RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 24/6974, 24/6975, 24/6976, 24/6977, 24/6979, 24/6980 en 24/6981 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaken tussen [eiseres 1] , uit [plaats] , eiseres in 24/6974, 24/6975, 24/6976 en 24/6977 [eiseres 2] , uit [plaats], eiseres in 24/6979, 24/6980 en 24/6981 tezamen: eiseressen (gemachtigde: mr. M.L. de Bruijn), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de besluiten van de minister op de aanvragen van eiseressen voor de definitieve vaststellingen van de tegemoetkoming op grond van de tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW) over meerdere aanvraagperioden en de terugvorderingen van de te veel betaalde voorschotten. Eiseressen zijn het niet eens met deze besluiten op hun aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten van de minister op de aanvragen van eiseressen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister onvoldoende onderzoek heeft verricht voorafgaande aan de bestreden besluiten en daarom deze besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank zal daarom de bestreden besluiten vernietigen. De minister moet nieuwe besluiten nemen op de bezwaren van eiseressen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vraag: heeft de minister juist beslist op de aanvragen van eiseressen? Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels en de beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. [eiseres 1] heeft aanvragen ingediend voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkomingen op grond van de NOW 1, de NOW 3 (vierde tranche), de NOW 3 (vijfde tranche) en de NOW 4 (zesde tranche). De minister heeft op deze aanvragen beslist met zijn besluiten van respectievelijk 13 januari 2022, 12 januari 2024, 18 januari 2024 en 19 januari 2024. Met de vier bestreden besluiten van 25 juni 2024 (de bestreden besluiten I, II, III en IV) op de bezwaren van [eiseres 1] is de minister bij deze besluiten gebleven. 2.1. [eiseres 2] heeft aanvragen ingediend voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkomingen op grond van de NOW 1, NOW 3 (vierde tranche) en de NOW 3 (vijfde tranche). De minister heeft op deze aanvragen beslist met zijn besluiten van respectievelijk 13 januari 2022, 12 januari 2024 en 18 januari 2024. Met de drie bestreden besluiten van 25 juni 2024 (de bestreden besluiten V, VI en VII) op de bezwaren van [eiseres 2] is de minister bij deze besluiten gebleven. 2.2. Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft de beroepen op 10 juni 2025 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseressen, vertegenwoordigd door [persoon A] en de gemachtigde van eiseressen. De minister is, na bericht van afmelding, niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van de bestreden besluiten 3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. [eiseres 1] (met loonheffingsnummer [nummer 1]) en [eiseres 2] (met loonheffingsnummer [nummer 2]) maken onderdeel uit van een groep met aan het hoofd DS-10.V.-Holding B.V. [eiseres 1] is een organisatieadviesbureau dat haar opdrachtgevers ontzorgt op het gebied van kennis-, contract- en capaciteitsbehoeften op met name het gebied van infrastructuur. [eiseres 2] is gespecialiseerd in het geven van advies en het uitvoeren van projecten voor zowel opdrachtgever als opdrachtnemer in de droge en natte infrastructuur, energietechniek en (mobiele) telecom. [eiseres 2] heeft personeel in dienst en detacheert hen bij opdrachtgevers. 3.1. Op 6 april 2020 heeft [eiseres 1] een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de NOW 1. Daarop geeft zij aan dat zij vanaf 1 maart 2020 een omzetverlies van 100% verwacht te gaan lijden. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister, met zijn besluit van 10 april 2020, voor de maanden maart, april en mei 2020 een tegemoetkoming in de loonkosten toegekend van € 129.494. Daarvan wordt € 103.596 als voorschot betaald. Voor de berekening van de definitieve tegemoetkoming moet opnieuw een aanvraag worden ingediend. 3.1.1. Op 31 oktober 2021 heeft [eiseres 1] een aanvraag ingediend voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de NOW 1. Daarop geeft zij aan dat het bedrijf onderdeel is van een groep of een concern en dat het concern een omzetverlies heeft van 20% of meer, namelijk 38%. Bij deze aanvraag zijn een Samenstellingsverklaring van de accountant van 29 september 2021 en een Accountantsverklaring van 29 september 2021 gevoegd. 3.1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister, met zijn besluit van 13 januari 2022 de definitieve tegemoetkoming van [eiseres 1] berekend op € 56.569. Zij moet een bedrag van € 47.027 aan te veel ontvangen voorschot terugbetalen. 3.1.3. [eiseres 1] heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de NOW 3, vierde aanvraagperiode (vierde tranche). Op deze aanvraag geeft zij aan dat zij een omzetverlies van 55% verwacht te gaan lijden over de maanden januari, februari en maart 2021. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister op 15 maart 2021 een besluit genomen. Daarin is de tegemoetkoming vastgesteld op € 127.109. Daarvan wordt € 101.688 als voorschot betaald. Voor de definitieve vaststelling moet opnieuw een aanvraag worden ingediend. 3.1.4. Op 25 juli 2023 heeft [eiseres 1] een aanvraag ingediend voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de NOW 3 (vierde tranche). Daarop geeft zij aan dat het bedrijf onderdeel is van een groep of een concern en dat het concern een omzetverlies heeft van 20% of meer, namelijk 44%. Bij deze aanvraag zijn een Samenstellingsverklaring van de accountant inzake de aanvraag tot vaststelling van de derde, vierde, vijfde of zesde aanvraagperiode (NOW 3.1, 3.2, 3.3 of 4) van de NOW 3- of NOW 4-subsidie van 25 juli 2023 en een Accountantsverklaring van 25 juli 2023 gevoegd. 3.1.5. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister op 12 januari 2024 een besluit afgegeven. Daarin is de definitieve tegemoetkoming van [eiseres 1] op grond van de NOW 3 (vierde tranche) vastgesteld op € 74.572. Zij moet een bedrag van € 27.116 aan te veel ontvangen voorschot terugbetalen. 3.1.6. Op 27 mei 2021 heeft [eiseres 1] een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de NOW 3, vijfde aanvraag periode (vijfde tranche). Daarop geeft zij aan dat zij een omzetverlies van 48% verwacht te gaan lijden over de maanden april, mei en juni 2021. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister op 31 mei 2021 een besluit genomen. Daarin is de tegemoetkoming vastgesteld op € 81.350. Daarvan wordt € 65.079 als voorschot betaald. Voor de definitieve vaststelling moet opnieuw een aanvraag worden ingediend. 3.1.7. Op 25 juli 2023 heeft [eiseres 1] een aanvraag ingediend voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de NOW 3 (vijfde tranche). Daarop geeft zij aan dat het bedrijf onderdeel is van een groep of een concern en dat het concern een omzetverlies heeft van 20% of meer, namelijk 31%. Bij deze aanvraag zijn een Samenstellingsverklaring van de accountant inzake de aanvraag tot vaststelling van de derde, vierde, vijfde of zesde aanvraagperiode (NOW 3.1, 3.2, 3.3 of 4) van de NOW 3- of NOW 4-subsidie van 25 juli 2023 en een Accountantsverklaring van 25 juli 2023 gevoegd. 3.1.8. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister, met zijn besluit van 18 januari 2024, de definitieve tegemoetkoming van [eiseres 1] op grond van de NOW 3 (vijfde tranche) vastgesteld op € 52.540. Zij moet een bedrag van € 12.539 aan te veel ontvangen voorschot terugbetalen. 3.1.9. Op 23 september 2021 heeft [eiseres 1] een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de NOW 4, zesde aanvraagperiode (zesde tranche). Daarop geeft zij aan dat zij een omzetverlies van 49% verwacht te gaan lijden over de maanden juli, augustus en september 2021. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister, met zijn besluit van 28 september 2021, de tegemoetkoming vastgesteld op € 91.919. Daarvan wordt € 73.536 als voorschot betaald. Voor de definitieve vaststelling moet opnieuw een aanvraag worden ingediend. 3.1.10. Op 25 juli 2023 heeft [eiseres 1] een aanvraag ingediend voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de NOW 4 (zesde tranche). Daarop geeft zij aan dat het bedrijf onderdeel is van een groep of een concern en dat het concern een omzetverlies heeft van 20% of meer, namelijk 43%. Bij deze aanvraag zijn een Samenstellingsverklaring van de accountant inzake de aanvraag tot vaststelling van de derde, vierde, vijfde of zesde aanvraagperiode (NOW 3.1, 3.2, 3.3 of 4) van de NOW 3- of NOW 4-subsidie van 25 juli 2023 en een Accountantsverklaring van 25 juli 2023 gevoegd. 3.1.11. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister het besluit van 19 januari 2024 genomen. Daarin heeft hij de definitieve tegemoetkoming van [eiseres 1] op grond van de NOW 4 (zesde tranche) vastgesteld op € 65.542. Zij moet een bedrag van € 7.994 aan te veel ontvangen voorschot terugbetalen. 3.2. Op 6 april 2020 heeft [eiseres 2] een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de NOW 1. Daarop geeft zij aan dat zij een omzetverlies van 90% verwacht te gaan lijden. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister, met zijn besluit van 10 april 2020, de tegemoetkoming vastgesteld op € 320.869. Daarvan wordt € 256.698 als voorschot betaald. Voor de definitieve vaststelling moet opnieuw een aanvraag worden ingediend. 3.2.1. Op 31 oktober 2021 heeft [eiseres 2] een aanvraag ingediend voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de NOW 1. Daarop geeft zij aan het bedrijf onderdeel is van een groep of een concern en dat het concern een omzetverlies heeft van 20% of meer, namelijk 38%. Bij deze aanvraag zijn een Samenstellingsverklaring van de accountant van 29 september 2021 en een Accountantsverklaring van 29 september 2021 gevoegd. 3.2.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister op 13 januari 2022 een besluit genomen. Daarin is de definitieve tegemoetkoming van [eiseres 2] op grond van de NOW 1 vastgesteld op € 91.047. Zij moet een bedrag van € 165.651 aan te veel ontvangen voorschot terugbetalen. 3.2.3. Op 18 februari 2021 heeft [eiseres 2] een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de NOW 3, vierde aanvraagperiode (vierde tranche). Op deze aanvraag geeft zij dat zij een omzetverlies verwacht te gaan lijden van 55% over de maanden januari, februari en maart 2021. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister op 23 februari 2021 een besluit genomen. Daarin is de tegemoetkoming vastgesteld op € 179.150. Daarvan wordt € 143.319 als voorschot betaald. Voor de definitieve vaststelling moet opnieuw een aanvraag worden ingediend. 3.2.4. Op 25 juli 2023 heeft [eiseres 2] een aanvraag ingediend voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de NOW 3 (vierde tranche). Daarop geeft zij aan dat het bedrijf onderdeel is van een groep of een concern en dat het concern een omzetverlies heeft van 20% of meer, namelijk 44%. Bij deze aanvraag zijn een Samenstellingsverklaring van de accountant inzake de aanvraag tot vaststelling van de derde, vierde, vijfde of zesde aanvraagperiode (NOW 3.1, 3.2, 3.3 of 4) van de NOW3- of NOW4-subsidie van 25 juli 2023 en een Accountantsverklaring van 25 juli 2023 gevoegd. 3.2.5. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister op 12 januari 2024 een besluit genomen. Daarin is de definitieve tegemoetkoming van [eiseres 2] op grond van de NOW 3 (vierde tranche) vastgesteld op € 128.254. Zij moet een bedrag van € 15.065 aan te veel ontvangen voorschot terugbetalen. 3.2.6. Op 27 mei 2021 heeft [eiseres 2] een aanvraag ingediend voor de tegemoetkoming op grond van de NOW 3, vijfde aanvraagperiode (vijfde tranche). Daarop geeft zij aan dat zij verwacht een omzetverlies van 48% te gaan lijden over de maanden april, mei en juni 2021. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister op 31 mei 2021 een besluit genomen. Daarin is de tegemoetkoming vastgesteld op € 156.349. Daarvan wordt € 125.079 als voorschot betaald. Voor de definitieve vaststelling moet opnieuw een aanvraag worden ingediend. 3.2.7. Op 25 juli 2023 heeft [eiseres 2] een aanvraag ingediend voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de NOW 3 (vijfde tranche). Daarop geeft zij aan dat het bedrijf onderdeel is van een groep of een concern en dat het concern een omzetverlies heeft van 20% of meer, namelijk van 31%. Bij deze aanvraag zijn een Samenstellingsverklaring van de accountant inzake de aanvraag tot vaststelling van de derde, vierde, vijfde of zesde aanvraagperiode (NOW 3.1, 3.2, 3.3 of 4) van de NOW3- of NOW 4-subsidie van 25 juli 2023 en een Accountantsverklaring van 25 juli 2023 gevoegd. 3.2.8. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister op 18 januari 2024 een besluit genomen. Daarin is de definitieve tegemoetkoming van [eiseres 2] op grond van de NOW 3 (vijfde tranche) vastgesteld op € 70.225. Zij moet een bedrag van € 54.854 aan te veel ontvangen voorschot terugbetalen. Wat vindt de minister? 4. De minister heeft aan de bestreden besluiten – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. De minister gaat niet mee met de verzoeken van eiseressen om het omzetverlies te wijzigen naar de door hen gevraagde percentages. Zij hebben met de aanvragen voor de subsidievaststellingen accountantsverklaringen meegestuurd. Daarin staat vermeld wat het omzetverlies van eiseressen over de verschillende aanvraagperioden is. Daarom heeft de minister de subsidies op basis van deze percentages omzetverlies vastgesteld. Die zijn lager dan de geschatte percentages omzetverlies die eiseressen bij de aanvragen voor subsidieverleningen hebben opgegeven. De minister is van mening dat hij bevoegd is om de subsidies lager vast te stellen dan de verstrekte voorschotten. De omzetverliezen van eiseressen zijn namelijk lager uitgevallen dan zij hadden verwacht. De minister volgt eiseressen niet in hun stelling dat hij moet uitgaan van andere percentages omzetverlies dan de percentages omzetverlies die de accountant heeft opgegeven in zijn accountantsverklaringen. Het is namelijk aan de accountant om een accountantsverklaring op te stellen. De accountant is daarvoor als deskundige aangewezen. De minister heeft er bewust voor gekozen om bij de aanvraag voor de subsidievaststelling de verplichting te stellen een accountantsverklaring mee te sturen. Indien eiseressen het niet eens zijn met de accountantsverklaringen, moeten zij zich tot de accountant wenden. De minister hoeft niet na te gaan of het onderzoek door de accountant op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het vragen om een accountantsverklaring en een subsidievaststelling op basis van de accountantsverklaring is een geschikt en noodzakelijk middel om een legitiem doel te bereiken, namelijk de juiste besteding van subsidiegelden. De accountant heeft verklaringen afgegeven op basis van de NOW-regeling en de daarbij behorende accountantsprotocollen. De accountant is dus uitgegaan van het omzetbegrip zoals dat in de NOW-regeling staat opgenomen. Voor het omzetbegrip in de zin van de NOW-regeling wordt aangesloten bij de definitie van omzet in het jaarrekeningenrecht. De reden daarvoor is dat het omzetbegrip in deze regeling zo dicht mogelijk aansluit bij het activiteitenniveau van de onderneming, de instelling, of het concern. Dit is van belang omdat de ontwikkeling van de omzetdaling daarmee voor een belangrijk deel kan samenhangen. De Minister heeft in het antwoord op vragen van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 april 2020 toegelicht dat de gekozen berekeningswijze van de omzetdaling eenvoudig is vast te stellen en goed controleerbaar is. Daarin wordt in zekere mate met verschillende factoren rekening gehouden, maar vanwege het streven naar eenduidigheid en eenvoud kan geen rekening worden gehouden met alle factoren en bedrijfsspecifieke kenmerken. Dit is nodig omdat de regeling een noodmaatregel is die eenvoudig moet zijn om snel grote aantallen aanvragen te kunnen behandelen. De Minister heeft dus uitdrukkelijk gekozen voor deze omzetdefinitie in het belang van een eenduidige en werkbare uitvoering van de NOW-regeling. Dat is een legitiem doel waaraan zwaarwegende betekenis toekomt. In opvolgende versies van de NOW is de definitie van omzet bovendien niet gewijzigd, zodat kan worden aangenomen dat de regelgever eventuele knelpunten daarin niet aanwezig of van onvoldoende gewicht heeft geacht.Daar staat tegenover dat strikte toepassing van de omzetdefinitie voor eiseressen financieel nadelige gevolgen heeft. De minister ziet geen aanleiding om dit financiële nadeel als onevenredig te beschouwen. Hoewel de minister het vervelend voor eiseressen vindt dat de NOW-regeling nadelig voor hen uitpakt, komt het voor hun rekening en risico dat zij door middel van de in- en doorleen van zelfstandigen een aanzienlijke omzet hebben kunnen realiseren en dat daardoor hun omzetverliezen voor de NOW lager uitvallen. Dat de inkoopkosten hierdoor zijn gestegen, maakt dat niet anders. Dat is namelijk een keuze die in de risicosfeer van eiseressen ligt. De NOW is bovendien een tegemoetkoming in de loonkosten en is niet bedoeld als een subsidie voor de vaste lasten. Dat betekent dat de minister niet meegaat met de verzoeken van eiseressen om de omzetverliezen te relateren aan de inzetbaarheid van de werknemers in loondienst. De minister gaat uit van de omzetverliezen die de accountant van eiseressen heeft opgegeven in de meegezonden accountantsverklaringen. Voor de definitieve vaststellingen van de tegemoetkomingen van [eiseres 2] op grond van de NOW 3 (vierde tranche) en NOW 3 (vijfde tranche) stelt de minister zich aanvullend op het standpunt dat de subsidie ook lager vast is gesteld dan het verstrekte voorschot, omdat de loonsom over respectievelijk de maanden januari tot en met maart 2021 en over de maanden april tot en met juni 2021 met meer dan 10% is gedaald ten opzichte van drie keer de loonsom van juni 2020. [eiseres 2] heeft dus in de subsidieperiode minder loonkosten gemaakt, waardoor zij minder subsidie ontvangt. De minister is van mening dat het redelijk is om de subsidie lager vast te stellen als er minder loonkosten zijn gemaakt in de subsidieperiode. Wat betreft de terugvorderingen overweegt de minister dat in de NOW-regeling is opgenomen dat het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk kan worden teruggevorderd indien dit ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt, of indien niet aan de verplichtingen uit de regeling is voldaan. In de situatie van eiseressen zijn de voorschotten tot te hoge bedragen verstrekt, omdat hun daadwerkelijke omzetverliezen lager waren dan hun geschatte omzetverliezen. Vanuit het oogpunt van zorgvuldige besteding van publieke middelen maakt de minister in beginsel gebruik van zijn bevoegdheid om het onverschuldigd verstrekte voorschot terug te vorderen indien niet is voldaan aan de verplichtingen uit de regeling. Daarbij is van belang dat eiseressen meer subsidie ontvangen dan waarop zij op basis van de NOW-regeling recht hebben indien de minister geheel of gedeeltelijk afziet van de terugvordering. De minister concludeert dat de terugvorderingen van de te veel ontvangen voorschotten in het geval van eiseressen terecht zijn. De zorgvuldige besteding van publieke middelen is een legitiem doel waaraan belangrijke betekenis toekomt. De terugvordering van de te veel ontvangen bedragen aan subsidie is naar de mening van de minister een geschikt en noodzakelijk middel om dat gerechtvaardigde doel te bereiken. De subsidie moet namelijk toekomen aan de werkgevers die daar recht op hebben. Daarnaast kan het beschikbare budget voor deze tijdelijke noodmaatregel maar één keer worden besteed. Dat eiseressen niet alle NOW-tranches hebben aangevraagd terwijl zij daar naar hun mening wel recht op hadden gehad, maakt dit niet anders. Het is namelijk de keuze van eiseressen welke NOW-tranches zij wel of niet aanvragen. De minister is van mening dat eiseressen geen bijzondere omstandigheden naar voren hebben gebracht die ertoe leiden dat de terugvorderingen van de te veel ontvangen bedragen aan subsidie onevenredig zijn. Wat vinden eiseressen? 5. Eiseressen zijn het niet eens met de bestreden besluiten en voeren daartegen – samengevat – het volgende aan. Eiseressen hebben voldaan aan de voorwaarden die NOW 1, NOW 3 (vierde en vijfde tranche) en NOW 4 (zesde tranche) stellen. Er is sprake geweest van een acute terugval van de omzet voor meer dan 20% gedurende de aanvraagperiodes, er is 100% vermindering in de bedrijvigheid geweest en eiseressen hebben alle werknemers in dienst kunnen houden voor hetzelfde urenaantal. Ook aan de vereisten van (kort gezegd) het verbod om winst, bonussen of dividend uit te keren is voldaan. Eiseressen hebben dan ook recht op de subsidies. Eiseressen stellen zich op het standpunt dat de minister de omzetverliezen en dus de percentages die bepalend zijn voor de toekenning van de subsidies op een onjuiste wijze heeft vastgesteld. De minister heeft namelijk uitsluitend op basis van de accountantsverklaringen de percentages omzetverlies vastgesteld, maar daarbij geen rekening gehouden met het feit dat de opbrengst van eiseressen in dezelfde periode geen gevolg is van de uitvoering van de normale activiteiten van de onderneming. Relevant hierbij is dat het wettelijk kader en/of de toelichting van het begrip omzetverlies/omzetdaling na de inwerkingtreding van NOW 1 nooit is gewijzigd. De normale activiteiten van [eiseres 2] en [eiseres 1] bestaan kort gezegd uit het uitzenden van personeel bij opdrachtgevers in de energie-, telecom- en infrasectoren. Eiseressen hebben bij deze normale activiteiten aantoonbaar (het verwachte percentage aan) omzetverlies geleden. Ook hebben zij aan alle andere vereisten voor het toekennen van de subsidie voldaan: de loonsom is zoveel mogelijk gelijk gebleven, er is geen ontslag vanwege bedrijfseconomische redenen geweest en ook aan de overige verplichtingen is voldaan. Dit betekent dat zij recht hebben op de volledige subsidie voor de aangevraagde tegemoetkomingen. De minister was concluderend niet bevoegd om de subsidies lager vast te stellen dan de verstrekte voorschotten. Daarnaast wijzen eiseressen erop dat de minister de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel, niet in acht heeft genomen. De minister stelt in de bestreden besluiten dat het voor rekening van eiseressen komt 'dat minder omzetverlies is geleden dan van te voren is ingeschat'. Dit is onjuist. Eiseressen hebben niet minder omzetverlies geleden dan van te voren is ingeschat: zij hebben exact het omzetverlies geleden, zoals bij de aanvragen van de subsidies is gedacht. Immers, er is geen enkele omzet met de normale bedrijfsactiviteiten in de referteperioden behaald. Het feit dat eiseressen andere niet-normale activiteiten hebben uitgevoerd - die bestaan uit (ver)bouwwerkzaamheden en dus uit iets heel anders dan de normale bedrijfsactiviteiten - doet hier niet aan af. Het doel van alle NOW-regelingen is het behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid. Hierbij is aangesloten bij de BBL-regeling. Anders zou het aantrekkelijk worden om mensen te ontslaan en zo bewust de loonsom te laten dalen zodat én de kosten verminderen én de volledige subsidie wordt ontvangen voor de resterende loonsom. Er is dus in de periodes waar de vijf aanvragen op zien een aanzienlijk (lees: tussen de 56% en de 64%) omzetverlies bij de uitvoering van de normale activiteiten door eiseressen geleden. Eiseressen hebben er bewust voor gekozen om geen andere entiteit voor het verrichten van de niet-normale bedrijfsactiviteiten op te richten, maar hadden ze dat wel gedaan, dan hadden eiseressen wel volledig recht gehad op de subsidies. Dit kan en mag niet de bedoeling zijn geweest van de regeling. Eiseressen hebben dus het gevoel nu gestraft te worden, omdat zij andere activiteiten hebben verricht om de organisatie in beweging te houden. Niet door het uitoefenen van de normale bedrijfsactiviteiten, maar door het verrichten van bedrijfsactiviteiten die op geen enkele wijze tot de normale bedrijfsvoering behoren. En dit is naast het gebruik maken van de NOW-regelingen mogelijk gemaakt. Een andere uitleg van (het doel van) de NOW-regelingen zou niet alleen in strijd met de wet- en regelgeving zijn, maar ook in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Tot slot vragen eiseressen aandacht voor het feit dat het financiële nadeel als onevenredig moet worden beoordeeld en dus sprake is van een schending van het evenredigheidsbeginsel. De minister stelt dat de financieel nadelige gevolgen van de wijze van omzetberekening niet onevenredig voor eiseressen zijn, maar eiseressen betwisten dit. Dit is nu juist wel het geval. Vanwege de strikte benadering van het begrip omzetverlies en het feit dat enkel naar de accountantsverklaring wordt gekeken, wordt geen rekening gehouden met de daadwerkelijke feiten en omstandigheden: de opbrengsten en (extra) gemaakte (inkoop)kosten maken geen deel uit van de normale bedrijfsuitoefening. Een strikte toepassing van de NOW-regeling past voorts ook niet bij het evenredigheidsbeginsel: dit is niet noodzakelijk en niet evenwichtig, althans de minister heeft dit onvoldoende aangetoond. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. Bij deze toetsing dienen de geschiktheid, de noodzakelijkheid en vooral de evenwichtigheid van het (bestreden) besluit te worden betrokken. De minister heeft onvoldoende ervan blijk gegeven dat dit is gedaan. Volgens eiseressen is geen maatwerk toegepast, terwijl dat wel had gemoeten. Ook heeft de minister niet aangetoond dat zij de wederzijdse belangen heeft afgewogen voordat zij tot de besluitvorming is overgegaan. De minister moet een afweging maken tussen het belang van een juiste vaststelling van de NOW-subsidie enerzijds en de gevolgen van een lagere vaststelling voor de betrokkene anderzijds. Eiseressen hebben meermaals en ook tijdens de mondelinge behandeling van de bezwaren laten weten dat een terugbetaling van de voorschotten op de subsidie zal leiden tot serieuze financiële problematiek waarbij eiseressen een faillissement niet uitsluiten. De minister heeft er geen blijk van gegeven dat hij met dit belang rekening heeft gehouden. Als de bestreden besluiten in stand blijven en eiseressen een bedrag van in totaal € 235.570 moeten terugbetalen, dan zal dit leiden tot aanzienlijke liquiditeitsproblemen voor eiseressen. De heer [persoon A], bestuurder van beide ondernemingen, acht de kans groot dat de vennootschappen dan zullen moeten worden geliquideerd, omdat niet langer aan de verplichtingen kan worden voldaan. Door het verrichten van de niet-normale bedrijfsactiviteiten hebben eiseressen weliswaar omzet gedraaid, maar met een marginale winstmarge. Bovendien zijn de door hen gemaakte kosten vele malen hoger gebleken dan de gegenereerde omzet. De extra kosten zijn voornamelijk gemaakt door de (in)huur van materiaal en onderaannemers. De overige kosten zijn gelijk gebleven, maar de omzet die deze extra kosten zou moeten dekken, is weggevallen. Met andere woorden: eiseressen hebben in de perioden waar de toekenning van de subsidies op ziet dus geen enkele omzet gedraaid. Dit heeft er zelfs toe geleid dat eiseressen nu al extra leningen moeten aangaan. Het is dus niet zo, zoals de minister lijkt te veronderstellen, dat eiseressen van twee walletjes hebben gegeten. Het geheel overziend is de verwachte omzetdaling van de normale activiteiten van eiseressen (helaas) de daadwerkelijke omzetdaling geworden. Eiseressen hebben door het verrichten van niet-normale bedrijfsactiviteiten in combinatie met het maken van niet-normale kosten, die geen verband houden met de normale bedrijfsactiviteiten (het inhuren van personeel), toch een omzet kunnen draaien. Eiseressen stellen zich op het standpunt dat dit hen, zowel op grond van de wet- en regelgeving als op grond van de redelijkheid en billijkheid, niet kan worden toegerekend. Gelet op de hoge kosten waarmee het verrichten van niet-normale bedrijfsactiviteiten gepaard is gegaan, is overigens feitelijk meer betaald dan omgezet. Dit betekent dat de bestreden besluiten geen stand kunnen houden en moeten worden vernietigd. Sterker nog, naast de toegekende voorschotten van 90% hebben eiseressen nog recht op aanvullende voorschotten van 10%. Dit betreft een bedrag van € 156.149 voor [eiseres 2] en een bedrag van € 24.038 voor [eiseres 1] Het verweer van de minister 6. In zijn verweerschrift van 2 september 2024 stelt de minister het volgende. Een tegemoetkoming op grond van de NOW is een subsidie als bedoeld in titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan een subsidie kunnen verplichtingen worden verbonden. Op grond van artikel 4:37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb is aan eiseressen de verplichting opgelegd om een accountantsverklaring over te leggen. Voor het definitief vaststellen van de subsidie moet de aanvrager immers aantonen wat de omzet is geweest. In de NOW-regelingen is bepaald dat de aanvraag van de vaststelling vergezeld gaat van een verklaring over de naleving van de subsidievoorwaarden, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep. Deze verklaring voldoet aan standaarden die door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants zijn vastgesteld, met inachtneming van het in de bijlage bij de NOW-regelingen opgenomen accountantsprotocol. Met het accountantsprotocol wordt beoogd om een efficiënte en effectieve uitvoering betreffende de werkzaamheden van de accountants inzake de informatie, opgenomen in de aanvraag tot vaststelling, te bevorderen. Uit het voorgaande volgt dat de NOW-regeling voorschrijft dat bij de vaststelling uitgegaan wordt van de omzetdaling zoals door de accountant is bevestigd in de accountantsverklaring. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen normale en andere activiteiten van de werkgever. In de NOW is geen bepaling opgenomen waarbij hiervan kan worden afgeweken. De NOW-regeling bevat ook geen hardheidsclausule. De besluiten zijn in overeenstemming met de uitdrukkelijke bedoeling van de minister en de in dat verband gemaakte keuze voor de verplichting tot het aanleveren van de accountantsverklaring bij het (definitief) vaststellen van de NOW-subsidie nadat deze eerder (voorlopig) verleend is. De minister schakelt niet zelf een accountant in ter voorbereiding van de vaststellingsbesluiten. Er is dus geen sprake van een advies dat de minister ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluitvorming. Het is gelet op de bepalingen in de NOW-1 immers aan eiseressen om zelf een accountantsverklaring in te dienen. De minister hoeft zich daarom niet op grond van artikel 3:9 van de Awb dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 van de Awb) te vergewissen of het onderzoek door de accountant op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, dan wel zelf een inhoudelijk oordeel te geven over de omzetdaling. Hetgeen eiseressen wensen en stellen omtrent dit punt, is bovendien niet uitvoerbaar. Het belang van de minister weegt hierin zwaarder dan de belangen van eiseressen. De vraag die voorligt is of voldoende evenwicht is behouden tussen het algemeen belang bij een consistente uitvoering en het particuliere belang van de subsidieontvangers. De minister meent dat ook bij deze afweging niet gezegd kan worden dat de uitkomst onredelijk bezwarend is voor eiseressen. Bij de toepassing van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb moet de minister een afweging maken tussen het belang van een juiste vaststelling van de tegemoetkoming in de loonkosten enerzijds en de gevolgen van een lagere vaststelling voor eiseressen anderzijds. Op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel mogen de voor eiseressen nadelige gevolgen van de lagere vaststelling niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 2 februari 2022 heeft overwogen, is de ratio van het evenredigheidsbeginsel niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodige nadelige gevolgen. Het vragen van een accountantsverklaring is een geschikt en noodzakelijk middel om een legitiem doel te bereiken, namelijk een juiste besteding van subsidiegelden. De minister heeft daarmee ook gehandeld in overeenstemming met de (Rijksbreed geldende) Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. Afweging van de nadelige gevolgen van de bestreden besluiten in verhouding tot het doel daarvan leidt volgens de minister tot de conclusie dat het vaststellen van de definitieve tegemoetkomingen niet onevenredig is. De minister heeft het evenredigheidsbeginsel ook in aanmerking genomen bij het nemen van de bestreden besluiten en daarmee is naar zijn mening voldoende rekening gehouden door te overwegen dat hij geen aanleiding ziet om van de bepalingen van de NOW af te wijken. Voor wat betreft de belangenafweging die ten grondslag ligt aan de terugvorderingen hanteert de minister als uitgangspunt dat hij uit het oogpunt van een zorgvuldige besteding van publieke middelen in beginsel gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot terugvordering. De voor de werkgever nadelige gevolgen van een terugvordering mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot het met de terugvordering te dienen doel. De minister kan echter niet ambtshalve vaststellen of er redenen zijn om van terugvordering af te zien. Het is dus aan de werkgever om te stellen dat daar reden toe is. Dat er in de situatie van eiseressen een terugvordering is ontstaan is op zich iets wat de minister betreurt, doch dit brengt niet zonder meer met zich mee dat er sprake zou zijn van onaanvaardbare consequenties voor eiseressen. De situatie van eiseressen wijkt voor zover de minister bekend niet af van die van overige werkgevers die te veel aan of ten onrechte voorschotten NOW hebben ontvangen en dientengevolge een bedrag dienen terug te betalen. Er is bij de uitvoering bijzondere aandacht voor de betalingsmogelijkheden van de werkgever. Als de werkgever meldt dat hij in betalingsproblemen komt, zoekt het UWV een oplossing. Eiseressen hebben tot op heden slechts gesteld in de problemen te komen, maar hebben dit niet onderbouwd met bijvoorbeeld stukken waaruit dit blijkt zodat het gestelde beoordeeld zou kunnen worden, aldus de minister. Wat vindt de rechtbank? 7. De rechtbank stelt vast dat allereerst in geschil is of voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkomingen op grond van de van toepassing zijnde NOW-regelingen de omzet die eiseressen behaald hebben met andere dan hun normale bedrijfsactiviteiten buiten beschouwing moet worden gelaten. 7.1. In zowel de NOW 1, de NOW 3 als in de NOW 4 is in artikel 1, tweede lid bepaald dat alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, onder omzet in de zin van deze regeling vallen. 7.2. In de toelichting op de NOW 1 staat: “Voor de definitie van omzet wordt aangesloten bij de omzetdefinitie in het jaarrekeningenrecht. Kern is dat het omzetbegrip in deze regeling zo dicht mogelijk aansluit bij het activiteitenniveau van de onderneming, instelling, of het concern. Dit is van belang omdat de ontwikkeling van de omzetdaling daarmee voor een belangrijk deel kan samenhangen. Op grond van de begrippen in het Burgerlijk Wetboek (artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek) en de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving (RJ 940) wordt uitgegaan van de netto-omzet, waarbij het gaat om de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon onder aftrek van kortingen en dergelijke van over de omzet geheven belasting. Opbrengsten zijn baten die ontstaan bij de uitvoering van de normale activiteiten van een onderneming. Dit betekent dat omzet wordt verantwoord als de activiteiten betrekking hebben op de levering van goederen of diensten voor een specifieke klant waarmee een (verkoop)contract is gesloten.” 7.3. Uit artikel 13, tweede lid, van de NOW 1, artikel 13, eerste lid, van de NOW 3 en artikel 15, eerste lid, van de NOW 4 volgt dat bij de aanvragen voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming een accountantsverklaring moet worden overgelegd. Deze accountantsverklaring moet voldoen aan de vereisten van de accountantsprotocollen bij de betreffende NOW-regeling. In paragraaf 2.2. van het accountantsprotocol van de NOW 1 wordt voor het netto-omzetbegrip aangesloten bij het omzetbegrip van artikel 1, tweede lid, van de NOW 1. In het accountantsprotocol van de NOW 3 en de NOW 4 wordt in paragraaf 2.2 voor het netto-omzetbegrip ook aangesloten bij artikel 1, tweede lid, van de NOW 3 en artikel 1, tweede lid, van de NOW 4. 7.4. Uit de artikelen 1, tweede lid, van de NOW 1, de NOW 3 en de NOW 4, de toelichting daarop en de accountantsprotocollen van de NOW 1, de NOW 3 en de NOW 4 blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat voor het bepalen van de omzet en het percentage aan omzetverlies uitsluitend mag worden gekeken naar de omzet die eiseressen hebben behaald tijdens de verschillende aanvraagperioden bij de uitvoering van hun normale bedrijfsactiviteiten. 7.5. Gelet op het voorgaande is daarom allereerst van belang vast te stellen wat de normale bedrijfsactiviteiten van eiseressen zijn en vervolgens of de omzet die zij hebben behaald tijdens de verschillende aanvraagperioden behaald is bij de uitvoering van deze normale bedrijfsactiviteiten. 7.6. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [eiseres 1] volgt dat tot haar normale bedrijfsactiviteiten horen: het volledig ontzorgen van haar opdrachtgevers op het gebied van kennis-, contract- en capaciteitsbehoeften (organisatieadviesbureau). Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [eiseres 2] volgt dat tot haar normale bedrijfsactiviteiten horen: het ontzorgen van opdrachtgevers bij hun kennis-, contract- en capaciteitsbehoeften op onder andere het gebied van personeel; software- & product development; het ontzorgen van opdrachtgevers bij hun kennis-, contract- en capaciteitsbehoeften; het aannemen van projecten in de infra (elektrotechnische); het aannemen van projecten in de infra (civiel) en het aannemen van projecten in de telecom. Uit het uittreksel van [eiseres 2] blijkt verder welke SBI-codes door de Kamer van Koophandel aan de onderneming zijn toegekend. Daarbij gaat het om arbeidsbemiddeling, uitzend- en uitleenbureaus, elektrotechnische bouwinstallatie en wegenbouw. 7.7. In bezwaar hebben eiseressen gesteld dat de omzet die zij tijdens de aanvraagperioden hebben behaald is gemaakt middels de in- en doorleen van derden en zelfstandigen. De eigen werknemers van eiseressen waren volgens eiseressen niet bekwaam voor deze werkzaamheden en daarom niet inzetbaar. In alle bezwaarschriften komt een passage voor (die voor eiseressen voor zover het gaat om dezelfde aanvraagperiodes gelijkluidend
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.