vonnis RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Apeldoorn Zaaknummer: 11360489 EL 24-20 vonnis van de kantonrechter van 16 juli 2025 in de zaak van [eiser 1] [eiser 2] , beiden wonende te [woonplaats] , eisende partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident, verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident, eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, gemachtigde: USG Legal Professionals. Partijen worden hierna [gezamenlijke eisers] (eisers samen, in mannelijk enkelvoud) en Dexia genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 9 oktober 2024, met daarin een incidentele vordering ex artikel 843a Rv; de incidentele vordering ex artikel 843a Rv tevens houdende conclusie van antwoord in het incident en in de hoofdzaak en tevens houdende eis in reconventie in de hoofdzaak; de conclusie van antwoord in het incident tevens houdende repliek in conventie en van antwoord in reconventie; de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie; de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties; 1.2. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2De feiten 2.1. [gezamenlijke eisers] heeft op 18 augustus 2000 een leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend, genaamd AEX Plus Effect Maandbetaling, met contractnummer 39283274, waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia. 2.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst op 27 maart 2006 een eindafrekening opgesteld met een negatief resultaat van € 687,95. 2.3. Volgens opgave van Dexia heeft [gezamenlijke eisers] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 4.356,48 aan maandtermijnen en een bedrag van € 687,95 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [gezamenlijke eisers] € 122,14 aan fiscaal voordeel genoten. 2.4. De gemachtigde van [gezamenlijke eisers] , Leaseproces, heeft bij brief van 17 maart 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren. 3De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in de incidenten,in conventie en in reconventie 3.1. [gezamenlijke eisers] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident: Dexia ex artikel 843a Rv zal veroordelen een afschrift van het aanvraagformulier aan [gezamenlijke eisers] te verstrekken, - in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gezamenlijke eisers] en/of toerekenbaar is tekort geschoten, voor recht zal verklaren dat [gezamenlijke eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [gezamenlijke eisers] van al datgene dat [gezamenlijke eisers] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, voor recht zal verklaren dat [gezamenlijke eisers] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is, Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [gezamenlijke eisers] , met rente, Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente. 3.2. Dexia stelt ook een incidentele vordering in en voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering. Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident: [gezamenlijke eisers] ex artikel 843a/194 Rv zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [gezamenlijke eisers] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, - in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia na betaling van € 458,63, met wettelijke rente, aan al haar verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan en niets meer aan [gezamenlijke eisers] verschuldigd is, [gezamenlijke eisers] zal veroordelen in de proceskosten. 3.3. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 4. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in de incidenten algemeen 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gezamenlijke eisers] 4.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.3. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [gezamenlijke eisers] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. verjaring 4.4. Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [gezamenlijke eisers] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen. tussenpersoon 4.5. [gezamenlijke eisers] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Pensioen Partners (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 4.6. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [gezamenlijke eisers] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [gezamenlijke eisers] anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [gezamenlijke eisers] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [gezamenlijke eisers] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [gezamenlijke eisers] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 4.7. [gezamenlijke eisers] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: [gezamenlijke eisers] kwam in contact met Pensioen Partners nadat hij een adviesgesprek had bijgewoond tussen de adviseur en de vrienden van [gezamenlijke eisers] Tijdens het adviesgesprek heeft de adviseur gesproken over de effectenleaseproducten van Bank Labouchere. De vrienden waren enthousiast over deze producten en gaven aan dat de producten ook interessant konden zijn voor [gezamenlijke eisers] De financieel adviseur van Pensioen Partners stelde daarom voor om een afspraak te maken met [gezamenlijke eisers] voor een huisbezoek om ook een financieel adviesgesprek te geven. [gezamenlijke eisers] heeft hiermee ingestemd. Het adviesgesprek werd bijgewoond door Hoften en Hoften-Grotendorst. Tijdens het huisbezoek heeft de adviseur van Pensioen Partners geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [gezamenlijke eisers] Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen, het spaargeld en de gezinssituatie van [gezamenlijke eisers] Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [gezamenlijke eisers] om het pensioen aan te vullen en een voorziening te treffen voor de studie van de kinderen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om deze doelen te bereiken en dat zij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde [gezamenlijke eisers] om een AEX Plus Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten. Volgens de adviseur was dit een goed renderend product. [gezamenlijke eisers] diende hiervoor maandelijks NLG 150,- in te leggen. De adviseur had tevens geadviseerd om het salaris aan te wenden voor de inleg van het AEX Plus Effect. Volgens de adviseur zou [gezamenlijke eisers] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [gezamenlijke eisers] het pensioen kon aanvullen en een voorziening zou kunnen treffen voor de studie van de kinderen. De adviseur onderbouwde haar advies met behulp van rekenvoorbeelden en prognoses. De adviseur toonde aan hoeveel de producten in een periode van oplopend tot 20 jaar zou kunnen opleveren bij een maandelijkse inleg van NLG 150,-. Er werd bij dit voorbeeld echter geen rekening gehouden met eventueel tegenvallende koersresultaten. De adviseur heeft deze stukken weer meegenomen. De adviseur heeft [gezamenlijke eisers] niet geïnformeerd over de specifieke risico's. Zo heeft zij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwik kelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoof de van de effectenleaseovereenkomst. Als [gezamenlijke eisers] op deze risico's gewezen was, had hij het AEX Plus Effect nooit afgesloten. [gezamenlijke eisers] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en haar advies. Om deze reden heeft [gezamenlijke eisers] het advies van de adviseur opgevolgd en een AEX Plus Effect overeenkomst van Bank Labouchere met een maandelijkse inleg van NLG 150,- afgesloten. De aanvraag voor het AEX Plus Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. 4.8. [gezamenlijke eisers] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht: - een kopie van de overeenkomst van 18 augustus 2000 met contractnummer39283274, voorzien van het adviseursnummer: ATP00962 Pensioen Partners B.V. - een kopie van een uittreksel van de KvK van Pensioen Partners met als beschrijving van de werkzaamheden in de periode tussen 26 september 1996 en 9 december 2004 ‘het verstrekken van adviezen op het gebied van oudedagsvoorziening, voorziening en financial planning’, -een weergave van de website van Pensioen Partners, zoals deze in februari 2001 luidde. Hierop is te lezen: “(…) Voor alle geldzaken heeft de Pensioen Partners Nederland specialisten in huis./ Of het nu gaat om verzekeren, sparen, beleggen, hypotheken of langetermijnplanning: wij zijn op de hoogte en wij adviseren u. Persoonlijk en deskundig (…) wanner u nú een adviesgesprek aanvraagt, komt onze adviseur bij u thuis om in alle rust uw geldzaken te bespreken en al uw vragen te beantwoorden. (…) ”. 4.9. Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [gezamenlijke eisers] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [gezamenlijke eisers] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [gezamenlijke eisers] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.