RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 23/4907 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van in de zaak tussen [belanghebbende], in [vestigingsplaats], belanghebbende (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven), en de inspecteur van de Belastingdienst, Backoffice BPM, de inspecteur, en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 april 2023. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 34.405 opgelegd. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tijdig beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep maakt deel uit van een cluster van 61 zaken, die de rechtbank op 15 april 2025 gelijktijdig op zitting heeft behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door de gemachtigde, [naam 1], [naam 2] en [naam 3]; namens de inspecteur [naam 4] en [naam 5]; namens de Staat [naam 6]. Feiten 1. Belanghebbende heeft BPM-aangifte gedaan ter zake van een Ferrari 812 GTS 6.5 V12 HELE met een CO2-uitstoot van 373 gr/km en als datum eerste toelating 28 mei 2021. Voor deze auto geldt een brutoBPM van € 98.270. De BPM-aangifte is op 13 september 2021 bij de inspecteur binnengekomen en de tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 17 november 2021. 2. Bij de aangifte is een taxatierapport, inclusief foto’s van de auto, van Grondstra Taxaties gevoegd met datum 5 augustus 2021. 3. Op aangifte is een bedrag van € 63.865 aan BPM voldaan. 4. Blijkens een opdrachtbevestiging aan [naam 7], die indirect 100% aandeelhouder van belanghebbende is, is op 14 november 2020 de levering van de onderhavige auto overeengekomen. De factuur van [naam 8] Sportscars, gericht aan belanghebbende, is gedateerd 27 mei 2021. De auto is op 28 mei 2021 op een Duits kenteken gezet, ten name van [naam 7]. Dit betrof een exportkenteken met een geldigheid van 15 dagen. 5. Op 29 mei 2021 is de auto rijdend op de weg gezien met een handelaarskenteken van belanghebbende. 6. Op 12 en 18 juni 2021 is de auto gezien met het Duitse kenteken op naam van [naam 7], eenmaal rijdend op de weg en eenmaal op een parkeerplaats. Het DRZ-rapport en de naheffing 7. Desgevraagd heeft belanghebbende de auto getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Daarvan heeft de hertaxateur van DRZ een rapport uitgebracht (het DRZ-rapport). Het DRZ-rapport vermeldt de volgende gegevens: een historische nieuwprijs van € 508.832 en een handelsinkoopwaarde van € 462.000 op basis van gegevens van drie referentievoertuigen. DRZ heeft geen aftrek voor schade toegepast. Het DRZ-rapport concludeert tot een handelsinkoopwaarde van € 462.000. 8. Vervolgens heeft de inspecteur met dagtekening 27 november 2018 een vooraankondiging naheffing BPM en boete aan belanghebbende verzonden. De hierin genoemde bedragen komen niet overeen met de bedragen in het DRZ-rapport. Met dagtekening 24 november 2021 heeft de inspecteur een “kennisgeving naheffingsaanslag BPM” naar belanghebbende verzonden. In die brief kondigt de inspecteur aan dat hij zal naheffen omdat hij zich op het standpunt stelt dat sprake is van een nieuwe auto. 9. De inspecteur heeft overeenkomstig de kennisgeving de naheffingsaanslag BPM aan belanghebbende opgelegd. 10. Belanghebbende is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 14 juni 2022. Belanghebbende is daarbij zonder bericht niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank 11. De rechtbank beoordeelt de naheffingsaanslag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. In de kern is de discussie of de auto als nieuw of als gebruikt moet worden aangemerkt op het moment dat het belastbare feit zich voordeed. Daarbij heeft de inspecteur zich, voor zover nodig, beroepen op fraus legis. Het belastbare feit 12. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet BPM 1992 wordt BPM geheven met betrekking tot onder meer personenauto’s. Artikel 1, zesde lid bepaalt - voor zover hier van belang - dat als een niet-geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. 13. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, dient voor de toepassing van artikel 1, zesde lid, van de Wet BPM 1992 sprake te zijn van duurzaam gebruik en draagt de inspecteur de bewijslast hiervan. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur geslaagd in dit bewijs. 14. Onder een niet-geregistreerde personenauto dient mede te worden verstaan een auto met een buitenlands kenteken. Het gaat namelijk om de registratie in Nederland. De auto is pas op 17 november 2021 in Nederland geregistreerd. Niettemin is deze op verschillende tijdstippen daaraan voorafgaand op de Nederlandse weg gezien door diverse autospotters. De beide keren dat de auto rijdend is gefotografeerd, zit voor zover de rechtbank kan beoordelen dezelfde persoon achter het stuur, die veel gelijkenis vertoont met de foto van [naam 7] op zijn rijbewijs, waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort. In beide gevallen is sprake van een verschillende bijrijder. 15. Hoewel het gebruikelijk is dat bij een eerste constatering van gebruik van de weg een waarschuwing wordt gegeven, en niet direct wordt nageheven, volgt uit het achterwege blijven van deze waarschuwing niet dat geen naheffing op grond van artikel 1, zesde lid, van de Wet BPM 1992 mogelijk is. Feitelijk heeft zich immers het belastbare feit voorgedaan. Daarbij kan bovendien achteraf worden geconstateerd dat het duurzame gebruik een aanvang heeft genomen op uiterlijk 29 mei 2021. De belasting was op grond van artikel 6 van de Wet BPM op dat moment verschuldigd. 16. Gelet op de datum waarop de auto is geleverd en het ontbreken van enige aanwijzing dat er in Duitsland met de auto is gereden, is aannemelijk dat de auto op het moment waarop het gebruik van de Nederlandse weg aanving nieuw was. 17. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank nog dat de tenaamstelling van de naheffingsaanslag (op naam van belanghebbende en niet op naam van [naam 7]) juist is. Uit het feit dat belanghebbende uiteindelijk aangifte heeft gedaan volgt dat de aanschaf voor haar is geweest. Daar komt nog bij dat de auto op 29 mei 2021 rijdend met een handelaarskenteken van belanghebbende is gezien. Uitleg Unierecht en prejudiciële vragen 18. Belanghebbende stelt, onder verwijzing naar artikel 267 van het VWEU, dat het Hof van Justitie bij exclusiviteit bevoegd is om uitleg te geven aan het Unierecht. Daarom verzoekt belanghebbende de rechtbank prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van het Unierecht. 19. Gelet op de arresten in de zaken Van de Coevering en Ilhan zijn de hier van belang zijnde vragen al voorgelegd en beantwoord. 20. In zijn algemeenheid wijst de rechtbank er daarbij nog op, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Minea, dat het Hof van Justitie in het kader van een prejudiciële procedure niet beoordeelt of concrete bepalingen van het nationale recht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Unierecht, maar zich beperkt tot een uitlegging van het Unierecht, op basis waarvan de nationale rechterlijke instanties zich vervolgens over die verenigbaarheid kunnen uitspreken. Tussenconclusie 21. Het beroep is ongegrond. De naheffingsaanslag is juist. Vergoeding van immateriële schade 22. Voor zover belanghebbende van mening is dat recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade die niet moet worden vastgesteld op € 500 per halfjaar, zoals de Hoge Raad heeft bepaald, omdat de Hoge Raad daarmee uitleg zou hebben gegeven aan het Unierecht, in het bijzonder artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest), overweegt de rechtbank als volgt. 23. Artikel 47 van het Handvest bepaalt dat eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Anders dan belanghebbende betoogt, laat het Unierecht, in het bijzonder artikel 47 van het Handvest, de lidstaten buiten redelijke twijfel de vrijheid om rechtsregels rondom de overschrijding van de redelijke behandeltermijn van belastingzaken vast te stellen. Hierbij is van belang dat Unierechtelijke regels op dit gebied ontbreken, zodat het aan de individuele lidstaten is te beoordelen of aanspraak bestaat op schadevergoeding en hoeveel deze moet bedragen. Artikel 47 van het Handvest waarborgt dat sprake is van een doeltreffende voorziening. Dit artikel wordt door de nationale uitgangspunten op geen enkele wijze beperkt. Het is immers mogelijk de rechter met een verzoek tot schadevergoeding te benaderen en ook is het niet onmogelijk om een hogere vergoeding dan € 500 per halfjaar te ontvangen, als wordt bewezen dat de werkelijk geleden schade hoger is. Belanghebbende heeft echter op geen enkele wijze onderbouwd dat daadwerkelijk schade is geleden door de termijnoverschrijding, laat staan tot een hoger bedrag dan de forfaitaire vergoeding. Daarom zal de rechtbank bij de beoordeling van belanghebbendes verzoek om een schadevergoeding uitgaan van de regels die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn overzichtsarrest van 19 februari 2016 en het arrest van 14 juni 2024. De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt in beginsel een periode van twee jaar en vangt aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. 24. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift van belanghebbende op 7 april 2022 heeft ontvangen. Op die datum is de tweejaarstermijn aangevangen. Sindsdien is een termijn verstreken van 3 jaar en bijna 6 maanden. 25. In het genoemde arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad de regels over toekenning van vergoeding van immateriële schade gedeeltelijk aangepast. Daarbij is in rechtsoverweging 3.5 overgangsrecht opgenomen. Voor dit overgangsrecht is van belang of (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.