RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05.103248.23 Datum uitspraak : 16 september 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1972 in [geboortedatum 2] , wonende aan [adres] , Raadsman: mr. C.D.A.J. Majoie, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 augustus 2024 en 2 september 2025. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25 januari 2023 tot en met 27 maart 2023 te [plaats], (althans) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,in de uitoefening van een beroep of bedrijfmeermalen, althans eenmaal,opzettelijkheeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd,ongeveer 102 henneplant(
- en), althans een grote hoeveelheid hennep als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep zijnde (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op of omstreeks 27 maart 2023 te [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4870 gram (gedroogde) henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 22 april 2018 tot en met 27 maart 2023 te [plaats], (althans) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een hoeveelheid/hoeveelheden elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele aan [bedrijf], in elk (telkens) geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of (telkens) die weg te nemen hoeveelheid/hoeveelheden elektriciteit, althans die /dat goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking. 2De standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. 3Overwegingen ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van feit 1 en 2 Tijdens het onderzoek zijn verschillende telefoons van verdachte en zijn medeverdachten uitgelezen en is de inhoud daarvan geanalyseerd. Daarbij gaat het vooral om chatgesprekken. Er werden chatgesprekken gevoerd tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waarin een derde persoon genoemd werd. Deze persoon noemden ze ‘ [verdachte] ’ of ‘ [verdachte] ’ of ‘ [verdachte] ’. Het vermoeden bestaat dat hiermee verdachte bedoeld werd. In deze chat werd in verhullend taalgebruik gesproken. Ook zijn er chats aangetroffen tussen verdachte en [medeverdachte 2] en tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Op basis van de analyse van de berichten wordt duidelijk dat er gesproken wordt over een hennepkwekerij waarbij ook verdachte betrokken is. Echter, tussen verdachte en [medeverdachte 1] worden slechts berichten aangetroffen in de periode van 14 februari 2020 tot 15 maart 2022. In de chat tussen verdachte en [medeverdachte 2] zijn er berichten in de periode van 14 december 2020 tot 20 mei 2022. Het contact lijkt daarna te zijn geëindigd, althans, er is geen bewijs dat er daarna nog contact heeft plaatsgevonden tussen verdachte en de medeverdachten. Ook in de berichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn er geen aanwijzingen aangetroffen voor de betrokkenheid van verdachte na 20 mei 2022. De tenlastegelegde periode van het eerste feit loopt van 25 januari 2023 tot en met 27 maart 2023. Hoewel de rechtbank voldoende aanwijzingen ziet voor de betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij in [plaats], moet hij worden vrijgesproken omdat het bewijs van zijn betrokkenheid niet binnen de ten laste gelegde periode valt. Hetzelfde geldt voor het tweede feit, de pleegdatum voor dat feit betreft immers 27 maart 2023. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken voor zowel het eerste als het tweede feit. Ten aanzien van feit 3 De ten laste gelegde periode van het derde feit betreft 22 april 2018 tot en met 27 maart 2023. De eventuele betrokkenheid van de verdachte bij de teelt van hennep in die periode brengt op zichzelf nog niet mee dat hij zich ook schuldig heeft maakt aan het opzettelijk wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit. De rechtbank ziet geen bewijsmiddelen waaruit zou blijken dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van de stroom. De rechtbank zal de verdachte daarom ook van dit derde feit vrijspreken. 4De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [bedrijf] heeft in verband met het derde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 69.731,94 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Overweging van de rechtbank Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het derde feit komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. 5De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde; verklaart de benadeelde partij [bedrijf] niet-ontvankelijk in de vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Lucassen (voorzitter), mr. W.H.S. Duinkerke en mr. C.L.A. van der Veeken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 september 2025. Mr. C.L.A. van der Veeken is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.