← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:7452

RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/446101 / HA ZA 25-19 Vonnis van 11 juni 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. J.W.M. Soentjens te ‘s-Heerenberg, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. S.W. Holterman te Utrecht. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 31 december 2024, met 6 producties; het op 22 januari 2025 verleende verstek; het B2-formulier van 17 februari 2025 van mr. Holterman (advocaatstelling en daarmee zuivering van het verstek); het B4-formulier van 1 april 2025 van mr. Holterman; de beslissing van 14 mei 2025 van de rolrechter dat het recht van [gedaagde] om te mogen concluderen voor antwoord is vervallen, omdat op de daarvoor bepaalde dag niet is geconcludeerd voor antwoord. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil en de beoordeling 2.
  3. [eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 43,163,12, vermeerderd met de wettelijke rente over € 41.720,55 vanaf 28 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; II. [gedaagde] veroordeelt in alle kosten van het geding, daaronder begrepen de kosten van het conservatoir beslag, het griffierecht, en de kosten voor salaris advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval dat voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de veertiende dag na dagtekening van het vonnis; III. [gedaagde] veroordeelt in de na de uitspraak nog vallende kosten (de nakosten) voor wat betreft het salaris voor de advocaat forfaitair berekend op € 173,00 zonder betekening, en verhoogd met € 90,00 in geval van betekening. 2.
  4. [eiser] heeft aan zijn vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Tussen [eiser] en [gedaagde] is een tweetal overeenkomsten van geldlening gesloten, op grond waarvan [eiser] aan [gedaagde] in totaal € 25.000,00 heeft uitgeleend. Deze overeenkomsten waren bedoeld voor beleggingen en investeringen. Als vergoeding is overeengekomen 50% van het netto resultaat, welke vergoeding € 21.720,55 bedraagt. [gedaagde] is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar uit die overeenkomsten jegens [gedaagde] voortvloeiende verplichtingen; zij heeft slechts een betaling van € 5.000,00 aan [eiser] gedaan. [gedaagde] is in gebreke gesteld en zij is met ingang van 28 november 2024 in verzuim. Met ingang van die datum is zij wettelijke rente - onder II van het petitum is ‘wettelijke handelsrente’ vermeld - verschuldigd over de hoofdsom (€ 20.000,00 + € 21.720,55 = € 41.720,55), alsmede buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw (€ 1.442,47). 2.
  5. De stellingen van [eiser] zijn door [gedaagde] niet weersproken en kunnen, voor zover hierna niet anders wordt overwogen, het gevorderde dragen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen. 2.
  6. De door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar, omdat [gedaagde] een natuurlijk persoon is, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en gesteld noch gebleken is dat [eiser] de in artikel 6:96 lid 6 BW (dwingend) voorgeschreven veertiendagenbrief aan [gedaagde] heeft gezonden. 2.
  7. De door [gedaagde] onder II van het petitum gevorderde wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar, omdat van een handelsovereenkomst (als bedoeld in artikel 6:119a BW) geen sprake is. Blijkens het lichaam van de dagvaarding heeft [eiser] tevens aanspraak gemaakt op het mindere, te weten de wettelijke rente. Deze komt op de voet van artikel 6:119 BW voor vergoeding in aanmerking. 2.
  8. [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op: - explootkosten € 323,72 - griffierecht € 320,00 - salaris advocaat € 1.214,00 (1 punt × € 1.214,00) Totaal € 1.857,
  9. 2.
  10. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 136,71 - griffierecht € 1.054,00 (€ 1.374,00 - € 320,00) - salaris advocaat € 1.214,00 (1 punt × € 1.214,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.582,
  11. 3De beslissing De rechtbank 3.
  12. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 41.720,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 28 november 2024, tot de dag van volledige betaling, 3.
  13. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.857,72, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling, 3.
  14. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.582,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
  15. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  16. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 11 juni
  17. 1542

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.