Rechtbank Gelderland – ECLI:NL:RBGEL:2025:7333
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 24/41, 24/44, 24/46, 24/47, 24/49 en 24/50 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur, en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.
Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 29 augustus 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 8 april 2021 vijf aanslagen schenkbelasting opgelegd.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
Rechtbank Den Haag heeft de beroepen met toepassing van art. 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht verwezen naar deze rechtbank.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 mei 2025 op zitting gezamenlijk behandeld met de procedures van [persoon A] (zaaknummers ARN 24/127, 24/128, 24/129, 24/131 en 24/132), [persoon B] (zaaknummers ARN 24/123 t/m 24/125), [persoon C] (zaaknummers ARN 23/7106, 23/7111 en 23/7113) en [persoon D] (zaaknummers ARN 24/66, 24/75 en 24/78). Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van belanghebbende, bijgestaan door [persoon E] , en namens de inspecteur [persoon F] , [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] .
Feiten [naam bedrijf] B.V. (de BV) is eigenaresse van het landgoed [naam landgoed] (het landgoed). Het geplaatste kapitaal van de BV bestaat uit 2.268.960 aandelen. Voor de heffing van schenkbelasting kwalificeert de BV op grond van artikel 7a van de Natuurschoonwet (NSW) als fiscaal transparant. [persoon J] (de schenker) heeft aan belanghebbende geschonken: op 1 januari 2018 bij overeenkomst van schenking € 110.000 onder schuldigerkenning; op 1 januari 2018 bij overeenkomst van schenking € 12.222 in contanten; op 9 april 2018 bij notariële akte 283.620 aandelen in de BV met een waarde van € 1.897.760; op 9 april bij notariële akte € 187.500 onder schuldigerkenning; en in december 2018 € 5.363 in contanten.
Bezittingen Onder de NSW gerangschikte onroerende zaken € 16.796.167 Niet onder de NSW gerangschikte onroerende zaken € 767.435 Inventaris € 37.707 Overige vorderingen € 270.672 Overlopende activa € 32.684 Liquide middelen € 179.060 Totaal bezittingen € 18.083.725 Schulden Overige voorzieningen € 185.000 Langlopende schulden € 2.707.133 Kortlopende schulden € 109.507 Totaal schulden € 3.001.640 5. Tot de langlopende schulden behoort een schuld aan de schenker van € 100.000.
Beoordeling door de rechtbank 7. De rechtbank beoordeelt of de direct verschuldigde schenkbelasting te hoog en de invorderingsvrijstelling naar een te laag bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Tardief 9. Belanghebbende stelt ter zitting dat de aanslagen ten aanzien van de schenkingen die op 1 januari 2018 zijn gedaan, namelijk de schenking van € 110.000 onder schuldigerkenning en de schenking van € 12.222 in contanten, buiten de aanslagtermijn zijn opgelegd. Volgens belanghebbende is dit standpunt niet te laat ingenomen, omdat zijn stelling ziet op een ontvankelijkheidsvraag. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst hij de uitspraak van deze rechtbank van 9 april 2020.
Om adequaat te kunnen reageren op de beroepsgrond zou het vooronderzoek dus moeten worden heropend. Dat zou een aanzienlijke vertraging in de procesgang opleveren. De rechtbank is van oordeel dat het algemene belang van een doelmatige procesgang zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij het innemen van een nieuwe beroepsgrond. Hierbij speelt mede dat belanghebbende dit standpunt in elke eerdere fase van het geding ook al had kunnen innemen. Dat hij pas een dag voor de zitting heeft ontdekt dat deze aanslagen te laat zijn opgelegd, dient voor zijn rekening en risico te komen. Ook de verwijzing naar de uitspraak van 9 april 2020 maakt het oordeel niet anders. In die zaak stelde de inspecteur pas voor het eerst tijdens de zitting dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
De rechtbank achtte deze stelling niet tardief, omdat de rechtbank ambtshalve de ontvankelijkheid van het bezwaar moet onderzoeken. Dit geldt niet voor de vraag of een aanslag tijdig is opgelegd, omdat de tijdigheid van het opleggen van een aanslag geen ontvankelijkheidskwestie is.
Schenkbelasting 11. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de direct verschuldigde schenkbelasting te hoog heeft vastgesteld. Volgens belanghebbende moeten de schenkingen eerst op grond van artikel 27 Successiewet 1956 (SW) bij elkaar worden opgeteld en vervolgens moet de verschuldigde schenkbelasting worden berekend. Daarna moet de invorderingsvrijstelling worden toegepast op het landgoed. Belanghebbende heeft de verschuldigde schenkbelasting cijfermatig als volgt onderbouwd, waarbij in kolom A is weergegeven de verschuldigde schenkbelasting, in kolom B de verschuldigde belasting met toepassing van artikel 7 NSW en in kolom C het bedrag van de invorderingsvrijstelling:
A B C Schenking 1 110.000 110.000 Schenking 2 12.222 12.222 Schenking 3
Ten aanzien van de geschonken aandelen bedraagt het totale bedrag aan activa minder dan het totale bedrag aan passiva van de BV wanneer door toepassing van de invorderingsvrijstelling het landgoed buiten beschouwing blijft. Het belastbare bedrag van die schenking is daarom terecht vastgesteld op nihil. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn standpunt dat hij een deel van de kindvrijstelling heeft verloren doordat voor iedere schenking afzonderlijk een aanslag is opgelegd. Wanneer de rechtbank de berekeningen in het beroep- en verweerschrift met elkaar vergelijkt, dan stelt zij vast dat partijen op hetzelfde bedrag aan verschuldigde schenkbelasting komen en dat in beide berekeningen rekening is gehouden met de kindvrijstelling.
Voor zover belanghebbende toch van mening is dat de inspecteur de kindvrijstelling maar voor een deel heeft toegepast, hetgeen de rechtbank niet is gebleken, heeft belanghebbende geen antwoord kunnen geven op de vraag welke aanslag te hoog is vastgesteld doordat met de kindvrijstelling onvoldoende rekening is gehouden. Verder volgt zij belanghebbende ook niet in haar stelling dat de invorderingsvrijstelling slechts voor een deel is toegepast. De invorderingsvrijstelling heeft tot doel te verhinderen dat particuliere landgoederen in gedeelten uiteenvallen vanwege de hoge last van de schenk- en/of erfbelasting en in dit geval blijft het gehele bedrag aan schenkbelasting betreffende de geschonken buiten de invordering.
De omstandigheid dat de negatieve waarde die door toepassing van artikel 7 NSW is ontstaan niet kan worden verrekend met andere schenkingen betekent niet dat de invorderingsvrijstelling dus te beperkt is toegepast.
Immateriële schadevergoeding 14. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het de arresten van 19 februari 2016 en 14 juni 2024.
Conclusie en gevolgen 18. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende ongelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten, behalve € 226,75 voor het verzoek om een immateriële schadevergoeding (1 punt met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25) Omdat op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht de zaken van belanghebbende samenhangen met de zaken van vier andere belastingplichtigen vermenigvuldigd de rechtbank de vermelde vergoeding met 1,5 en deelt de rechtbank de vergoeding door vijf. De totale vergoeding bedraagt daarmee afgerond € 68,03 (€ 226,75 x 1,5 = € 340,13 / 5). De inspecteur en de Staat moeten ieder de helft vergoeden.
Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 393; veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 107; bepaalt dat de inspecteur de proceskosten van belanghebbende vergoedt tot een bedrag van € 34,01; bepaalt dat de Staat de proceskosten van belanghebbende vergoedt tot een bedrag van € 34,02.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wessels, voorzitter, en mr. L.L. van Benthem en mr. J.A.L. Heldens, rechters, in aanwezigheid van mr. R. Zeldenrust, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier de voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBGEL:2020:2229.
Artikel 33, eerste lid, ten vijfde, SW.
Hoge Raad 10 november 2017 ECLI:NL:HR:2017:2840, r.o. 2.3.4.
Hoge Raad 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1183, r.o. 3.3.1.
ECLI:NL:HR:2016:252.
ECLI:NL:HR:2024:853.
Vgl. Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154.
Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
Hoge Raad 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216 en Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:865.