RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 23/5752 en 23/5754 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur, en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 mei 2023. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.192.673. De inspecteur heeft gelijktijdig belastingrente in rekening gebracht ter grootte van € 160.693. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.075.000. De inspecteur heeft gelijktijdig belastingrente in rekening gebracht ter grootte van € 110.493. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft op 15 mei 2025 van belanghebbende een nader stuk ontvangen en een afschrift daarvan doorgestuurd naar de inspecteur. De rechtbank heeft de beroepen op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en zijn gemachtigden en, namens de inspecteur, [persoon A] en [persoon B] . Feiten 1. Belanghebbende stond in de periode van september 2002 tot en met 31 maart 2011 niet in Nederland ingeschreven en woonde in die periode in het Verenigd Koninkrijk. 2. Belanghebbende is per 1 september 2002 in dienst getreden van de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 1] ). De dienstbetrekking die belanghebbende aanvaardde, werd in het Verenigd Koninkrijk uitgeoefend. 3. Belanghebbende is op 1 september 2002 een arbeidsovereenkomst aangegaan met [naam bedrijf 1] . Artikel 6.4 van de arbeidsovereenkomst vermeldt het volgende: “In addition to the salary referred to in sub-clause 6.1 and in accordance with the provisions of Schedule 1 attached hereto the Executive shall be paid such additional benefits (if any) as set out in Schedule 1.” 4. Bijlage 1, onderdeel 4, van de arbeidsovereenkomst vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende: “After successfully completing one years service, the Executive will be entitled to 1% of the share capital of [naam bedrijf 1] and subject to achieving Budget in subsequent years, 1% per annum of the share capital of [naam bedrijf 1] up to a maximum of 5%. This right will be covered by a separate share transfer agreement.” 5. Op 22 augustus 2003 heeft [persoon C] , Chairman van [naam bedrijf 1] , aan belanghebbende het volgende medegedeeld: “In accordance with the Service Agreement, Schedule 1, dated 1st September, 2002, I have pleasure in confirming that with effect from 1st September, 2003, you are entitled to 1% of the shares representing the enterprise value of [naam bedrijf 1] .” 6. Op 1 september 2004 heeft [persoon C] aan belanghebbende het volgende medegedeeld: “Further to the Service Agreement dated 1st September, 2002, between yourself and the Company, I have pleasure in confirming that as per the 1st September, 2004, you will receive a further 1% shareholding in [naam bedrijf 1] , which takes your total holding as per the above date to 2%”. 7. De aandelen in [naam bedrijf 1] zijn niet aan belanghebbende geleverd. 8. Belanghebbende heeft op 25 augustus 2010 (met inwerkingtreding per 1 januari 2011) een additioneel recht toegekend gekregen op een pakket aandelen (de Optional Share Scheme). Het gaat om zogenoemde B shares. Voorwaarde voor de verkrijging van de aandelen was dat belanghebbende nog drie jaar in dienst bleef bij zijn werkgever. Belanghebbende heeft deze termijn van drie jaar behaald. 9. Vanaf 1 april 2011 is belanghebbende woonachtig en werkzaam in Nederland, achtereenvolgens voor de Nederlandse vaste inrichting van [naam bedrijf 1] , voor [naam bedrijf 2] B.V. en voor [naam bedrijf 3] B.V. In een beschikking met dagtekening 5 april 2011 heeft de inspecteur goedgekeurd dat de 30%-regeling voor ingekomen extraterritoriale werknemers (hoofdstuk V van de Wet loonbelasting) wordt toegepast op het loon van belanghebbende gedurende de periode van 1 april 2011 tot en met 31 december 2020 voor zijn tewerkstelling door [naam bedrijf 1] , door [naam bedrijf 2] B.V. en door [naam bedrijf 3] B.V. Op grond van deze beschikkingen heeft belanghebbende ter zake van de heffing van inkomstenbelasting gekozen voor de kwalificatie als (fictief) buitenlands belastingplichtige. Belanghebbende heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting geen inkomsten respectievelijk heffingsgrondslagen aangegeven voor box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (sparen en beleggen). 10. In 2016 heeft een reorganisatie plaats gevonden ten gevolge waarvan de aandelen in [naam bedrijf 1] door haar directe aandeelhouder [naam aandeelhouder] zijn verkocht aan - de eveneens door [naam aandeelhouder] gehouden vennootschap - [naam bedrijf 3] B.V. Eveneens in 2016 heeft [naam aandeelhouder] haar aandelen in [naam bedrijf 3] B.V. verkocht aan een derde. 11. Belanghebbende, [persoon C] en [naam aandeelhouder] zijn op 6 januari 2017 een “Deed of settlement” (Settlement) overeengekomen. De Settlement vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende: “(…) Recitals: A. On 29 November 2016, [naam aandeelhouder] entered into a share purchase agreement relating to the sale and purchase of all issued and outstanding shares in the capital of [naam bedrijf 3] B.V. (“ [naam bedrijf 3] ”) on a cash and debt free basis. B. [naam bedrijf 3] owns all issued and outstanding shares in the capital of [naam bedrijf 1] (“ [naam bedrijf 1] ”). C. [naam bedrijf 1] and [belanghebbende] entered into a service agreement on 1 September 2002 (the “Service Agreement”). Under this agreement, [belanghebbende] was entitled to shares in [naam bedrijf 1] up to a maximum of 5% of the issued and outstanding shares in the capital of [naam bedrijf 1] , provided that certain performance conditions were met by [belanghebbende] . This right should have been covered by separate share transfer agreements, but these agreements have not been legally executed by The Parties. On the basis hereof, [belanghebbende] has a claim against [naam bedrijf 1] ( the “ Claim ”). D. Sinds [naam aandeelhouder] transferred the shares in [naam bedrijf 3] and its subsidiaries on a debt free basis, [naam bedrijf 1] transferred the Claim to [naam aandeelhouder] on 29 November 2016. E. [naam aandeelhouder] will settle the Claim to [belanghebbende] on the day of this Deed of Settlement, subject to the terms and conditions of this Deed of Settlement. F. The Parties have agreed that the Claim has a value of € 1,868,988 (in words: one million eight hundred sixty eight thousand nine hundred eighty eight euro) as per 29 November 2016. IT IS HEREBY AGREED AS FOLLOWS: 1. Transfer 1.1. The Parties declare that [naam bedrijf 1] transferred the Claim to [naam aandeelhouder] and [naam aandeelhouder] accepted the transfer on 29 November 2016. 1.2. All claims, rights, privileges and security rights associated with the Claim, including interest, taxes, costs and penalties owed on the date hereof, are also transferred along with the Claim. (…) 2. Payment of claim 2.1. The Claim amounts to € 1.868.988 (in words: one million eight hundred sixty eight thousand nine hundred eighty eight euro) as per 29 November 2016. 2.2. [naam aandeelhouder] shall pay [belanghebbende] the amount of the Claim on the day of this Deed of Settlement. (…)” 12. Op 14 december 2016 heeft belanghebbende het bedrag van € 151.920 ontvangen met als vermelding “INFO: OPTIONS GRANTED” en op 10 januari 2017 het bedrag van € 1.868.988 met als vermelding “Omschrijving: Deed of Settlement // 29Nov2016 Thank you”. 13. Belanghebbende heeft op 15 december 2017 aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 171.765, bestaande uit onder meer uit een belastbaar loon van € 215.748. De aanslag IB/PVV 2016 is vervolgens met dagtekening 10 april 2018 overeenkomstig de aangifte opgelegd. 13. Belanghebbende heeft op 9 april 2019 een aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 206.012, bestaande uit onder meer een belastbaar loon van € 246.812. 13. De inspecteur heeft met dagtekening 22 juni 2021 een aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.075.000, waarbij een bedrag van € 1.868.988 tot het belastbaar loon uit dienstbetrekking is gerekend. 16. De inspecteur heeft met dagtekening 26 juni 2021 een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.19.673, waarbij een bedrag van € 2.020.908 (€ 1.868.988 + € 151.920) tot het belastbaar loon uit dienstbetrekking is gerekend. Beoordeling door de rechtbank Vooraf: bevoegdheid van de rechtbank 17. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij deze rechtbank. Ten tijde van het instellen van het beroep was belanghebbende woonachtig in de gemeente Gouda, waardoor de rechtbank Den Haag bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. De griffier van de rechtbank heeft voor aanvang van de zitting contact gezocht met partijen met het verzoek om, vanwege proceseconomische redenen, de behandeling van het beroep te laten voorzetten door deze rechtbank. Partijen zijn hiermee akkoord gegaan. Ter zitting hebben partijen nogmaals bevestigd in te stemmen met het voorstel van de rechtbank om de behandeling van het beroep te laten plaatsvinden door deze rechtbank. De rechtbank ziet daarom geen reden om de behandeling van deze zaak te verwijzen. Inhoudelijke beoordeling (navorderings)aanslag 18. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en de aanslag IB/PVV 2017 niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 19. In geschil is of de door belanghebbende ontvangen bedragen van € 151.920 (december 2016) en € 1.868.988 (januari 2017) terecht voor het volle bedrag tot zijn inkomen uit werk en woning in deze jaren zijn gerekend. Meer in bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen: Is het in 2016 ontvangen bedrag van € 151.920 terecht aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking? Zo ja, is dit bedrag terecht tot het inkomen van het jaar 2016 gerekend? Is het in 2017 ontvangen bedrag van € 1.868.988 terecht aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking? Zo ja, is dit bedrag terecht tot het inkomen van het jaar 2017 gerekend, of is het al genoten in het jaar 2016? Is voor beide beloningen terecht geen rekening gehouden met enige aftrek op grond van de 30%-regeling voor extraterritoriale kosten? 20. Belanghebbende heeft ter zitting expliciet en zonder voorbehoud het standpunt ingetrokken, inhoudende dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op grond van het verdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. 21. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 te hoog is vastgesteld en dat de aanslag IB/PVV 2017 naar het juiste bedrag is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 22. Belanghebbende voert aan dat aan hem in 2002 en 2010 aandelen zijn toegekend toen hij in het Verenigd Koninkrijk woonde en werkte. De mogelijkheid om de levering van de aandelen af te dwingen is voor de in 2002 toegekende aandelen niet later gelegen dan in 2005 en de aandelen zijn onmiskenbaar toegekend in verband met werken in het Verenigd Koninkrijk, aldus belanghebbende. Op dat moment (2003, 2004 en 2005) zijn de rechten op levering van de aandelen tot zijn vermogen gaan behoren. De afwikkeling van de claim in 2016 en 2017 levert aldus geen heffingsmoment op voor de inkomstenbelasting naar de mening van belanghebbende. Dit geldt evenzo voor de in 2010 toegekende aandelen. Ook hiervoor geldt dat het heffingsmoment voor de inkomstenbelasting niet later gelegen kan zijn dan drie jaren na toekenning van de aandelen in 2010, aldus belanghebbende. Naar de mening van belanghebbende moet de inspecteur feiten en omstandigheden aannemelijk maken waaruit volgt dat de betalingen in 2016 en 2017 in die jaren in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken. Naar de mening van belanghebbende is de inspecteur niet in zijn bewijslast geslaagd. Subsidiair stelt belanghebbende dat de toezeggingen uit 2002 en 2010 moet worden aangemerkt als optierechten en dat die rechten op een eerder tijdstip in de heffing hadden moeten worden betrokken dan in 2016 en 2017. 23. De inspecteur voert aan dat geen sprake is van een optierecht voor de in 2016 en 2017 uitbetaalde bedragen zoals vastgelegd in artikel 10a Wet LB 1964. Weliswaar is in de arbeidsovereenkomst vastgelegd dat belanghebbende rechten ontvangt op aandelen in de onderneming van zijn werkgever wanneer hij bepaalde doelen behaald, maar over de aard en inhoud van die doelen zijn geen concrete afspraken vastgelegd. Ook is niet vastgelegd op welk soort aandelen en op welke vennootschap de toezegging betrekking heeft en welk bedrag de werknemer moet bijbetalen. Ten slotte is geen tijdpad vastgelegd waaraan partijen zich moeten houden. De werkgever kan dus de nakoming van haar kant in beginsel opschorten zover als zij dat wil en de werknemer lijkt daarom niet op enig moment de levering van aandelen te kunnen opeisen. Er is vóór de betalingen van deze bedragen in 2016 en 2017 daarom geen voldoende zelfstandig bepaald en afdwingbaar recht op de verwerving van aandelen aan belanghebbende toegekend, aldus de inspecteur. Subsidiair stelt de inspecteur dat de ontvangen bedragen kwalificeren als Stock Appreciation Rights (SAR’s). 24. Hierna zal de rechtbank achtereenvolgens beoordelen of (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.