest naar Amsterdam om geuren te testen teneinde mogelijk een gezamenlijke onderneming in de verkoop van parfums op te richten en te exploiteren. Ook staat vast dat partijen op enig moment nadien hebben besloten om niet samen verder te gaan. Vervolgens heeft [eiser] op 9 augustus 2024 ‘Cocon Parfumerie’ gedeponeerd als woordmerk bij het BBIE voor waren en diensten in klasse 3, parfumerieën en geuren. [gedaagde] is omstreeks eind december 2024 c.q. begin januari 2025 gestart met het aanbieden van parfums onder de naam ‘Cocon’ via haar website www.coconperfume.com. 4.5. Vooropgesteld wordt dat van de geldigheid van het door [eiser] gedeponeerde woordmerk moet worden uitgegaan, nu [gedaagde] de nietigheid daarvan niet heeft ingeroepen. Heeft [gedaagde] een ouder (handelsnaam)recht? 4.6. [gedaagde] heeft ter zitting als verweer gevoerd dat zij een ouder (handelsnaam)recht heeft op het teken ‘Cocon’ (al dan niet in combinatie met het woord ‘Perfume’) en zij doet daarmee -naar de voorzieningenrechter begrijpt- een beroep op artikel 2.23 BVIE. Indien [gedaagde] inderdaad een ouder handelsnaamrecht heeft kan [eiser] haar woordmerk (in Nederland) niet tegen [gedaagde] inroepen en zullen de vorderingen van [eiser] reeds om die reden stranden. De voorzieningenrechter overweegt in dit kader als volgt. 4.7. Op grond van artikel 2.23 lid 2 BVIE kan de merkhouder niet optreden tegen het gebruik, in het economisch verkeer, van een overeenstemmend teken dat zijn bescherming ontleent aan een ouder recht van slechts plaatselijke betekenis, indien en voor zover dat recht erkend is ingevolge de wettelijke bepalingen van één van de Benelux-landen. Het Hof van Justitie heeft in het arrest in de zaak Classic Coach Company/MTA de betekenis van dit artikel verduidelijkt. Kort samengevat zijn er vier vereisten voor het hebben van een ‘ouder recht’. Ten eerste moet het recht worden gebruikt in het economische verkeer. Ten tweede moet het recht ouder zijn. Ten derde moet het slechts plaatselijke betekenis hebben en ten vierde moet het recht erkend worden in de wetgeving van de betrokken lidstaat. In dit geval gaat het om het door [gedaagde] aangevoerde oudere handelsnaamrecht. Op basis van Nederlands recht moet dus beoordeeld worden of [gedaagde] een ouder handelsnaamrecht heeft, zij dit gebruikt in het economisch verkeer en het slechts plaatselijke betekenis heeft. Waarbij het vereiste van plaatselijke betekenis inhoudt dat het plaatselijke oudere recht geografisch gezien geen betrekking mag hebben op een even groot gebied als het ingeschreven merk van [eiser] . 4.8. Het recht op een handelsnaam in de zin van de Handelsnaamwet (Hnw) ontstaat door feitelijk gebruik in het economisch verkeer, zodanig dat de handelsnaam voor het publiek kenbaar is. Een handelsnaam is de naam waaronder een onderneming, of een deel van de onderneming, wordt gedreven (artikel 1 Hnw). In deze omschrijving liggen een element van duurzaamheid en een element van continuïteit besloten; de naam moet dusdanig worden gevoerd dat deze daardoor een beschermenswaardige bekendheid heeft gekregen. [gedaagde] heeft, zo heeft zij ter zitting ook toegelicht, pas in oktober dan wel november 2024 en dus enige tijd ná het merkdepot van [eiser] , de eerste stappen in het economisch verkeer gezet met de naam Cocon Perfume(s), door in het kader van de lancering van haar webshop een Instagrampagina op te richten voor promotionele doeleinden en eind december 2024 c.q. begin januari 2025 live te gaan met de verkoop van parfums via deze webshop. [gedaagde] is dus pas na voornoemde depotdatum de handelsnaam Cocon Perfume gaan voeren ter aanduiding van haar onderneming. 4.9. De voorzieningenrechter begrijpt dat [gedaagde] zich (tevens) beroept op rechtscheppend gebruik van haar (handels)naam door het uitvoeren van werkzaamheden ter voorbereiding op de lancering van haar webshop. Voor het verkrijgen van het recht op een handelsnaam kan onder omstandigheden ook voldoende zijn dat noodzakelijke voorbereidingshandelingen worden getroffen in de aanloop naar het daadwerkelijk drijven van de onderneming. 4.10. [gedaagde] heeft de handelsnaam ‘Cocon Perfume’ naar eigen zeggen gebruikt in (schriftelijke) correspondentie over de inkoop voor haar webshop, onder die naam offertes aangevraagd en de naam gebruikt in gesprekken met derden (waaronder met de bank) over haar (nog op te richten) onderneming. Verder stelt [gedaagde] tal van, (deels) offline gehouden, domeinnamen te hebben geregistreerd ten behoeve van haar onderneming en heeft zij ‘cocon parfum’ op enig moment toegevoegd aan de in het handelsregister van de KvK zichtbare activiteiten van haar onderneming. Nog daargelaten dat [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat de door [gedaagde] gestelde voorbereidende werkzaamheden heeft verricht, laat staan dat deze kwalificeren als handelsnaamgebruik in voornoemde zin en [gedaagde] haar stellingen in dit verband ook niet (met stukken of anderszins) heeft onderbouwd, is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] deze gestelde werkzaamheden reeds (deels) uitvoerde vóór de datum van het merkdepot door [eiser] . Het voorgaande betekent dat binnen het bestek van dit kort geding niet aannemelijk is geworden dat sprake is van rechtscheppend handelsnaamgebruik door [gedaagde] in de voorbereidingsfase van haar onderneming voorafgaand aan het merkdepot door [eiser] . 4.11. Gelet op het voorgaande kan [gedaagde] geen ouder recht van plaatselijke betekenis aan [eiser] tegenwerpen. Het beroep op artikel 2.23 BVIE gaat dan ook niet op. [gedaagde] heeft ter zitting nog opgemerkt dat zij omstreeks begin 2025 ook een merk met daarin de naam ‘Cocon’ heeft gedeponeerd bij het BBIE maar ook deze stelling heeft zij niet nader onderbouwd en bovendien is niet in geschil dat dit merkdepot in ieder geval dateert van na het merkdepot van [eiser] . Ook dit verweer kan [gedaagde] daarom niet baten. Merkinbreuk 4.12. Met betrekking tot de door [eiser] gestelde merkinbreuk wordt als volgt overwogen. Het is voorshands geoordeeld aannemelijk dat sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE omdat [gedaagde] op haar website en het verpakkingsmateriaal van de door haar aangeboden producten gebruik maakt van een teken, ‘Cocon’ c.q. ‘Cocon Perfume’, dat gelijk is aan het merk van [eiser] , ‘Cocon Parfumerie’, en dit teken in het economisch verkeer wordt gebruikt voor dezelfde (in dit geval) waren als waarvoor het merk is ingeschreven, te weten parfums. Het tussen het merk en het teken aanwezige verschil, in de -voor de door [gedaagde] aangeboden waren geheel beschrijvende- toevoeging ‘Parfumerie’ ten opzichte van ‘Perfume’ aan het woord ‘Cocon’, is dermate onbeduidend dat dit verschil aan de aandacht van de gemiddelde consument zal ontsnappen. [gedaagde] heeft het voorgaande ook niet betwist. Door gebruik te maken van (het teken ‘Cocon Perfume’
  7. in)de domeinnaam www.coconperfume.com, het e-mailadres info@cocon-perfumes.com en de Instagrampagina @cocon.perfume is voorshands geoordeeld tevens sprake van merkinbreuk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub d BVIE (gebruik van het teken anders dan ter onderscheiding van waren en diensten). [gedaagde] heeft in dit kader ook geen verweer gevoerd. De vordering strekkende tot staking van dit inbreukmakend handelen zal dan ook op de hierna geformuleerde wijze worden toegewezen. 4.13. Nu de inbreukvordering op de (primaire) merkenrechtelijke grondslag grotendeels toewijsbaar is, behoeven de stellingen omtrent inbreuk op handelsnaamrecht en het onrechtmatig handelen geen bespreking meer. De vorderingen 4.14. De vordering onder a. zal gelet op het voorgaande worden toegewezen voor zover de vordering ziet op het staken van ieder gebruik van het teken ‘Cocon’ door dit teken niet meer te gebruiken in online communicatie bestaande uit het gebruik van de Instagrampagina @cocon.parfume en door geen gebruik meer te maken van de domeinnaam www.coconperfume.com en het e-mailadres info@cocon-perfumes.com. Voor zover de vordering ziet op aanpassing van de tekst op de website, anders dan een aanpassing in die zin dat het teken ‘Cocon’ moet worden verwijderd, geldt echter dat dit deel van de vordering te algemeen en te onbepaald is geformuleerd om voor toewijzing in aanmerking te komen. Dit geldt ook voor zover de vordering ziet op een algemeen bevel om iedere inbreuk op het merk van [eiser] te (doen) staken en gestaakt houden. Of sprake is van inbreukmakend handelen vergt immers steeds een beoordeling van de concrete en specifieke omstandigheden van het geval. Het had in dit kader op de weg van [eiser] gelegen om toe te lichten dat [gedaagde] ook nog op een andere dan de hiervoor genoemde wijzen inbreuk maakt op haar woordmerk. Dat heeft [eiser] nagelaten. 4.15. [eiser] vordert onder b. opgave van allerhande informatie over de door [gedaagde] aangeboden producten en (de URL’s van) iedere openbaarmaking van het teken Cocon Perfume(
  8. s). Een opgavevordering strekt er naar zijn aard toe om verdere (dreigende) inbreuken te beëindigen en te voorkomen en [eiser] heeft in het geheel niet gesteld en onderbouwd welk belang zij heeft bij opgave van de door haar gevorderde informatie, terwijl dat zonder toelichting ook niet zonder meer valt in te zien. De vordering onder b. zal reeds daarom worden afgewezen. 4.16. [eiser] heeft veroordeling van [gedaagde] gevorderd tot betaling van dwangsommen indien [gedaagde] in strijd handelt met de veroordelingen uit dit vonnis. Deze dwangsommen zullen op de voet van artikel 611a Rv als volgt worden toegewezen. 4.17. Nu binnen het bestek van dit kort geding aannemelijk is geworden dat [gedaagde] inbreuk maakt op het merk van [eiser] , moet [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Dat betekent dat zij de proceskosten van [eiser] zal worden veroordeeld. [eiser] heeft met een beroep op artikel 1019h Rv veroordeling van [gedaagde] gevorderd tot vergoeding van de volledige advocaatkosten. In dat kader vordert [eiser] in totaal een bedrag van € 3.968,80 inclusief btw, ter onderbouwing waarvan zij een kostenspecificatie in het geding heeft gebracht. [gedaagde] heeft de redelijkheid en evenredigheid van deze kosten niet weersproken. Het door [eiser] gevorderde bedrag blijft verder ruimschoots binnen het indicatietarief voor een eenvoudig kort geding van € 6.000,00 (exclusief verschotten en conform de indicatietarieven in IE-zaken, versie 1 april 2017). Het door [eiser] gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen. Daarnaast zijn door [eiser] explootkosten (€ 119,40) en griffierecht (€ 331,00) van in totaal € 450,40 voldaan. Ook kan [eiser] aanspraak maken op nakosten in de hoogte van € 178,00, plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing. Gelet op het voorgaande komen de totale proceskosten van [eiser] uit op een bedrag van € 4.597,20. 4.18. De gevorderde wettelijke rente en nakosten zullen op de hierna weergegeven wijze worden toegewezen. 4.19. De termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak ex artikel 1019i Rv zal ten slotte zoals onweersproken gevorderd worden bepaald op zes maanden na de datum van dit vonnis. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de inbreuk op het merk Cocon Parfumerie te staken en gestaakt te houden door het teken Cocon niet meer te gebruiken op de Instagrampagina @cocon.parfume, door het teken ‘Cocon’ van de website van de onderneming van [gedaagde] te verwijderen en door het gebruik van de domeinnaam www.coconperfume.com en het e-mailadres info@cocon-perfumes.com te staken en gestaakt te houden, 5.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de veroordeling onder 5.1. voldoet, totdat een maximum van € 10.000,00 zal zijn bereikt, 5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.597,20, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. bepaalt ingevolge het bepaalde in artikel 1019i Rv de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak op zes maanden na de datum van dit vonnis, 5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar tot zover bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025. 1328 HvJ 2 juni 2022, ECLI:EU:C:2022:428. HR 19 april 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG5001. HvJ EG 20 maart 2003, ECLI:EU:C:2003:169.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.