RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/450506 / KG ZA 25-123 Vonnis in kort geding van 19 juni 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M. Stokdijk, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gezamenlijke gedaagden] , advocaat: mr. T.F.W. Bijloo. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 18, - de nagekomen producties 19 en 20 van [eiser] ,- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 22 van [gezamenlijke gedaagden] ,- de mondelinge behandeling van 27 mei 2025,- de pleitnota van [eiser] , tevens houdende wijziging van eis,- de pleitnota van [gezamenlijke gedaagden] , - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 mei 2025 met daarin opgenomen een vaststellingsovereenkomst ter gedeeltelijke beëindiging van het geschil. 2De feiten 2.1. [eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres] . Dat perceel heeft de kadastrale aanduiding [perceelnummer] . 2.2. [gezamenlijke gedaagden] zijn eigenaar van een bovenwoning gelegen op de eerste, tweede en derde verdieping aan de [adres 2] . Deze bovenwoning heeft de kadastrale aanduiding [perceelnummer] . Op de begane grond van dat pand bevindt zich een winkel. 2.3. De woningen van [eiser] en [gezamenlijke gedaagden] zijn via een toegangsdeur aan de [straat] te bereiken. Die deur leidt naar een gang die met de kadastrale perceelnummers [perceelnummer] en [perceelnummer] wordt aangeduid en die uitkomt op een binnenplaats, met perceelnummer [perceelnummer] . Aan voornoemde binnenplaats bevinden zich de (enige) toegangsdeuren tot zowel de woning van [eiser] als de woning van [gezamenlijke gedaagden] 2.4. Tussen partijen is op enig moment een hoogoplopend conflict ontstaan over onder meer het gebruik(srecht) van voornoemde (mandelige) binnenplaats en gangen. [gezamenlijke gedaagden] zijn eind 2022 een procedure tegen [eiser] gestart. In de deze procedure (met zaak-/rolnummer C/05/418556 / HA ZA 23-188) stonden onder meer de over en weer bestaande rechten en verplichtingen inzake de binnenplaats en de gangen centraal. Bij verstekvonnis van 25 januari 2023 van deze rechtbank zijn de vorderingen van [gezamenlijke gedaagden] toegewezen en is [eiser] veroordeeld tot verwijdering van de door haar geplaatste zaken op de binnenplaats. [eiser] is tegen dit verstekvonnis in verzet gekomen en zij heeft vorderingen in reconventie ingesteld. De rechtbank heeft op 17 januari 2024 inhoudelijk tussenvonnis (in verzet gewezen. Bij eindvonnis in verzet van 13 maart 2024 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het volgende beslist: ‘(…) 3. De beslissing De rechtbank in conventie 3.1. bekrachtigt het verstekvonnis van 25 januari 2023 met betrekking tot de in 3.1. van dat vonnis gegeven verklaring voor recht, 3.2. vernietigt het verstekvonnis voor het overige, (…) in reconventie (…) 3.8. verbiedt [gezamenlijke gedaagden] de binnenplaats kadastraal bekend als [perceelnummer] te gebruiken, behoudens voor zover dit gebruik inhoudt: - het te voet, met een (brom)fiets of ander klein voertuig aan de hand, een kinderwagen of kruiwagen komen van en gaan naar de [straat] en het gaan naar en komen van hun woning; - het stallen van maximaal twee fietsen in de aanwezige fietsenberging; (…)’ 2.5. In voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank met betrekking tot het gebruik van de binnenplaats en de gangen het volgende overwogen: ‘(…) Het gebruik van de binnenplaats (…) 4.9. Uit de tekst van de akte volgt het recht van [eiser] om met uitsluiting van eenieder – daaronder begrepen [gezamenlijke gedaagden] – gebruik te maken van de binnenplaats, waaronder ook de inrichting daarvan moet worden begrepen. Uit de bepalingen in artikel 2 sub b onder 1 tot en met 4 van de akte, in hun onderlinge samenhang beschouwd, volgt immers dat het uitsluitend recht om de binnenplaats te gebruiken beperkt wordt door het recht van [gezamenlijke gedaagden] om vanuit hun woning te komen en te gaan naar de [straat] . Deze doorgang mag door [eiser] niet worden belemmerd, bijvoorbeeld door het plaatsen van obstakels. Reeds daaruit moet worden afgeleid dat het [eiser] binnen die begrenzing verder vrij staat de binnenplaats in te richten. De a-contrario uitleg die [gezamenlijke gedaagden] aan artikel 2 sub b onder 5 van de akte hebben gegeven, kan ook niet gevolgd worden. Die bepaling is specifiek geschreven voor het plaatsen van een rijwiel- en containerberging op initiatief van één van de partijen. Uit die bepaling volgt dat [eiser] zich niet zou kunnen verzetten wanneer [gezamenlijke gedaagden] tot plaatsing van een dergelijk object zouden overgaan. De bepaling volgt op het onder 4 neergelegde uitsluitend gebruiksrecht dat aan [eiser] wordt verleend en vormt daarmee een beperking op het uitsluitend aan [eiser] toekomende recht om de binnenplaats te gebruiken en in te richten. De uitleg die [gezamenlijke gedaagden] aan de bepaling onder 5 hebben gegeven is bovendien in strijd met de bewoordingen van de akte, waarin juist een uitsluitend gebruiksrecht aan [eiser] is toegekend. Het uitsluitende gebruiksrecht dat is toegekend aan [eiser] is ook onverenigbaar met, anders dan incidenteel en kort durend, gebruik van de binnenplaats door [gezamenlijke gedaagden] (…) 4.12. [eiser] heeft gesteld dat [gezamenlijke gedaagden] in strijd met haar uitsluitende gebruiksrecht van de binnenplaats gebruik hebben gemaakt. In productie 3 bij haar verzetdagvaarding heeft [eiser] een aantal foto’s overgelegd waarop te zien is dat er fietsen en/of een scooter op de binnenplaats staan geparkeerd en dat er een groot pakket midden op die binnenplaats staat. [gezamenlijke gedaagden] hebben niet betwist dat dit pakket van hen was en dat de fietsen en scooters die op die afbeeldingen te zien zijn aan hen of aan gasten die zij ontvingen toebehoren. Een dergelijk gebruik van de binnenplaats komt in strijd met het uitsluitend gebruiksrecht dat toekomt aan [eiser] . Het recht van [gezamenlijke gedaagden] om te komen van en te gaan naar de [straat] omvat niet het recht om buiten de daartoe bestemde berging, anders dan incidenteel en kortdurend, rijwielen en goederen op de binnenplaats te stallen. Het door [eiser] gevorderde verbod zal dus worden toegewezen. Dat geldt niet voor de daaraan verbonden dwangsommen. [gezamenlijke gedaagden] hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij momenteel geen spullen meer op de binnenplaats stallen, behalve hun fietsen in de fietsenberging, en er is geen reden om aan te nemen dat zij zich in strijd met een verbod zullen gedragen. De mandelige gangen 4.13. Ten aanzien van de mandelige gangen zijn partijen geen bijzondere regeling overeengekomen, zodat [gezamenlijke gedaagden] en [eiser] daarop in beginsel beiden het recht van gebruik en genot hebben. [gezamenlijke gedaagden] hebben gesteld dat de plaatsing van een hek, een regenton en een airco door [eiser] dat recht van gebruik en genot doorkruisen. [gezamenlijke gedaagden] hebben echter niet nader onderbouwd op welke wijze zij gehinderd worden in het gebruik van de gangen door de plaatsing van het hek en de regenton, terwijl [eiser] heeft betwist dat [gezamenlijke gedaagden] daarvan hinder ondervinden. Bovendien heeft [eiser] onweersproken aangevoerd dat zij belang heeft bij het hek in verband met het mogelijk weglopen van haar hond. De regenton is overigens al door [eiser] verwijderd. (…)’ 2.6. Bij brief van 25 maart 2025 heeft [eiser] [gezamenlijke gedaagden] bij monde van haar advocaat verzocht om haar exclusieve gebruiksrecht op de binnenplaats, de uitkomst van de eerder gewezen vonnissen van 17 januari 2024 en 13 maart 2024 en alsmede haar privacy te respecteren. 2.7. [eiser] verblijft sinds de stadsbrand in Arnhem op 6 maart 2025 niet in haar woning. 3Het geschil 3.1. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling een gedeeltelijke schikking bereikt die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Deze vaststellingsovereenkomst is opgenomen in het hiervoor genoemde proces-verbaal van de mondelinge behandeling. Ingevolge de door partijen gemaakte afspraken heeft [eiser] haar (deels gewijzigde) vorderingen in conventie die zien op de camera’s (vorderingen 3 tot en met 5) ingetrokken. [gezamenlijke gedaagden] hebben hun vordering in reconventie geheel ingetrokken. 3.2. Met inachtneming van het voorgaande vordert [eiser] bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad: 1. [gezamenlijke gedaagden] te verbieden om het binnenterrein kadastraal bekend als [perceelnummer] te gebruiken, behoudens voor zover dit gebruik inhoudt: - het te voet, met een (brom)fiets of ander klein voertuig aan de hand, en kinderwagen of kruiwagen komen van en gaan naar de [straat] en het gaan naar en komen van hun woning; - het stallen van maximaal twee fietsen in de aanwezige fietsenberging; op straffe van een dwangsom van € 500,00 per keer dat [gezamenlijke gedaagden] hierop inbreuk maken, met een maximum van € 50.000,00; 2. [gezamenlijke gedaagden] te veroordelen om te gehengen en gedogen dat [eiser] gebruik maakt van de toegangssteeg, kadastraal bekend als [perceelnummer] en [perceelnummer] , voor zover dat gebruik is te verenigen met het recht van gebruik door [gezamenlijke gedaagden] en [gezamenlijke gedaagden] te verbieden om zaken te verwijderen of wijzigen die door [eiser] in, op, aan of boven deze percelen zijn aangebracht en die verenigbaar zijn met het recht van gebruik en genot door [gezamenlijke gedaagden] , op straffe van een dwangsom van € 500,00 per keer dat [gezamenlijke gedaagden] hierop inbreuk maken, met een maximum van € 50.000,00; 3. [gezamenlijke gedaagden] te veroordelen in de kosten van deze procedure inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over genoemde bedragen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis. 3.3. [gezamenlijke gedaagden] voeren verweer. [gezamenlijke gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling beoordelingskader in kort geding 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. 4.2. [gezamenlijke gedaagden] betwisten allereerst dat [eiser] spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Zij kunnen daarin niet worden gevolgd. [eiser] legt aan haar vorderingen onder meer ten grondslag dat [gezamenlijke gedaagden] (voortdurend) inbreuk maken op haar eigendoms- en gebruiksrechten op de binnenplaats en de toegangssteeg. Het spoedeisend belang volgt daarmee uit de aard van de vorderingen van [eiser] en het daaraan ten grondslag gelegde. [eiser] is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen. het gebruik van de binnenplaats 4.3. Bij eindvonnis van 13 maart 2024 heeft de rechtbank [gezamenlijke gedaagden] onder 3.8. verboden om de binnenplaats te gebruiken behoudens voor zover dit gebruik inhoudt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.