RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05.083919.23 Datum uitspraak : 16 september 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsman: mr. C.W.J. de Bont, advocaat in Doetinchem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 augustus 2024 en 2 september 2025. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25 januari 2023 tot en met 27 maart 2023 te [plaats], (althans) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,in de uitoefening van een beroep of bedrijfmeermalen, althans eenmaal,opzettelijkheeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd,ongeveer 102 henneplant(
- en), althans een grote hoeveelheid hennep als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep zijnde (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op of omstreeks 27 maart 2023 te [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4870 gram (gedroogde) henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 22 april 2018 tot en met 27 maart 2023 te [plaats], (althans) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een hoeveelheid/hoeveelheden elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk (telkens) geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of (telkens) die weg te nemen hoeveelheid/hoeveelheden elektriciteit, althans die /dat goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 27 maart 2023 trof de politie in een woning aan de [adres] in [plaats] een in werking zijnde hennepkwekerij aan. De kwekerij werd op aanwijzingen van de bewoner van de woning, zijnde verdachte, aangetroffen in een afgetimmerd gedeelte van de woning achter een gesloten deur, welke verdachte opende met een sleutel uit zijn kantoor. Er stonden in totaal 102 hennepplanten. De ruimte werd verlicht door 20 lampen in spiegelkappen, er waren elektrische kachels en ventilatoren aanwezig en de ruimte was licht en temperatuur geïsoleerd. In de ruimte hingen drie koolstoffilters en een afzuiginstallatie die de luchtverversing en luchtafvoer regelden. Verder werd onder andere aangetroffen: een waterton met een dompelpomp, (aangebroken) verpakkingen van groei- en bloeimiddelen, droognetten en -rekken, vuilniszakken met leeg geknipte takken van hennepplanten, twee centrifuges, twee oude koolstoffilters, een ton met gebruikte bamboestokken, strijkzakken en sealbags. In een opslagruimte aan het einde van de kweekruimte werden bol staande en dichtgestreken strijkzakken aangetroffen. In deze zakken zaten gesloten, transparante sealbags met gedroogde henneptoppen. In totaal betrof het nettogewicht van deze gedroogde henneptoppen 4.870,21 gram. De kweekapparatuur was aangesloten op een schakelbord in de ruimte naast de hennepplanten en vanuit dat schakelbord was een elektrische kabel getrokken naar de meterkast in het woongedeelte van het pand. Een fraude-inspecteur van [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) stelde vast dat de verzegeling van de elektrische meetinstallatie was verbroken. Buiten de meter om was een aansluiting aangebracht die de hennepkwekerij op een illegale manier van stroom voorzag. Door [bedrijf] is aangifte gedaan van diefstal van stroom. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle drie de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte veroordeeld kan worden voor de feiten 1 en 2. Voor de ten laste gelegde aanvangsdatum van de pleegperiode van het derde feit is er onvoldoende bewijs. De startdatum van dit feit zou niet 22 april 2018, maar 13 oktober 2020 moeten zijn. Vanaf die startdatum kan ook het derde feit bewezen worden. Beoordeling door de rechtbank Het eerste feit Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen, p. 15-17; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 167; - het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 213-217. Het tweede feit Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen, p. 57-58; - het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 213-217. Het derde feit [bedrijf] heeft aangifte gedaan van de diefstal van energie. [bedrijf] had sinds 6 augustus 2020 een overeenkomst met verdachte betreffende de aansluiting en het transport van elektriciteit naar de [adres] . Op de dag van het binnentreden in deze woning, op 17 maart 2023, constateerde een fraude-inspecteur van [bedrijf] dat de zegels van de hoofdaansluiting waren verbroken. Aan de onderzijde van de zekeringhouders was een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt. Deze aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om. Door een dergelijke aansluiting te maken kon de tarievenregeling van [bedrijf] niet juist kon worden toegepast. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij in het pand aan [adres] werd afgenomen zonder dat deze in rekening kon worden gebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij de illegale stroomvoorziening niet zelf heeft geregeld. Een voor hem onbekende derde heeft de verzegeling van de meterkast verbroken en heeft de stroomvoorziening van de plantage aangelegd. Deze elektricien werd geregeld door de man met wie verdachte samen de kwekerij ondernam. In gevallen zoals het onderhavige, waarin een hennepkwekerij wordt voorzien van stroom die ‘buiten de meter om’ wordt afgenomen, en de verdachte op die grond (ook) diefstal van elektriciteit wordt verweten, vereist die diefstal zelfstandige aandacht in de bewijsvoering. De betrokkenheid van de verdachte bij de teelt van hennep brengt immers op zichzelf nog niet mee dat hij zich ook schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit. De omstandigheid dat de feitelijke verbrekingshandelingen niet door verdachte zijn gepleegd hoeft anderzijds ook niet aan een bewezenverklaring van diefstal van stroom in de weg te staan. Hoewel verdachte de illegale stroomvoorziening niet zelf heeft aangelegd en de verbrekingshandeling dus niet door hem is gepleegd, heeft hij wel bekend dat hij wist van de illegale voorziening. Vervolgens heeft verdachte deze voorziening gebruikt door de weggenomen elektriciteit voor de apparaten en installaties in de kwekerij te gebruiken. Verdachte verklaart namelijk dat hij samen met zijn partner de kwekerij heeft ingericht en opgebouwd; dat hij dagelijks de planten verzorgde; dat hij de hennep oogstte en de oogst verwerkte en dat de hennep ter plekke gedroogd werd voor de verkoop. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de elektriciteit bij het telen van hennep en heeft verdachte zich daarmee schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal van elektriciteit. Pleegperiode De ten laste gelegde aanvangsdatum voor de diefstal van de stroom is 22 april 2018, de datum waarop de chatgeschiedenis over ‘dossiers’ begon. Er zijn voldoende aanwijzingen dat er in die chats verhullend over hennep gesproken werd, wanneer er werd gesproken over ‘dossiers’. Aan de andere kant kan de rechtbank niet uitsluiten dat er mogelijk op sommige momenten wel over werkelijke dossiers gesproken werd. Het is immers vast komen te staan dat er ook juridische procedures liepen tussen de gemeente en de onderneming van [naam] , waarbij [verdachte] als contactpersoon of juridisch adviseur optrad. De rechtbank kan niet precies vaststellen op welke momenten over juridische dossiers werd gesproken en op welke momenten het woord ‘dossiers’ werd gebruikt om verhullend over hennep te spreken. De rechtbank zal daarom voor de aanvang van de pleegperiode de datum van 13 oktober 2020 aanhouden. Uit het door [bedrijf] ingestelde onderzoek is namelijk gebleken, dat er in ieder geval in de periode van 13 oktober 2020 tot 27 maart 2023 een hennepplantage was ingericht in bovengenoemd perceel. Dit sluit aan bij de verklaring van verdachte dat de hennepkwekerij in 2020 is gestart. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat: 1. hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25 januari 2023 tot en met 27 maart 2023 te [plaats], (althans) in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,in de uitoefening van een beroep of bedrijfmeermalen, althans eenmaal,opzettelijkheeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd,ongeveer 102 hennepplant(
- en), althans een grote hoeveelheid hennep als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennepzijnde (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op of omstreeks 27 maart 2023 te [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4870 gram (gedroogde) henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 13 oktober 2020 tot en met 27 maart 2023 te [plaats], (althans) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een hoeveelheid/hoeveelheden elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk (telkens) geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of (telkens) die weg te nemen hoeveelheid/hoeveelheden elektriciteit, althans die /dat goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: Medeplegen van in de uitoefening van een beroep/bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod feit 2: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod feit 3: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een taakstraf zou moeten worden opgelegd, eventueel met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaren. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Hennepteelt is direct en indirect oorzaak van vele vormen van overlast en criminaliteit en levert schade op voor de maatschappij. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade aan de gezondheid. Daarnaast levert een hennepkwekerij, waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd regelmatig (brand)gevaarlijke situaties op voor de omgeving en omwonenden. Verdachte heeft een strafblad waarop alleen twee verkeersovertredingen staan en heeft daarmee geen relevante recidive. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten past bij het eerste feit voor een first offender een taakstraf voor de duur van 120 uren en een maand gevangenisstraf voorwaardelijk. Dit is gelijk aan de eis van de officier van justitie. De rechtbank heeft naast het eerste feit ook nog het tweede en derde feit bewezen verklaard. Toch ziet de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist. Verdachte is degene die het meeste risico liep doordat de kwekerij in zijn woning zat. Hij is benaderd in een periode waarin hij kwetsbaar was. Hij had zijn baan verloren en zat diep in de schulden. Na ontdekking van de kwekerij is verdachte zijn woning kwijtgeraakt en heeft hij nu – bovenop de schuld die hij al had bij de Belastingdienst – vele jaren aan betalingen in het vooruitzicht, gelet op de ontnemingsvordering en de vordering benadeelde partij. De financiële gevolgen van dit feit zijn voor verdachte enorm. Verdachte heeft daarnaast in positieve zin meegewerkt aan het onderzoek, heeft direct verantwoordelijkheid genomen voor zijn aandeel in de feiten en heeft spijt betuigd. De rechtbank neemt dat in het voordeel van verdachte mee. De rechtbank overweegt dat de redelijke termijn in beperkte mate, te weten met 5,5 maanden is overschreden en dat vanwege deze geringe overschrijding kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. 8De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [bedrijf] heeft in verband met het derde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 69.731,94 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Overweging van de rechtbank Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de vordering niet is betwist. Voor de schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen. Verdachte is vanaf 19 mei 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. 9De beoordeling van het beslag De rechtbank zal het geldbedrag van € 1.800,-, dat aan verdachte toebehoort en dat geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van feit 1 is verkregen verbeurd verklaren. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. 10De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht; - 3 en 11 van de Opiumwet; 11De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een taakstraf van 100 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; verklaart verbeurd het geldbedrag van € 1.800,-; veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf] van € 69.731,94 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [bedrijf] , een bedrag te betalen van € 69.731,94 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 50 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Lucassen (voorzitter), mr. W.H.S. Duinkerke en mr. C.L.A. van der Veeken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 september 2025. Mr. C.L.A. van der Veeken is buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023455824, gesloten op 10 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte, p. 149-150. Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 218. Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 214 en 217. Proces-verbaal van aangifte, p. 150. Proces-verbaal van verhoor, p. 214.