← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:7205

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05/333822-21 en 05/305430-22 (gev. ttz) Datum uitspraak : 20 augustus 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] , op dit moment gedetineerd in de [plaats] . raadsvrouw: mr. C.H.J. van Dooijeweert, advocaat in Barneveld. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: parketnummer 05/333822-21 feit 1 hij op of omstreeks 30 mei 2020 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van de bankpas (op naam gesteld van voornoemde [aangever] ) en/of de daarbij behorende pincode, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die voornoemde [aangever] en/of een derde toebehoorde(n), door:- die voornoemde [aangever] opzettelijk dreigend en/of agressief de woorden toe te voegen “he, je moet wat voor ons doen, je moet voor ons pinnen en dan krijg jij daarvoor weed” en/of- de telefoon van die voornoemde [aangever] af te pakken en/of- die voornoemde [aangever] naar achter te duwen en/of- een lemmet van een mes te pakken en/of te tonen aan die voornoemde [aangever] en/of- die voornoemde [aangever] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen dat hij, [aangever] , rustig aan moest doen en dat het dan zo voorbij zou zijn; feit 2 hij op of omstreeks 30 mei 2020 te Westervoort, althans in Nederland, in totaal (ongeveer) 2.500 euro, althans een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(

  1. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door oneigenlijk gebruik te maken van een bankpas van [aangever] (op wiens rekening een of meerdere geldbedragen van voornoemde [aangever] is gestort), waarmee hij, verdachte, (zonder toestemming) heeft gepind; feit 3 hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 12 juni 2020 tot en met 13 juni 2020 te Arnhem, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, in totaal 7.760 euro, althans een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [aangever] en/of [aangever] en/of [aangever] in elk geval aan een ander dan aan verdachte, toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een of meer valse sleutel, te weten door oneigenlijk gebruik te maken van een bankpas van [aangever] (op wiens rekening een of meerdere geldbedragen van voornoemde [aangever] en/of [aangever] zijn/is gestort), waarmee hij, verdachte, (zonder toestemming) heeft gepind; feit 4 hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 juni 2020 tot en met 13 juni 2020 te Arnhem, althans in Nederland, een betaalpas op naam van [aangever] (behorende tot de bankrekening [rekeningnummer] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. parketnummer 05/305430-22 feit 1 hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 5 januari 2022 tot en met 17 januari 2022 te Arnhem en/of Duiven en/of Westervoort, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een betaalpas van de Rabobank (op naam gesteld van voornoemde [aangever] ) en/of de daarbij behorende pincode en/of een id-kaart en/of een betaalpas van de KNAB (op naam gesteld vanvoornoemde [aangever] ) en/of de daarbij behorende (pin)code in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die voornoemde [aangever] en/of een derde toebehoorde(n), door:- die voornoemde [aangever] middels een (Snapchat)bericht opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen: “ik zoek je op” en/of “ik weet je adres” en/of “ik stuur jongens op je af” en/of “dat er vandaag geld moet komen, omdat zij er anders voor opdraaien” en/of- die voornoemde [aangever] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen dat als voornoemde [aangever] niet zou betalen diens, [aangever] , tanden uit de bek worden geslagen en/of dat er mensen bij voornoemde [aangever] langs zouden worden gestuurd, en/of- die voornoemde [aangever] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen dat er elke dag 100 euro bij het openstaande bedrag zou komen en dat als [aangever] diens pinpas zou afgeven, dat het probleem zou worden opgelost en/of- die voornoemde [aangever] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen dat er een mogelijkheid was om van de schuld af te komen en/of dat voornoemde [aangever] dan diens betaalpassen moest afstaan en/of- die voornoemde [aangever] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen dat hij, voornoemde [aangever] , geld terug moest betalen omdat hij, voornoemde [aangever] , anders problemen zou krijgen; feit 2 hij op of omstreeks 15 januari 2022 te Arnhem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag van 3.100 euro, althans een geldbedrag van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
  2. n)weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, (meermalen) oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de betaalpas van [aangever] (op wiens rekening het geldbedrag van voornoemde [aangever] is gestort) en/of de betaalpas van [aangever] in een geldautomaat heeft gedaan en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 3 hij op of omstreeks 23 mei 2022 te Velp, gemeente Rheden, althans in Nederland, een betaalpas van de Rabobank (op naam van [aangever] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen,terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; feit 4 hij op of omstreeks 23 mei 2022 te Velp, gemeente Rheden, althans in Nederland, een of meerdere geldbedragen (met een totaalbedrag van € 2.800), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
  3. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door (meermalen) oneigenlijk gebruik te maken van de betaalpas van voornoemde [aangever] . 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle onder parketnummers 05/333822-21 en 05/305430-22 ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 05/333822-21 bepleit dat het bewijs dat sprake zou zijn van een afpersing slechts uit één bron komt, waardoor er daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat er wel voldoende bewijs voor de afpersing is, kan niet worden bewezen dat verdachte daarbij betrokken was. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte betrokken is bij het tweede feit onder dit parketnummer. De raadsvrouw acht de herkenningen van verdachte op basis van de camerabeelden niet overtuigend en het overige bewijsmateriaal komt uit de verklaring van aangever [aangever] , waar de nodige vraagtekens bij gezet kunnen worden. Verdachte dient daarom voor feit 1 en feit 2 onder dit parketnummer te worden vrijgesproken. Er is ook onvoldoende bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij feit 3 en 4 onder parketnummer 05/333822-21, nu het verhaal van [aangever] niet lijkt te kloppen en de herkenningen van verdachte zijn gebaseerd op camerabeelden van slechte kwaliteit en daardoor niet bruikbaar zijn. Verdachte dient daarom ook te worden vrijgesproken van feit 3 en 4. Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 05/305430-22 heeft de raadsvrouw bepleit dat de in de tenlastelegging omschreven gedragingen niet door verdachte zijn begaan. Nu deze gedragingen de basis vormen voor de afpersing die ten laste is gelegd, moet verdachte van dit feit vrijgesproken worden. Er is daarnaast onvoldoende overtuigend bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij feit 1 en 2, nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte ‘ [verdachte] ’ is en de camerabeelden geen zekerheid bieden. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van feit 1 en 2 onder parketnummer 05/305430-22. Ten aanzien van feit 3 en 4 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd. Ten aanzien van de ten laste gelegde diefstallen onder feit 2 en 3 van parketnummer 05/333822-21 en de poging tot diefstal onder feit 2 van parketnummer 05/305430-22 heeft de raadsvrouw ten slotte bepleit dat de handelingen van de pinner niet als (poging tot) diefstal dan wel het medeplegen daarvan kan worden gekwalificeerd, zodat ook om die reden vrijspraak voor deze feiten zou moeten volgen. Beoordeling door de rechtbank parketnummer 05/333822-21 feit 1 en 2 Aangifte [aangever] van Whatsappfraude Aangeefster [aangever] heeft aangifte gedaan van Whatsapp fraude. Zij heeft verklaard dat zij op 30 mei 2020 werd benaderd via Whatsapp. De persoon deed zich voor als haar dochter en gaf aan: “Mam, dit is m'n nieuwe nummer ben weg bij m'n oude provider. Dus dit nummer kan je opslaan hoor oude kan weg”. Uiteindelijk vroeg deze persoon of [aangever] een geldbedrag wilde overmaken voor een nieuw toestel en een Macbook. [aangever] maakte op 30 mei 2020 om 21:40 uur een geldbedrag van € 2.510,95 over naar de bankrekening van [aangever] ( [rekeningnummer] ) met de vermelding ‘MacBook plus toestel en airpods’. Aangifte [aangever] van afpersing Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij een WhatsApp bericht kreeg waarin hem werd gevraagd of hij interesse had om weed af te nemen. De persoon die achter dit telefoonnummer zat had op Whatsapp geen naam, maar omdat deze persoon bleef aandringen en [aangever] een tijdje geleden ook weed had gekocht, maakte hij toch een afspraak met hem. Dat was op 30 mei 2020. [aangever] moest naar het [adres] in Arnhem komen. [aangever] was die dag rond 16:30 uur op het [adres] en werd toen gebeld door hetzelfde telefoonnummer. Hij kreeg van de jongen aan de telefoon te horen dat ze hem zagen lopen en dat ze in een grijze Ford zaten. [aangever] stapte vervolgens achterin deze grijze Ford. Er zaten drie jongens in de auto die [aangever] niet kende. De jongen op de passagiersstoel voorin wordt door [aangever] in zijn aangifte ‘jongen 1’ genoemd, de chauffeur ‘jongen 2’ en de jongen die naast hem achterin zat, ‘jongen 3’. Vervolgens zijn ze gaan rijden en reden ze naar de achterzijde van het centraal station in Arnhem waar de auto werd stilgezet. Jongen 1 zei tegen [aangever] : "Hé, je moet wat voor ons doen, je moet voor ons pinnen en dan krijg jij daarvoor weed.” [aangever] zei tegen de jongens dat hij dit niet wilde doen en dat hij er liever gewoon voor wilde betalen. De jongens bleven echter aandringen dat [aangever] voor hen moest pinnen en hun houding werd agressiever. De jongens bleven op [aangever] inpraten en zeiden dat hij het gewoon moest doen. De sfeer werd steeds agressiever. De jongens zeiden dat [aangever] zijn bankpas moest geven. [aangever] heeft toen zijn bankpas afgegeven aan jongen 1. Dit was de bankpas van zijn bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] . Nadat [aangever] zijn bankpas had afgegeven, moest hij van de jongens inloggen op zijn bank-app. Nadat hij op de bank-app was ingelogd, greep jongen 1 zijn telefoon en griste die uit zijn handen. [aangever] greep naar zijn telefoon, maar werd direct door één van de andere jongens naar achteren geduwd. [aangever] zag vervolgens uit zijn ooghoeken jongen 3 iets uit zijn tasje pakken en zag uit zijn ooghoek een lemmet van een mes. [aangever] schrok hier enorm van. [aangever] kreeg van de jongens te horen dat hij rustig moest doen en dat het dan zo voorbij zou zijn. Uiteindelijk zijn ze naar winkelcentrum Presikhaaf gereden. Na het parkeren moest [aangever] uitstappen en is jongen 2 met hem meegelopen. Ze liepen naar een geldautomaat maar die bleek defect. Ze zijn toen weer gaan rijden naar een geldautomaat in Velp. Ook die automaat bleek defect te zijn. Vanuit Velp zijn ze toen naar winkelcentrum Presikhaaf gereden. Daar hebben ze een hele tijd in de auto gezeten. De jongens waren aan het wachten tot er geld werd gestort. Vervolgens raakte de mobiele telefoon van [aangever] leeg. De jongens hadden geen oplader bij zich. De jongens gaven aan [aangever] aan dat hij de oplader dan maar moest gaan halen en een van de jongens zei tegen hem dat hij toch zou wonen in de buurt van de coffeeshop [naam] (later door aangever verbeterd in: [naam] ). [aangever] schrok hiervan, want deze jongens wisten dus dat hij in de buurt van de coffeeshop woont. Ze zijn gaan rijden en de jongens lieten hem ter hoogte van coffeeshop [naam] uitstappen. De jongens bleven in de auto zitten. [aangever] heeft in zijn woning zijn oplader gepakt en is vervolgens weer ingestapt. Ze zijn toen weer gaan rijden en zijn ergens in de wijk Presikhaaf gestopt. [aangever] denkt dat ze tot ergens rond 20:00 uur in de auto hebben gezeten en dat hij toen te horen kreeg van de jongens hoe het verder zou gaan. Hij kreeg te horen dat de jongens hem naar huis zouden brengen en dat hij hen moest laten weten wanneer het geld op de rekening was gestort. [aangever] werd vervolgens door deze jongens naar huis gebracht. Hij kreeg zijn bankpasje niet mee. Eenmaal thuis werd hij platgebeld door de jongens, hij denkt dat hij wel zo’n 30 telefoontjes heeft gehad. Rond 21:30 uur zag [aangever] dat er geld op zijn rekening was gestort. Hij belde toen de jongens. Hij heeft toen om zijn bankpasje gevraagd, maar hij heeft deze nooit terug gekregen. Op de bankafschriften van de bankrekening van [aangever] waren de volgende geldstortingen en geldopnames te zien: Op 30 mei 2020 om 21:38 uur is een bedrag van € 2.510,95 op zijn bankrekening gestort, met de vermeldingen: Naam: [aangever] , Omschrijving: Macbook Plus toestel en airpods van [naam] met IBAN [rekeningnummer] ; Op 30 mei 2020 om 21:47 uur is een bedrag van € 2.000,00 van zijn bankrekening opgenomen bij de geldmaat [adres] , met de pas met volgnummer 008, transactie W82081, terminal [nummer] ; Op 30 mei 2020 om 21:48 uur is een bedrag van € 500,00 van zijn bankrekening opgenomen bij de geldmaat [adres] , met de pas met volgnummer 008, transactie W7Y3C8, terminal [nummer] . - Op 30 mei 2020 om 22:27 uur is een bedrag van € 10,00 van zijn bankrekening opgenomen bij de geldmaat [adres] te Arnhem, met de pas met volgnummer 008, transactie W8B005, terminal [nummer] . [aangever] heeft bij het afgeven van zijn bankpas uiteindelijk ook zijn pincode gegeven. Het kenteken van de grijze Ford waarin de jongens reden, is [kenteken] . Camerabeelden en herkenningen verdachte Er zijn camerabeelden uitgekeken van 30 mei 2020 van de twee camera’s bij de Geldmaat aan [adres] te Westervoort. Deze geldautomaat betreft de terminal [nummer] , waarbij om 21:47 uur een bedrag van € 2.000,00 en om 21:48 uur een bedrag van € 500,00 werd gepind van de bankrekening van [aangever] . Verbalisant [verbalisant] heeft de camerabeelden van cameraopstelling 1 uitgekeken en merkte het volgende op. De verbalisant zag dat er daglicht was en dat de kwaliteit van de film goed is. Verder zag de verbalisant dat er in deze tijdsperiode een man in beeld verscheen. De man had donker haar, een vlassig snorretje en een donkere baard. De man verrichte handelingen met zijn handen en vertrok vervolgens. Verbalisant [verbalisant] heeft vervolgens camerabeelden van dezelfde tijdsperiode uitgekeken van cameraopstelling 2. Deze cameraopstelling geeft zicht op de pinautomaat vanaf de bovenzijde. De verbalisant merkte op dat de kwaliteit van deze beelden goed is. Er kwam een man het beeld in gelopen. De man was donker gekleed en droeg een baseballpet. De man verrichte handelingen met zijn handen bij de pinautomaat en pakte met zijn rechterhand een oranje pasje uit de richting van het apparaat. De man stak het pasje vervolgens in zijn rechterbroekzak. De man bleef kijken naar het apparaat en keek om zich heen. Vervolgens zag de verbalisant dat de man met zijn linkerhand iets uit de automaat pakte wat hij in zijn linker jaszak deed. Hierna stak de man nogmaals een pasje in de automaat en deed met zijn handen weer enkele handelingen. De man pakte vervolgens weer een oranjekleurig pasje uit de automaat. De man bleef kijken naar de pinautomaat. De man pakte iets met zijn rechterhand uit de automaat en stak dat in zijn linkerjaszak. Hierna liep de man weg. De verbalisant merkte op dat hij de man op de camerabeelden voor 100% herkende als [verdachte] , verdachte. De verbalisant heeft verdachte tweemaal in verhoor gehad. Verbalisant [verbalisant] herkende verdachte op stills van deze camerabeelden. Verbalisant [verbalisant] kent verdachte vanuit zijn werkzaamheden als politieagent en heeft tijdens diensten meerdere keren van doen gehad met verdachte. Hij heeft verdachte meerdere malen bekeurd voor rijden zonder rijbewijs en verder heeft hij verdachte onlangs aangehouden ter zake van belediging van een ambtenaar in functie. Verbalisant [verbalisant] herkende verdachte aan het totaalbeeld van zijn kenmerken, met name aan zijn geverfde (geblondeerde) haren en opvallende baard. Ook verbalisant [verbalisant] herkende verdachte op deze stills aan zijn gelaat en geblondeerde plukken haar. [verbalisant] heeft verdachte op 9 juni 2019 aangehouden, waarbij hij verdachte vanaf het moment van aanhouding tot het moment van insluiting bij zich heeft gehad. Verbalisant [verbalisant] herkende verdachte ten slotte op de stills ook aan zijn uiterlijk. Verbalisant [verbalisant] kende verdachte ambtshalve als een van de jeugdigen waar zij als politie regelmatig mee van doen hebben. Zij heeft meerdere malen in 2020 contact met verdachte gehad. Voorts zijn aan aangever [aangever] foto’s getoond van de jongen die pinde op het tijdstip dat de bedragen van 2000 respectievelijk 500 euro werden gepind. [aangever] herkende de persoon op de foto’s als een van de jongens in de auto. Het zou volgens [aangever] gaan om de persoon die hij als persoon 3 heeft aangeduid in zijn aangifte. De Ford met het kenteken [kenteken] bleek op naam te staan van [naam] . [naam] bleek twee zoons te hebben, [naam] en [verdachte] . Na bestudering van de foto's van de zoons van [naam] , beschikbaar in de database van SKDB, en de stills herkende verbalisant [verbalisant] [verdachte] als de gezochte verdachte. De SKDB foto van [verdachte] vertoonde een zeer grote gelijkenis met de verdachte, waarbij de verbalisant opmerkt dat met name zijn kenmerkende oren identiek zijn aan die van de verdachte, en dat ook zijn mond en neus grote gelijkenis vertonen. Ten aanzien van feit 1 Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing van aangever [aangever] . Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij dit feit ontkend. De raadsvrouw heeft opgemerkt dat het bewijs voor de afpersing afkomstig is uit één bron, namelijk aangever [aangever] , en dat er onvoldoende (steun)bewijs is voor het dwingen tot afgifte van de bankpas door geweld of dreiging met geweld. Verder heeft de raadsvrouw ten aanzien van de aangifte door [aangever] opgemerkt dat zijn verhaal veel vragen oproept en dat het niet ondenkbaar is dat hij zelf met deze gang van zaken heeft ingestemd, maar achteraf spijt kreeg omdat dit voor hemzelf problemen met zijn bank veroorzaakte. Gelet op deze standpunten zal de rechtbank eerst stil staan bij de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de verklaringen van aangever [aangever] . De verklaringen van [aangever] , zowel bij de politie als later in 2025 bij de rechter-commissaris, zijn gedetailleerd, inhoudelijk consistent en komen authentiek op de rechtbank over. Daarbij is ook van belang dat [aangever] in zijn verklaringen details geeft die voor hemzelf belastend zijn, zoals het kopen van een hoeveelheid wiet. Daarnaast geeft [aangever] vrij gedetailleerde informatie over de personen die hem zouden hebben afgeperst (waaronder informatie die direct aan personen te linken is, zoals het kenteken van de grijze Ford) en wijst hij later de persoon die op de stills van de camerabeelden van de pinautomaat te zien is aan als een van de personen die in de auto zat. Deze handelswijze valt moeilijk te rijmen met een scenario waarin aangever met de drie personen in de auto zou hebben samengewerkt om het van Whatsappfraude afkomstige bedrag via zijn bankrekening uit de geldautomaat te halen (en van afpersing dus geen sprake zou zijn). In zo’n scenario valt immers niet in te zien waarom aangever gegevens zou verschaffen die zonder veel moeite herleidbaar zijn naar personen waar hij mee samen heeft gewerkt. Het voorgaande sterkt de rechtbank in haar oordeel dat de verklaringen van [aangever] authentiek zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaringen van aangever [aangever] betrouwbaar zijn en zal deze verklaringen bezigen voor het bewijs. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er op 30 mei 2020 omstreeks 21:47-21:49 uur met de bankpas van [aangever] werd gepind bij de Geldmaat aan [adres] in Westervoort. Aangever [aangever] heeft, toen hem een foto werd getoond van de pinnende jongen, verklaard dat hij deze jongen herkende als één van de jongens die met hem in de auto had gezeten. Verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] hebben verdachte herkend als de pinnende jongen op de camerabeelden, dan wel de stills van de camerabeelden van de geldautomaat aan [adres] . De raadsvrouw heeft betoogd dat de herkenningen van de verbalisanten niet overtuigend zijn en dat aan de herkenningen daarom geen, dan wel minder bewijskracht toekomt. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Verschillende elementen spelen een rol bij een herkenning, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kan beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de op basis van uiterlijke kenmerken gebaseerde kennis waardevoller is, als deze is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon, dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Bij de beoordeling of de rechtbank een herkenning voldoende betrouwbaar acht, speelt een doorslaggevende rol hoe specifiek de herkenning is omschreven door de verbalisanten, alsmede het aantal herkenningen van verdachte op deze beelden door verschillende verbalisanten. De vier genoemde verbalisanten hebben afzonderlijk van elkaar verklaard verdachte te herkennen op de (stills van
  4. de)camerabeelden. Verbalisant [verbalisant] heeft de herkenning van verdachte gebaseerd op bewegende beelden, waarbij hij opmerkte dat deze beelden van goede kwaliteit zijn. De rechtbank overweegt dat de betrouwbaarheid van een herkenning in beginsel sterker is als deze gebaseerd is op bewegende beelden. Daar komt bij dat [verbalisant] heeft aangegeven verdachte tweemaal in verhoor te hebben gehad. De overige drie verbalisanten hebben ook ieder beschreven hoe zij verdachte vanuit hun werk als verbalisant kennen, reden waarom zij verdachte in beginsel eerder zullen herkennen dan in het geval van een herkenning op basis van een foto. Ten slotte hebben verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] specifiek omschreven aan welke kenmerken zij verdachte hebben herkend, waaronder aan zijn geblondeerde haren. De herkenningen van de verbalisanten worden bovendien ondersteund door de verklaring van [aangever] . [aangever] noemde in zijn verklaring het kenteken [kenteken] als het kenteken van de Ford waar de jongens in reden. Dit voertuig blijkt op naam te staan van de vader van verdachte. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat de herkenningen van verdachte door de verbalisanten betrouwbaar zijn. De enkele ontkenning van verdachte dat hij zijn haar nooit heeft geverfd, maakt dit voor de rechtbank niet anders. Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 30 mei 2020 met de bankpas van aangever [aangever] geldbedragen heeft gepind bij de geldautomaat aan [adres] te Westervoort tot een bedrag van 2.500 euro. Aangeefster [aangever] had kort voor dit pinmoment op 30 mei 2020, een geldbedrag van € 2.510,95 overgemaakt naar de bankrekening van [aangever] (nadat zij slachtoffer werd van Whatsappfraude). Verder stelt de rechtbank op grond van de voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte een van de drie jongens is die eerder die dag met [aangever] in de auto zaten, en dat [aangever] daarbij werd gedwongen om zijn bankpas en pincode af te staan. De drie jongens hebben daarbij allemaal een bijdrage geleverd aan de dreigende sfeer die er in de auto ontstond. Daarbij bleven de jongens op [aangever] inpraten, werd de telefoon uit de handen van [aangever] gegrist, duwde één van hen [aangever] naar achteren en werd er ook een lemmet van een mes getoond. Door dit geweld en de dreiging met geweld stond [aangever] uiteindelijk zijn bankpas aan de jongens af. Er is dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en daarmee van medeplegen, waarbij verdachte als één van de jongens in de auto een wezenlijke bijdrage aan de afpersing heeft geleverd, temeer nu verdachte uiteindelijk degene is geweest die met de bankpas van [aangever] de geldbedragen pinde. De rechtbank is op basis van het bovenstaande van oordeel dat verdachte samen met anderen aangever [aangever] heeft afgeperst. De rechtbank acht daarmee feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 2 De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat verdachte degene is geweest die op 30 mei 2020 een geldbedrag van in totaal € 2.500,00 heeft gepind van de bankrekening van [aangever] . Daarbij maakte hij oneigenlijk gebruik van de bankpas van [aangever] , nu deze eerder van [aangever] was afgenomen door middel van afpersing. Gebleken is verder dat aangeefster [aangever] kort voor dit pinmoment op 30 mei 2020, een geldbedrag van € 2.510,95 had overgemaakt naar de bankrekening van [aangever] nadat zij slachtoffer werd van Whatsappfraude. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte een geldbedrag van € 2.500,00 heeft weggenomen dat toebehoorde aan [aangever] en dat hij dit bedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel. Dat [aangever] eerder tot afgifte van het geldbedrag werd bewogen en dat het geldbedrag inmiddels op de bankrekening van [aangever] stond waar het door verdachte van af werd gehaald, maakt niet dat geen sprake is van diefstal van dit geld, nu dit geldbedrag nog steeds aan [aangever] toebehoorde. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van diefstal door middel van een valse sleutel. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte enig geldbedrag heeft weggenomen van [aangever] , nu het door verdachte opgenomen geldbedrag van in totaal € 2.500,00 niet aan [aangever] toebehoorde. De rechtbank zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken. feit 3 Aangeefster [aangever] heeft verklaard dat zij op 12 juni 2020 werd benaderd door een nieuw contact met vermelding van de naam ‘ [naam] ’, de naam van haar zoon. Het eerste appje kwam op 12 juni 2020 binnen op haar telefoon. Het eerste bericht was: “Hey Mam, dit is mijn nieuwe nummer, ik ben weg bij mijn oude provider. Mijn oude nummer kan je weg doen en kan je dit nummer opslaan.” ‘ [naam] ’ zei dat hij nieuwe Apple producten via het internet had aangeschaft. [aangever] maakte uiteindelijk om 21:06 uur een bedrag van € 2.510,95 over op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [aangever] . Aangeefster [aangever] heeft verklaard dat er op haar bankrekening op onder andere 12 juni 2020 een aantal bij- en afschrijvingen had plaatsgevonden, waaronder een bijschrijving van € 2.510,95 van [aangever] om 21:17:33 uur. Vervolgens zijn er op 12 en 13 juni 2020 afschrijvingen of geldopnames vanaf haar bankrekening gedaan bij de Geldmaat Arnhem, terminal [nummer] , waaronder een afschrijving van een bedrag van € 2.500,00 op 12 juni 2020 om 21:21 uur. Verbalisant [verbalisant] heeft camerabeelden uitgekeken van de ING-geldautomaat, terminal [nummer] . De camerabeelden waren opgenomen op 12 juni 2020 vanaf 21:20:18 uur tot 21:20:44 uur. Verbalisant [verbalisant] zag dat het beeld goed en helder was. [verbalisant] zag dat er om 21:20:21 uur een man in beeld kwam. De man droeg een donker baseballpetje, een zonnebril en een donker gekleurd T- shirt met een ronde hals. De man betrof een jongere man, mogelijk begin twintig, met donker haar en een donker vlasbaardje. Onder het baseballpetje kwam donkergekleurd (zwart) krullend haar vandaan. Op de camerabeelden was te zien dat deze jongen met zijn hoofd voorovergebogen waarschijnlijk enkele handelingen verrichte. Verbalisant [verbalisant] herkende de man als verdachte. [verbalisant] merkt daarbij op dat hij verdachte twee maal heeft gehoord en hem in een ander onderzoek ook eerder heeft gesproken. Verdachte werd op stills van deze camerabeelden herkend door verbalisant [verbalisant] . Verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat zij verdachte kent vanuit haar werkzaamheden als wijkagent van Rivierenland Oost. Zij zag verdachte de afgelopen anderhalf jaar zeer regelmatig en kent hem dus vrij goed. Verbalisant [verbalisant] herkende verdachte op de camerabeelden aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Zij herkende verdachte aan zijn gelaat, huidskleur, haardracht, baardje, houding, lichaamsbouw en kleding. [verbalisant] herkende verdachte met name aan zijn krullend haar en zijn lichaamshouding. Verbalisant [verbalisant] heeft tijdens de dienst meerdere keren van doen gehad met verdachte en heeft hem in mei 2020 aangehouden ter zake van belediging. [verbalisant] herkende verdachte aan het totaalbeeld van zijn kenmerken, namelijk zijn postuur, huidskleur, leeftijd, kenmerkende kapsel en gezichtsbeharing. Specifiek droegen de geverfde (geblondeerde) haren, grote neus en baard van verdachte aan de herkenning bij. Ook verbalisant [verbalisant] herkende verdachte van de stills van de camerabeelden. Verbalisant [verbalisant] kent verdachte vanuit zijn werkzaamheden als wijkagent en heeft zo diverse malen met verdachte van doen gehad, zowel tijdens huisbezoeken als tijdens ontmoetingen op straat. Verbalisant [verbalisant] herkende verdachte aan het totaalbeeld van zijn kenmerken, waaronder zijn postuur, leeftijd, huidskleur, opmerkelijke haardracht en gezichtskenmerken. De rechtbank is van oordeel dat de herkenningen van verdachte door verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] betrouwbaar zijn. De rechtbank overweegt daartoe dat verbalisant [verbalisant] verdachte herkende op bewegende beelden en verwijst naar hetgeen de rechtbank hierover eerder heeft overwogen onder feit 1. Verbalisant [verbalisant] merkte daarbij wederom op dat hij verdachte tweemaal heeft verhoord en in een ander onderzoek heeft gesproken. Verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] hebben aangegeven dat zij wijkagent zijn en in die hoedanigheid regelmatig met verdachte van doen hebben gehad. Verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] hebben uitgebreid en gedetailleerd omschreven hoe zij verdachte hebben herkend op de stills van de camerabeelden. Het vorenstaande maakt dat de rechtbank de herkenningen door de verbalisanten betrouwbaar acht en geen aanleiding ziet om aan de processen-verbaal van de verbalisanten geen dan wel minder bewijswaarde te hechten. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat verdachte de persoon is die op 12 juni 2020 met de bankpas van [aangever] heeft gepind bij de Geldmaat Arnhem, terminal [nummer] . Verdachte pinde daarbij een geldbedrag van € 2.500,00 van haar bankrekening. Een paar minuten eerder was door aangeefster [aangever] een bedrag van € 2.510,95 overgemaakt naar de bankrekening van [aangever] . Hiertoe was [aangever] bewogen door middel van Whatsappfraude. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks dat het geldbedrag van € 2.510,95 was overgemaakt naar de bankrekening van [aangever] , dit geldbedrag (nog steeds) toebehoorde aan [aangever] . Dat het geld niet meer op haar bankrekening stond maar op die van [aangever] en verdachte het bedrag van die bankrekening heeft gepind, maakt dat niet anders. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot een bewezenverklaring van diefstal van een geldbedrag van € 2.500,00 door middel van een valse sleutel. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte een geldbedrag van [aangever] heeft weggenomen en zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken. [aangever] heeft verklaard dat zij op 13 juni 2020 tweemaal zelf heeft gepind bij het [plaats] en verwijst daarbij naar een tweetal transacties op haar bankrekening. Uit de transacties van de bankrekening van [aangever] blijkt dat deze betalingen die dag plaatsvonden om 13:52 en 15:10 uur. Ook heeft zij verklaard de enige te zijn die beschikt over een bankpas voor haar bankrekening. Hieruit blijkt voor de rechtbank dat [aangever] op 13 juni 2020 (weer) in het bezit was van haar bankpas, terwijl op basis van de hiervoor besproken camerabeelden is vastgesteld dat verdachte de dag ervoor (op 12 juni 2020) met de bankpas van [aangever] heeft gepind. Op 13 juni 2020 werd er tussen 15:34:31 en 16:31:02 uur door [naam] , de partner van [aangever] , met diverse transacties een totaalbedrag van € 5.247,31 overgemaakt naar de bankrekening van [aangever] . Ook hiervan is aangifte gedaan van Whatsappfraude. Op 13 juni 2020 tussen 15:39 uur en 16:21 uur werd er vervolgens een geldbedrag van € 5.250,00 van de rekening gepind. Van deze pintransacties zijn geen camerabeelden in het dossier gevoegd. Nu [aangever] de bankpas op 13 juni 2020 weer aantoonbaar in haar bezit had en er geen camerabeelden zijn van de pintransacties bij de Geldmaat, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte betrokken was bij het wegnemen van de geldbedragen van Van [aangever] . De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het wegnemen van het geldbedrag van € 5.247,31 dat toebehoorde aan [aangever] . De rechtbank acht ten slotte niet bewezen dat verdachte enig geldbedrag heeft weggenomen van [aangever] , nu de overgemaakte geldbedragen niet aan [aangever] toebehoorden. De rechtbank zal verdachte daarom ook van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken. Vrijspraak van feit 4 Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij de bankpas van [aangever] heeft verkregen of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Onder feit 3 heeft de rechtbank bewezen verklaard dat verdachte op 12 juni 2020 de bankpas van [aangever] heeft gebruikt door daarmee bij een pinautomaat geld op te nemen. Echter is ook gebleken dat [aangever] op 13 juni 2020 haar bankpas (weer) in bezit had en hier transacties mee deed. Zij heeft verder verklaard als enige over een bankpas van haar rekening te beschikken en ook dat zij er pas nadien, op het moment dat zij een brief van de ING bank kreeg dat er was gefraudeerd met haar rekening, achter was gekomen dat zij niet langer over haar bankpas beschikte. Daarom heeft zij op 30 juni 2020 aangifte van diefstal gedaan. Mede gelet op de voornoemde data, waarbij verdachte de bankpas op 12 juni 2020 voorhanden heeft gehad terwijl daar door [aangever] geen melding van werd gemaakt en zij de bankpas de dag erna (weer) in haar bezit had, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de bankpas op het moment dat verdachte deze op 12 juni 2020 voorhanden had, een door misdrijf verkregen goed betrof. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 4. parketnummer 05/305430-22 Vrijspraak van feit 1 De rechtbank zal verdachte vrijspreken van feit 1 onder parketnummer 05/305430-22, nu uit het dossier niet is gebleken dat verdachte betrokkenheid had bij de ten laste gelegde feitelijke gedragingen onder feit 1. Dit blijkt niet uit de verklaring van aangever [aangever] die verklaarde dat ‘ [naam] ’ de in de tenlastelegging genoemde dreigende woorden heeft gezegd of geappt. Ook is niet gebleken dat er (op dat moment
  5. al)op andere wijze sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en degene die deze gedragingen zou hebben gepleegd. Er is dus ook geen sprake van medeplegen. Bewezenverklaring feit 2 Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 15 januari 2022 omstreeks 16.00 uur werd gebeld door telefoonnummer [telefoonnummer] . [aangever] kreeg een man aan de telefoon. De man zei dat hij van de ING bank was. De man vertelde [aangever] dat er werd geprobeerd om geld van zijn bankrekening af te halen en dat hij wilde helpen om dit te voorkomen. [aangever] moest allerlei handelingen doen op zijn computer. Nadat de man het gesprek had beëindigd, belde [aangever] zijn jongere broer die contact heeft opgenomen met de ING bank. [aangever] kwam er toen achter dat hij was opgelicht en dat er twee geldbedragen van zijn bankrekening ( [rekeningnummer] ) waren afgeschreven. Dit betrof de volgende afschrijvingen: 1.710,00 euro naar [naam] IBAN [rekeningnummer]Omschrijving: luxman sqr8b7 Datum/tijd 15-01-2022 17:52:11 3.110,00 euro naar [aangever] IBAN [rekeningnummer]Omschrijving: luxman sqs38qfx Datum/tijd 15-01-2021 17:38:44 Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij een openstaande drugsschuld had bij ene [naam] . [naam] vertelde hem dat de situatie opgelost zou kunnen worden als [aangever] zijn pinpas zou afgeven. [aangever] heeft uiteindelijk aangegeven dat hij zijn pinpas wel wilde laten gebruiken. [naam] heeft [aangever] doorverwezen naar ene [verdachte] . Op 14 januari 2022 had [aangever] met [verdachte] afgesproken. [verdachte] pakte meerdere telefoons en opende diverse apps. [aangever] moest daar zijn gegevens invullen. De volgende dag kreeg [aangever] omstreeks 12.00 uur bericht van [verdachte] . [verdachte] zei dat ze weer gingen werken met de bankpassen. [aangever] had op verzoek van [verdachte] zijn bankpas van de Rabobank bij zich. [verdachte] zei dat hij iemand had die er geld op ging storten en dat ze per direct naar een pinautomaat moesten gaan om het er weer af te pinnen. Ze reden naar de geldautomaat in Presikhaaf. [verdachte] gebruikte zijn Rabobankpas en had ook zijn pincode. [verdachte] kwam teruggelopen naar de auto en zei dat het niet gelukt was. [aangever] keek op zijn telefoon en zag dat er 3.100,00 euro op zijn rekening gestort was. Hij zag dat zijn bankpas reeds geblokkeerd was. Verbalisant [verbalisant] heeft foto’s gemaakt van de banktransactie die middels de Rabobankrekening van [aangever] plaatsvond op 15 januari 2022. Te zien is dat er van de bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. Hr. [aangever] , 3110 euro werd overgemaakt, met de omschrijving: luxman sqs38qfx. Er zijn gegevens gevorderd van de betaalpas van [aangever] , behorend bij bankrekeningnummer [rekeningnummer] . Hieruit kwam naar voren dat er op 15 januari 2022 de volgende mistransacties hadden plaatsgevonden: 15 januari 2022 om 17:42 uur. Er vonden twee mistransacties plaats bij Geldmaat [adres] te Arnhem, terminalnummer [nummer] ; 15 januari 2022 om 17:53 uur. Er vond één mistransactie plaats bij Geldmaat [adres] te Arnhem, terminal nummer [nummer] . Er zijn camerabeelden van de Geldmaat aan [adres] te Arnhem gevorderd. Verbalisant [verbalisant] heeft de camerabeelden van 15 januari 2022 uitgekeken en heeft gezien dat een man met versnelde pas liep vanaf de richting Kramersgildeplein, over [adres] in de richting van de Coöp supermarkt. Op de beelden werd gezien dat de man van een joggend tempo naar een wandeltempo ging toen hij de hoek om ging en richting de pinautomaat van de Geldmaat liep. De man droeg een wit mondkapje en had donker haar. Vervolgens was te zien dat deze persoon vanaf 17:41:42 uur tot en met 17:43:16 uur de geldautomaat gebruikte, waarbij het erop leek dat hij meerdere keren een betaalpas in de automaat deed. Vervolgens liep de man weg in dezelfde richting als hij vandaan kwam. Verbalisant [verbalisant] heeft afbeeldingen van de man die pinde op 15 januari 2022 vergeleken met de SKDB foto van verdachte. Verbalisant [verbalisant] benoemde de volgende overeenkomsten tussen de pinnende man en verdachte: - het opvallende deel van het gezicht tussen ogen, neus en voorhoofd; - de vorm en dikte van de wenkbrauw; - de oren van verdachte. Daarnaast hebben verdachte en de man op de foto gelijkenissen in postuur en baardgroei. De verbalisant, die opgeleid is om op basis van gezichtskenmerken een inschatting te maken of iemand één en dezelfde persoon is, komt op basis van de voornoemde gegevens en afbeeldingen tot de conclusie dat het zeer aannemelijk is dat de afgebeelde personen, één en dezelfde persoon is, namelijk verdachte. Verbalisant [verbalisant] herkende verdachte op stills van de camerabeelden van de geldautomaat van 15 januari 2022. Verbalisant [verbalisant] kent verdachte vanuit haar werkzaamheden en heeft in het kader van meerdere meldingen met verdachte van doen gehad. Zij heeft hem tijdens het werk vaak gezien en zij heeft verdachte nog aangehouden op 17 februari 2022 waarbij het contact toen ongeveer 30 minuten duurde. De verbalisant herkende verdachte aan het totaalbeeld van zijn kenmerken, waaronder zijn lichtgetinte huidskleur, grote bos krullend haar, donkere wenkbrauwen die in duidelijke punt lopen, donkere ogen die iets achter in de kas liggen en de donkere baardgroei die vlassig op de wang is. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat op 15 januari 2022 een geldbedrag van € 3.110,00 is overgemaakt door aangever [aangever] naar de bankrekening van aangever [aangever] . Hiertoe werd [aangever] bewogen door middel van bankhelpdeskfraude. [aangever] heeft verklaard dat hij zijn bankpas had overgedragen aan een man genaamd [verdachte] en dat hij samen met [verdachte] op 15 januari 2022 naar een geldautomaat in Arnhem Presikhaaf is gereden. [verdachte] probeerde bij de geldautomaat op winkelcentrum Presikhaaf te pinnen met de bankpas van [aangever] , maar hij zei dat dit niet gelukt was. Uit de transacties van de bankrekening van [aangever] is gebleken dat er op 15 januari 2022 om 17:42 en 17:53 uur twee mistransacties hebben plaatsgevonden bij de Geldmaat in Presikhaaf. De voornaam van verdachte is [verdachte] , gelijk aan de voornaam van de man aan wie [aangever] volgens zijn verklaring zijn pinpas had gegeven en die de pinpogingen had gedaan. Verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] hebben verklaard verdachte te herkennen van de stills van de camerabeelden van de pinautomaat in Presikhaaf. Verbalisant [verbalisant] heeft verdachte aangewezen als de pinnende man na het vergelijken van foto’s van verdachte uit het politiesysteem met de beelden van de geldautomaat. Daarmee is geen sprake van een spontane herkenning, maar van een gezichtsvergelijking. Om de betrouwbaarheid van gezichtsvergelijkingen te kunnen toetsen, is het noodzakelijk dat degene die tot een positieve vergelijking komt, aangeeft op welke overeenstemmende onderscheidende gezichtskenmerken die vergelijking gebaseerd is, bij afwezigheid van zichtbare verschillen. De door [verbalisant] genoemde overeenstemmende persoonskenmerken, op basis waarvan hij tot de herkenning is gekomen, zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk, specifiek en onderscheidend. De rechtbank neemt bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenning door [verbalisant] in overweging dat de kwaliteit van de beelden en de mate waarin het gezicht van de verdachte daarop te zien is, een herkenning mogelijk maken. Het feit dat een vergelijking heeft plaatsgevonden en geen spontane herkenning is geen reden om aan de herkenning door verbalisant [verbalisant] geen dan wel minder bewijskracht toe te kennen. Verder heeft verbalisant [verbalisant] verklaard verdachte te herkennen als de pinnende man op de stills van de beelden en heeft daarbij aangegeven verdachte ambtshalve te kennen. De verbalisant heeft uitgebreid en specifiek beschreven aan welke kenmerken zij verdachte heeft herkend op de stills. De rechtbank acht daarmee de herkenningen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] betrouwbaar. De rechtbank komt op basis van het vorenstaande tot het oordeel dat het verdachte was die op 15 januari 2022 pogingen deed om het geldbedrag van [aangever] weg te nemen van de bankrekening van [aangever] . De rechtbank overweegt dat het feit dat het geldbedrag is overgemaakt naar de bankrekening van [aangever] , niet maakt dat het geldbedrag niet langer toebehoorde aan aangever [aangever] . Derhalve is sprake van een poging tot diefstal door middel van een valse sleutel (de bankpas van [aangever] ). De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 2. feit 3 en 4 Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 23 mei 2022 werd gebeld. Hij hoorde een mannenstem, die hem vertelde dat hij belde namens de Rabobank. De man vertelde [aangever] dat er criminelen van plan waren geld van zijn bankrekening af te halen. [aangever] moest handelingen verrichten met internetbankieren, maar dat lukte hem niet. De man bood aan om iemand langs te sturen. Omstreeks 20:00 uur stond er een man aan de deur die zich voorstelde als [naam] . De man kwam de bankpas van [aangever] ophalen. [aangever] heeft [naam] de pincode van de reader van de bank gegeven, waarmee je kunt inloggen op het internetbankieren. De man hielp [aangever] met internetbankieren en vertrok later met de bankpas. [aangever] heeft vervolgens contact opgenomen met de Rabobank. De medewerkster van de Rabobank vertelde aan [aangever] dat er op 23 mei 2022 twee keer een bedrag van € 1.400,00 was opgenomen. Uit de transacties van de bankrekening van [aangever] blijkt dat er op 23 mei 2022 om 21:55 en 21:56 uur twee pintransacties bij de Geldmaat aan de [adres] te Velp plaatsvonden voor tweemaal een bedrag van € 1.400,00. De camerabeelden van de Geldmaat aan de [adres] te Velp zijn gevorderd. Er zijn stills gemaakt van de camerabeelden van 23 mei 2002 (de rechtbank begrijpt: 2022) van de tijdstippen 21:55:58 tot en met 21:58:08. Verbalisant [verbalisant] herkende de persoon op de stills als verdachte. [verbalisant] herkende verdachte aan de vorm van zijn neus, wenkbrauwen en baard. Op still 2 herkende hij verdachte aan de stand van zijn ogen, vorm van de neus, wenkbrauwen en baard. Op still 3 herkende verbalisant [verbalisant] verdachte aan de vorm van zijn neus, de vorm van zijn wenkbrauwen en de vorm van zijn baard. Verbalisant [verbalisant] kent verdachte vanuit zijn werkzaamheden als wijkagent en heeft verdachte op foto’s en eenmaal in persoon gezien op 20 mei 2022. Verbalisant [verbalisant] herkende verdachte op still 1, 4, en 6 als de persoon die pinde. Verbalisant [verbalisant] had op 20 mei 2022 nog contact met verdachte. Dat contact duurde ongeveer één uur. Aan de herkenning van verdachte droegen de volgende specifieke kenmerken bij: het strak achterover gekamde donkere haar, de volle baard, het dunne snorretje en de dunne wenkbrauwen. De rechtbank stelt vast dat een man die zich [naam] noemde op 23 mei 2022 de bankpas van aangever [aangever] heeft meegenomen, nadat hij zich had voorgedaan als bankmedewerker. Op 23 mei 2022 om 21:55 en 21:56 uur heeft een man met de bankpas van [aangever] bij de Geldmaat aan [adres] in Velp tweemaal een geldbedrag van € 1.400,00 gepind. De man die bij de Geldmaat pinde, werd door twee verbalisanten herkend als verdachte. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het verdachte was die op 23 mei 2022 de bankpas van aangever [aangever] voorhanden had. Deze bankpas was verkregen door misdrijf, namelijk door middel van bankhelpdeskfraude. Dat verdachte wist dat deze bankpas door misdrijf verkregen was, leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat verdachte grote geldbedragen pinde met de bankpas en de pincode van iemand anders. De rechtbank acht feit 3 daarom wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht feit 4 ook wettig en overtuigend bewezen, nu zij op basis van de bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat verdachte met de bankpas van [aangever] tweemaal een geldbedrag van € 1.400,00 heeft gepind van diens bankrekening. Daarmee heeft verdachte een totaalbedrag van € 2.800,00 van [aangever] weggenomen, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van een valse sleutel door oneigenlijk gebruik van de bankpas van [aangever] . 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 tot en met 3 van parketnummer 05/333822-21 en feit 2 tot en met 4 van parketnummer 05/305430-22 heeft begaan, te weten dat: parketnummer 05/333822-21 feit 1 hij op of omstreeks 30 mei 2020 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van de bankpas (op naam gesteld van voornoemde [aangever] ) en/of de daarbij behorende pincode, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die voornoemde [aangever] en/of een derde toebehoorde(n), door:- die voornoemde [aangever] opzettelijk dreigend en/of agressief de woorden toe te voegen “he, je moet wat voor ons doen, je moet voor ons pinnen en dan krijg jij daarvoor weed” en/of- de telefoon van die voornoemde [aangever] af te pakken en/of- die voornoemde [aangever] naar achter te duwen en/of- een lemmet van een mes te pakken en/of te tonen aan die voornoemde [aangever] en/of- die voornoemde [aangever] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen dat hij, [aangever] , rustig aan moest doen en dat het dan zo voorbij zou zijn; feit 2 hij op of omstreeks 30 mei 2020 te Westervoort, althans in Nederland, in totaal (ongeveer) 2.500 euro, althans een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
  6. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door oneigenlijk gebruik te maken van een bankpas van [aangever] (op wiens rekening een of meerdere geldbedragen van voornoemde [aangever] is gestort), waarmee hij, verdachte, (zonder toestemming) heeft gepind; feit 3 hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 12 juni 2020 tot en met 13 juni 2020 te Arnhem, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, in totaal 2.500 euro, althans een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [aangever] en/of [aangever] en/of [aangever] in elk geval aan een ander dan aan verdachte, toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een of meer valse sleutel, te weten door oneigenlijk gebruik te maken van een bankpas van [aangever] (op wiens rekening een of meerdere geldbedragen van voornoemde [aangever] en/of [aangever] zijn/is gestort), waarmee hij, verdachte, (zonder toestemming) heeft gepind. parketnummer 05-305430-22 feit 2 hij op of omstreeks 15 januari 2022 te Arnhem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag van 3.100 euro, althans een geldbedrag van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
  7. n)weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, (meermalen) oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de betaalpas van [aangever] (op wiens rekening het geldbedrag van voornoemde [aangever] is gestort) en/of de betaalpas van [aangever] in een geldautomaat heeft gedaan en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 3 hij op of omstreeks 23 mei 2022 te Velp, gemeente Rheden, althans in Nederland, een betaalpas van de Rabobank (op naam van [aangever] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; feit 4 hij op of omstreeks 23 mei 2022 te Velp, gemeente Rheden, althans in Nederland, een of meerdere geldbedragen (met een totaalbedrag van € 2.800), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
  8. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door (meermalen) oneigenlijk gebruik te maken van de betaalpas van voornoemde [aangever] . Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: parketnummer 05/333822-21 feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen feit 2 en feit 3, meermalen gepleegd: diefstal, terwijl de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel parketnummer 05/305430-22 feit 2: poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik probeerde te brengen door middel van een valse sleutel feit 3: opzetheling feit 4: diefstal, terwijl de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten onder parketnummers 05/333822-21 en 05/305430-22 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft erop gewezen dat er sprake is van veel tijdsverloop sinds de ten laste gelegde feiten en dat verdachte ten tijde van de feiten heel jong was. De raadsvrouw heeft er daarnaast op gewezen dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is en dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld is. De raadsvrouw heeft daarom verzocht dat de rechtbank aan verdachte een taakstraf oplegt, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de afpersing van [aangever] . Zij hebben [aangever] gedwongen om zijn bankpas af te staan en zij hebben zich daarbij bedreigend en intimiderend gedragen. Verdachte en zijn mededaders hebben daarbij geen respect getoond voor de geestelijke en lichamelijke integriteit en het persoonlijke eigendom van [aangever] . De bankpas van [aangever] is vervolgens gebruikt om een geldbedrag van aangever [aangever] weg te nemen. Verdachte heeft daarnaast geldbedragen weggenomen van aangevers [aangever] en [aangever] . Ook heeft verdachte een poging gedaan om een geldbedrag van aangever [aangever] weg te nemen. Daarbij maakte verdachte gebruik van bankrekeningen van anderen of maakte hij (oneigenlijk) gebruik van de bankpassen van aangevers. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij hiermee een belangrijke rol speelde bij oplichting door middel van WhatsApp-fraude of bankhelpdeskfraude. Verdachte heeft slechts uit eigen financieel gewin gehandeld en heeft daarbij op geen enkele wijze oog gehad voor de negatieve gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het lange tijdsverloop en de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van de onderhavige feiten. De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel van het justitieel documentatieregister d.d. 26 juni 2025 waaruit blijkt dat verdachte recent is veroordeeld, waardoor artikel 63 Sr van toepassing is. Bij vonnis van 17 juni 2025 is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De strafzaak waarin toen vonnis is gewezen en de huidige zaak zouden ook samen afgedaan kunnen zijn en dan samen tot één straf hebben geleid. De rechtbank houdt hier rekening mee bij het bepalen van de op te leggen straf. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten, met geen andere strafmodaliteit kan worden gereageerd dan met een gevangenisstraf. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel wordt een proeftijd van twee jaren verbonden. Het voorwaardelijke gedeelte dient als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. 8De beoordeling van de civiele vorderingen De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 2 onder parketnummer 05/333822-21 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 3 onder parketnummer 05/333822-21 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.262,31 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 3 onder parketnummer 05/333822-21 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.510,95 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Door de benadeelde partijen is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever] en [aangever] kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde [aangever] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.247,31 met toekenning van de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De schadepost die ziet op nummerwijziging van € 15,00 dient te worden afgewezen, nu deze schade niet aan verdachte te wijten is. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen moeten worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Overweging van de rechtbank Benadeelde partij [aangever] Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat benadeelde partij [aangever] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor een bedrag van € 2.500,00 kan worden toegewezen. Verdachte is vanaf 30 mei 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Benadeelde partij [aangever] Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat benadeelde partij [aangever] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor een bedrag van € 2.500,00 kan worden toegewezen, nu dit het bedrag is dat door verdachte is gepind. De vordering zal tot dit deel worden toegewezen. De benadeelde partij zal in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit in onvoldoende rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde. Verdachte is vanaf 12 juni 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Benadeelde partij [aangever] Verdachte is vrijgesproken van de diefstal van het geldbedrag van [aangever] , ten laste gelegd onder feit 3 van parketnummer 05/333822-21. Daarom zal de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 63, 311, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank:  spreekt verdachte vrij van feit 4 onder parketnummer 05/333822-21 en feit 1 onder parketnummer 05/305430-22;  verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;  bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten drie maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; veroordeelt verdachte in verband met feit 2 onder parketnummer 05/333822-21 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 2.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; veroordeelt verdachte in verband met feit 3 onder parketnummer 05/333822-21 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 2.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;  verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in het overige gedeelte van de vordering;  verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;  legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 2.500,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 35 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;  bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [aangever] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 2.500,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 35 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [aangever] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. S. Jansen en mr. C.L.A. van der Veeken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 augustus 2025. Mr. C.L.A. van der Veeken is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer 0N4R021022, gesloten op 14 december 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 89-90, met bijlage, p. 94. Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 73-76, met bijlagen, p. 78-82. Proces-verbaal van verhoor verdachte [aangever] , p. 118 Proces-verbaal van bevindingen, p. 85. Proces-verbaal van bevindingen p. 97-100. Proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 101. Proces-verbaal van bevindingen, p. 105, met bijlagen p. 106-108. Proces-verbaal van bevindingen, p. 109. Proces-verbaal van verhoor verdachte [aangever] , p. 119. Proces-verbaal van bevindingen p. 111. Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 32-33. Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 1-3, met bijlage, p. 7. Proces-verbaal van bevindingen, p. 45-46. Proces-verbaal herkenning door opsporingsambtenaar, p. 48-49, met bijlagen, p. 50-52. Proces-verbaal herkenning door opsporingsambtenaar, p. 53, met bijlage, p. 55. Proces-verbaal herkenning door opsporingsambtenaar, p. 56, met bijlage, p. 58. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, districtsrecherche Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2022027898, gesloten op 12 december 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 17-18. Proces-verbaal van bevindingen, p. 8-11, met bijlage, p. 14. Proces-verbaal van bevindingen, p. 106. Proces-verbaal van bevindingen, p. 138-141. Proces-verbaal van bevindingen, p. 153-156. Proces-verbaal van herkenning persoon p. 147. Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 175-176. Bijlage bij proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 178. Proces-verbaal van bevindingen, p. 180. Proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar p. 186. Proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar p. 196-197.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.